<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2026:1642</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-01T12:04:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.362.585</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOVE:2025:3232" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2025:3232</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1642">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1642</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-01T12:03:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2026:1642 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-03-2026 / 200.362.585</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2026:1642:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incidentele vordering. Appellant verlangt inzage op grond van artikel 195 in combinatie met artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat op 1 januari 2025 is gewijzigd (Rv). Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel toe aan (a) een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij (d) daarbij voldoende belang heeft. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet aannemelijk maken dat hij daarbij voldoende belang heeft. Ook als degene van wie inzage, afschrift of uittreksel wordt gevraagd de gegevens niet zelf onder zich heeft, maar de gegevens wel gemakkelijk van een derde kan verkrijgen, kan het verzoek worden toegewezen. Het verzoek wordt (gedeeltelijk) toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2026:1642:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.362.585</para>
      <para>zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 320979</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest in het incident van 17 maart 2026 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant] ( [appellant] )</emphasis>
      </para>
      <para>die woont in [woonplaats]</para>
      <para>advocaat: mr. F.M. Oudolf</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">UVM Verzekeringsmaatschappij N.V. (UVM)</emphasis>
      </para>
      <para>die is gevestigd in Den Haag</para>
      <para>advocaat: mr. D.D. Markvoort</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank) op 21 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van grieven inclusief incidentele vordering;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de memorie van antwoord in het incident.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Volgens UVM heeft [appellant] (samen met een ander - die niet in deze hoger beroepsprocedure is betrokken) verzekeringsfraude gepleegd door honderden kortlopende reisverzekeringen af te sluiten en daarop valse claims in te dienen. UVM heeft een groot deel van deze claims uitgekeerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] (samen met een ander) de betreffende verzekeringsfraude heeft gepleegd en heeft geoordeeld dat [appellant] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die UVM daardoor heeft geleden. Daarom moet [appellant] de door UVM uitgekeerde bedragen terugbetalen en daarnaast de niet-betaalde verzekeringspremies betalen (beide vermeerderd met wettelijke rente), evenals de kosten van het fraudeonderzoek en de proceskosten (verhoogd met wettelijke rente). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [appellant] is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Ook heeft hij een incidentele vordering ingesteld op grond waarvan hij wil dat het hof UVM veroordeelt tot het verstrekken aan [appellant] van goed leesbare kopieën van (1) de claims (volgens de rechtbank gaat het om 103 claims op 109 reisverzekeringen) die bij UVM zijn gedaan (dat wil zeggen de onderliggende stukken van en voor die claims) en (2) alle bankafschriften van rekeninghouders/rekeningnummers waarop door UVM uitkeringen zijn gedaan, alsook (3) van de correspondentie met de vijf Nederlandse banken (ABN AMRO, ING, Bunq, Rabobank en SNS Bank) over deze rekeningen; een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, voor het geval UVM niet zal voldoen en met veroordeling van UVM in de kosten van dit incident. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof zal het door [appellant] in het incident verlangde toewijzen. Hierna licht het hof toe hoe het tot dat oordeel komt. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De toelichting op de beslissing van het hof</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Hoewel [appellant] in zijn memorie niet aangeeft wat de wettelijke grondslag van zijn incidentele vordering is, begrijpt het hof dat hij inzage verlangt op grond van artikel 195 in combinatie met artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat op 1 januari 2025 is gewijzigd (Rv). Het hof leidt uit de memorie van antwoord in het incident af dat UVM zich daartegen heeft kunnen verweren en er niet door is gehinderd dat [appellant] zich niet concreet op één of meerdere wettelijke bepalingen heeft beroepen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In artikel 195 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel toe aan (a) een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij (d) daarbij voldoende belang heeft. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet aannemelijk maken dat hij daarbij voldoende belang heeft. Ook als degene van wie inzage, afschrift of uittreksel wordt gevraagd de gegevens niet zelf onder zich heeft, maar de gegevens wel gemakkelijk van een derde kan verkrijgen, kan het verzoek worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Als de rechter het verzoek toewijst, bepaalt hij in de beslissing de voorwaarden waaronder, de wijze waarop en de termijn waarbinnen inzage, afschrift of uittreksel van de gegevens wordt verstrekt. De rechter kan bepalen dat binnen een door hem te bepalen termijn een voorschot voor de kosten van het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van de gegevens moet worden voldaan (artikel 195 lid 2 Rv). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof zal beslissen dat UVM de gevorderde informatie moet verstrekken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>UVM heeft in haar memorie van antwoord in het incident meegedeeld zich te zullen refereren aan het oordeel van het hof voor wat betreft het verstrekken van de onderliggende stukken bij de claims die bij UVM zijn gedaan en de correspondentie met de Nederlandse banken (onderdelen 1 en 3). Doordat UVM geen verweer heeft gevoerd tegen deze onderdelen, zal het hof zich beperken tot het ambtshalve onderzoeken van de toewijsbaarheid ervan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat [appellant] voldoende belang heeft bij afschrift van bovengenoemde gegevens, omdat de inhoud van deze gegevens relevant kan zijn voor zijn (rechts)positie in deze hoger beroepsprocedure die gaat over de vraag of [appellant] verzekeringsfraude heeft gepleegd. Bovendien is voldoende bepaald op welke gegevens het verzoek van [appellant] ziet en gaat het om gegevens waarvan UVM in eerste aanleg heeft gesteld dat die betrekking hebben op [appellant] (hoewel [appellant] dat heeft betwist en [appellant] dat juist door middel van afschrift van die gegevens wil onderzoeken). Het hof zal het verzoek voor wat betreft (onderdeel 1) de onderliggende stukken van en voor de claims die bij UVM zijn gedaan en (onderdeel 3) de correspondentie met de Nederlandse banken, daarom toewijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Met betrekking tot onderdeel 2, de gevorderde kopieën van bankafschriften van rekeninghouders/rekeningnummers, heeft UVM aangevoerd dat deze zich niet in haar domein bevinden en daarom niet door haar kunnen worden overgelegd. Het hof acht dit aannemelijk, omdat het de rekeninghouders zelf zijn die beschikken over bankafschriften van hun rekeningen. Het hof zal daarom overeenkomstig het voorstel van UVM beslissen dat UVM - in aanvulling op de informatie die al volgt uit productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg -  schermprints uit haar claimverwerkingssysteem zal overleggen aan [appellant] , waaruit volgt op welke rekeningnummers door UVM is betaald.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">AVG staat niet aan toewijzing in de weg</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>
        [appellant] vordert in deze procedure afschrift van documenten waarin persoonsgegevens van derden voorkomen. Daarop is de AVG<footnote-ref linkend="_89d47bb4-b517-4069-9f20-9ba29aa7aa0d" /> van toepassing en het hof zal daarom moeten toetsen (ook zonder expliciet beroep daarop) of deze verstrekking van persoonsgegevens in overeenstemming is met de basisbeginselen van de AVG, zoals onder meer vastgelegd in de artikelen 5 en 6 AVG.<footnote-ref linkend="_3a8abb8a-b22c-4168-ae99-a2fb802df806" /> [appellant] heeft voldoende onderbouwd dat hij een gerechtvaardigd belang heeft bij het verkrijgen van de gevraagde informatie met de daarin opgenomen persoonsgegevens. Dat belang is - kort gezegd - het vergaren van bewijs in het kader van het door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op daadwerkelijke rechtsbescherming. Het hof is van oordeel dat de verstrekking van de informatie en daarbij horende verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is voor de behartiging van deze gerechtvaardigde belangen van [appellant] en dat die belangen zwaarder wegen dan het recht op privacy van die (eventuele) andere betrokkenen. Daarom staat het bepaalde in de AVG niet aan toewijzing van de gevorderde afschrift in de weg.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Het hof zal de incidentele vordering tot afschrift van verschillende gegevens toewijzen. Het hof zal daaraan voorwaarden verbinden en bepalingen opnemen als hierna in de beslissing vermeld. Doordat UVM heeft meegedeeld zich te zullen refereren aan het oordeel van het hof gaat het hof ervan uit dat UVM ook zonder het verbeuren van een dwangsom zal voldoen aan het bevel tot afschrift van gegevens. Daarom bestaat geen aanleiding een dwangsom aan de veroordeling te verbinden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Het hof houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.   </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>beveelt UVM binnen 14 dagen na betekening van dit arrest, aan [appellant] goed leesbare afschriften te verstrekken van de volgende gegevens:</para>
        <para>i. de 109 (dan wel 103) claims die bij UVM zijn gedaan (dat wil zeggen de onderliggende stukken van en voor die claims);</para>
        <para>ii. schermprints uit het claimverwerkingssysteem van UVM waaruit volgt op welke bankrekeningnummers UVM uitkeringen heeft gedaan in verband met de door UVM gestelde frauduleuze verzekeringsclaims;</para>
        <para>iii. de correspondentie met de volgende vijf Nederlandse banken: ABN AMRO, ING, Bunq, Rabobank en SNS Bank, over de rekeningen waarop UVM uitkeringen heeft gedaan in verband met de door UVM gestelde frauduleuze verzekeringsclaims;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>het hof bepaalt dat het [appellant] niet is toegestaan op enige wijze mededelingen aan derden te doen met betrekking tot het bestaan en/of de inhoud van de door UVM over te leggen stukken en verbiedt [appellant] gebruik te maken van deze stukken buiten het kader van de onderhavige procedure (en eventueel daaraan gelieerde procedures waarin [appellant] procespartij is); </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>verklaart de beslissingen onder 4.1 en 4.2 uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de hoofdzaak in hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. C. Bakker, R. Verkijk en M. Wallart, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_89d47bb4-b517-4069-9f20-9ba29aa7aa0d" label="1">
    <para> Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PB L 119.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a8abb8a-b22c-4168-ae99-a2fb802df806" label="2">
    <para>Vergelijk HvJ EU 2 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:145, overwegingen 48-55.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>