<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2025:8298</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-30T16:06:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/1126 t/m 24/1130</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8298">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8298</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-19T15:17:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:8298 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-12-2025 / 24/1126 t/m 24/1130</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2025:8298:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Bartels, clustergewijze afdoening, HAW I, poort C.</para>
        <para>Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, vanwege de vergoeding immateriële schade en nevenbeslissingen. Toepassing uitgangspunten uit ECLI:NL:GHARL:2025:3894. Het hof kent een proceskostenvergoeding toe, omdat de rechtbank dit voor de gegrond verklaarde verzetsprocedure niet heeft gedaan. </para>
        <para>De door de gemachtigde ingediende hogerberoepsgronden en ‘pinpointbrief’ bevatten geen (voldoende) concrete gronden. De gemachtigde heeft gelegenheid gekregen om concrete hogerberoepsgronden in te brengen. Het hof oordeelt dat de twee binnen de termijn ingediende stukken evenmin voldoende concreet zijn, omdat deze alleen onsamenhangende en in algemene bewoording gestelde gronden bevatten.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2025:8298:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
      <para>nummer(s): BK-ARN 24/1126 t/m 24/1130</para>
      <para>uitspraakdatum: 16 december 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak van de vijfde meervoudige kamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis> te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (de Rechtbank) van 26 april 2024, nummer(s) UTR 21/386, 21/981 t/m 21/984, in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort </emphasis>(hierna: de heffingsambtenaar)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staat der Nederlanden </emphasis>(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) één of meerdere beschikkingen ten name van belanghebbende gegeven en/of één of meerdere belastingaanslagen opgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar beslist op de bezwaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De Rechtbank heeft bij uitspraak van 15 juli 2021 de daartegen ingestelde beroepen (met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank verzet gedaan. De Rechtbank heeft dit verzet bij uitspraak van 6 juli 2022 gegrond verklaard en bepaald dat het onderzoek dient te worden hervat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij uitspraak van 26 april 2024 heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Zij heeft daarnaast een vergoeding voor immateriële schade vastgesteld van € 250. Voor proceskosten heeft zij een vergoeding vastgesteld van € 218,75. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Onderhavig hoger beroep ziet op één of meer zaken in een cluster van zaken (C) waarin de gemachtigde mr. D.A.N. Bartels MRE voor verschillende belanghebbenden optreedt, telkens met (onder meer) de heffingsambtenaar als wederpartij. Op 28 mei 2025 heeft het Hof op een regiezitting met partijen procesafspraken gemaakt voor de behandeling van de zaken die tot het cluster behoren. Van de regiezitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is verzonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Partijen zijn overeenkomstig de procesafspraken in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9.</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft via beeldverbinding plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende en [naam1] namens de heffingsambtenaar. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10.</nr>
      <para>Het Hof heeft in de na de zitting door de gemachtigde ingediende berichten geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Het Hof motiveert deze beslissing hieronder.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Clustergewijze behandeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het onderhavige hoger beroep maakt onderdeel uit van een cluster van zaken. De reden voor clustering van de zaken is dat in deze zaken (nagenoeg) gelijkluidende geschilpunten spelen. Een individuele afdoeningswijze heeft dan geen meerwaarde en leidt bovendien tot vertraging in de afdoening, ook van andere bij het Hof aanhangige zaken. Dit cluster bestaat uit de aanhangige hoger beroepen die zijn ingesteld door de gemachtigde tegen uitspraken van de Rechtbank waarbij de heffingsambtenaren van de gemeenten Hilversum, Wijdemeren en Amersfoort het verwerend bestuursorgaan waren, en die bij het Hof zijn ingekomen vóór <?linebreak?>7 mei 2025. Het cluster omvat – na intrekkingen – 147 zaaknummers, verdeeld over 58 aangevallen uitspraken ten name van 34 belanghebbenden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op de regiezitting van 28 mei 2025 heeft het Hof de behandelwijze en planning van de zaken van het cluster toegelicht. Die behandelwijze houdt in dat de zaken worden verdeeld in zaken (A) met een formeel probleem in de voorfase van het hoger beroep, zaken (B) met een formeel probleem in bezwaar en/of beroep en zaken (C) waarin in hoger beroep het materiële geschilpunt aan de orde is. Daaronder bevinden zich in enkele gevallen de zaken (D) waarin sprake is van incidenteel hoger beroep. In de zaken (B), (C) en (D) spelen daarnaast zaaksoverstijgende geschilpunten over de vergoeding voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht. Het Hof heeft overzichtsbestanden opgemaakt en aan partijen verstrekt. In deze overzichtsbestanden zijn opgenomen de voor de beoordeling van de zaken relevante zaaksgegevens. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld die overzichtsbestanden op juistheid te controleren. Het Hof heeft de gemachtigde in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de in die overzichtsbestanden vermelde formele problemen in de voorfase van het Hof wat betreft de zaken (A) en de formele problemen zoals die door de heffingsambtenaar en/of de Rechtbank zijn geconstateerd in de zaken (B). Het Hof heeft tot slot ter regiezitting als voorlopig oordeel gegeven dat in de zaken (C) de ingediende materiële hogerberoepsgronden te algemeen van aard zijn om te kunnen leiden tot een gegrondverklaring van het hoger beroep. Om die reden is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om de gronden inzake het materiële geschil per zaak dan wel per object voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling op een zitting in een (half) A4 puntsgewijs te concretiseren, waarbij feitelijke stellingen die in geschil zijn moeten worden voorzien van controleerbaar bewijs. De heffingsambtenaar heeft hierop voorafgaand aan de zitting schriftelijk kunnen reageren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het Hof heeft bij brief van 12 juni 2025 deze afspraken, inclusief de met partijen afgestemde termijnen en zittingsdata, bevestigd aan partijen en daarbij een lijst gezonden van de zaken waarop de afspraken betrekking hebben. Bij brief van 21 juli 2025 heeft het Hof overzichtsbestanden gestuurd en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de zaken (A) en (B). Partijen zijn in die brief ook in de gelegenheid gesteld hun zienswijze te geven op de uitspraak van het Hof van 24 juni 2025<footnote-ref linkend="_e9324446-4de4-478e-a9bf-320374edd770" /> over de beslissingen van de Rechtbank over de vergoeding voor immateriële schade en nevenbeslissingen in een vergelijkbaar cluster. Bij brief van 11 september 2025 heeft het Hof partijen een stand van zaken van de procesafspraken gezonden. Bij die brief zijn ook gevoegd de voorwaarden waaronder het Hof partijen toestaat in dit cluster gebruik te maken van e-mail. Bij brief van <?linebreak?>3 oktober 2025 heeft het Hof partijen bevestigd dat het schriftelijk vooronderzoek is afgerond. Bij brief van 10 oktober 2025 heeft het Hof de concept-agenda voor de zitting aan partijen toegezonden, alsmede een rollijst.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Procesdossier compleet? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het Hof heeft partijen overzichtsbestanden verstrekt in de vorm van excelbestanden. Hierin zijn de relevante zaaksgegevens en de analyse van het Hof opgenomen over de redelijke termijn en de nevenbeslissingen op basis van de eerder door het Hof gegeven oordelen. Daarnaast heeft het Hof van de zaken (A) en (B) excelbestanden verstrekt en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld te reageren op de daarin weergegeven geconstateerde verzuimen in hoger beroep, dan wel te reageren op de door de Rechtbank en/of de heffingsambtenaar geconstateerde verzuimen in beroep en/of bezwaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De gemachtigde heeft bij berichten van 12 juni 2025, 9 augustus 2025 en 2 september 2025 het Hof verzocht om uitgeprinte versies van die excelbestanden. Volgens de gemachtigde was hij niet in staat de excelbestanden te lezen, te vergroten of uit te printen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het Hof heeft bij bericht van 11 september 2025 herhaald dat stukken niet op papier worden toegezonden, gelet op de afspraken die zijn gemaakt voor elektronische verzending van stukken. Daarnaast heeft het Hof aangegeven dat van een professionele rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij beschikt over gangbare software, waarmee excelbestanden kunnen worden gelezen. De gemachtigde heeft in geen van zijn berichten aangegeven wat de reden is dat hij de excelbestanden niet kan lezen en op welke manier hij al heeft geprobeerd het probleem op te lossen. Bij controle is het Hof niet gebleken dat de bestanden zijn beschadigd en ook de wederpartij heeft daar niet over geklaagd. Het Hof gaat er daarom vanuit dat er geen sprake is van een technische storing of een andere oorzaak die ligt binnen de invloedssfeer van het Hof. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, moet de conclusie zijn dat het niet goed kunnen lezen van de excelbestanden een oorzaak heeft die uitsluitend is gelegen in de invloedssfeer van de gemachtigde. Niet gebleken is dat de gemachtigde het probleem niet op eenvoudige wijze heeft kunnen oplossen. Naar het oordeel van het Hof bestaat dan ook geen aanleiding om te betwijfelen dat de gemachtigde in staat is geweest kennis te nemen van de inhoud van de excelbestanden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Correcte uitnodiging voor de zitting?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Gemachtigde heeft vóór en tijdens de zitting gesteld dat hij niet overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is uitgenodigd voor de zitting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Het Hof heeft in overleg met partijen ter regiezitting twee zittingsdata met partijen afgestemd en heeft deze data, alsmede de samenstelling van de zetel, bevestigd in de brief van 12 juni 2025. De op die zittingen te behandelen zaken zijn daarbij, onder vermelding van alle relevante zaaksgegevens, in de vorm van excelbestanden met partijen gedeeld. In de brief van 11 september 2025 is de zitting nogmaals bevestigd, onder vermelding van plaats en tijd (artikel 8:56 van de Awb). Deze brief is, gelet op de met partijen gemaakte afspraken daarover, per e-mail aan de gemachtigde verzonden, waarmee is voldaan aan artikel 8:37, eerste lid, ad finem, van de Awb. Tot slot mag uit de verschillende berichten over de zitting voorafgaand aan de zitting alsmede uit het verschijnen ter zitting – die op verzoek van gemachtigde via beeldverbinding heeft plaatsgehad – worden afgeleid dat de uitnodiging de gemachtigde daadwerkelijk en tijdig heeft bereikt. Belanghebbende is dan ook op regelmatige wijze uitgenodigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aanhouden onderzoek vanwege versnipperde dossiers?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>In het bericht van de gemachtigde van 23 oktober 2025 stelt hij dat zijn schoonmaker abusievelijk een grote hoeveelheid dossiers heeft weggegooid van zaken die geagendeerd stonden voor de zitting van 30 oktober 2025. De gemachtigde heeft verzocht om een kopie van die dossiers van het Hof, inclusief de rechtbankdossiers. Het Hof begrijpt de opmerkingen dienaangaande als een verzoek om het onderzoek in deze zaken aan te houden, totdat het Hof kopieën heeft verstrekt. Het Hof wijst dit verzoek af. Van een professioneel rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij zijn dossiers zorgvuldig bewaart en bijhoudt. Daarvan is in dit geval kennelijk geen sprake geweest en het beweerdelijke teloorgaan van de dossiers zo kort voor de zitting valt dan ook binnen de risicosfeer van de gemachtigde. Dat heeft de gemachtigde ter zitting ook erkend. Omdat in de dossiers van dit cluster de communicatie elektronisch is geschied en in de door het Hof verstrekte excelbestanden alle relevante gegevens van de zaak en de procedure zijn vermeld is ook niet aannemelijk dat de gemachtigde is gehinderd in zijn werkzaamheden. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat het vooronderzoek van dit cluster op 3 oktober 2025 is afgerond. Ter zitting is voorts niet gesteld of gebleken dat de gemachtigde is gehinderd in zijn werkzaamheden; de gemachtigde heeft telkens op vragen van het Hof kunnen reageren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heropening onderzoek ter zitting vanwege storing in de beeldverbinding?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Op verzoek van de gemachtigde heeft de zitting via beeldverbinding plaatsgevonden. Gemachtigde heeft direct na het sluiten van het onderzoek ter zitting per gewone post een brief aan het Hof gezonden waarin hij stelt dat tijdens de zitting sprake was van één of meer storingen aan de kant van het Hof waardoor de digitale verbinding van uitermate slechte kwaliteit was. Volgens gemachtigde heeft hij daardoor herhaaldelijk hele stukken van de discussie niet kunnen horen en tal van aan hem gestelde vragen in het geheel niet gehoord. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Het Hof heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting te heropenen. Aan het begin van de zitting is bij partijen gecontroleerd of de beeldverbinding goed werkte, hetgeen het geval was. Tijdens de zitting bleef het beeld van de gemachtigde enkele keren stilstaan en op die momenten viel ook het geluid weg, maar dat duurde in alle gevallen slechts kort, waarna het geluid versneld werd afgespeeld, totdat het beeld weer "bij" was met het geluid. Hierdoor is de gemachtigde steeds aaneengesloten hoorbaar geweest zonder dat delen van hetgeen is gezegd zijn weggevallen. Op geen van de momenten dat het Hof of de heffingsambtenaar aan het woord was, is opgevallen dat het beeld van de gemachtigde stil stond. De gemachtigde heeft tijdens de zitting weliswaar een aantal keer aangegeven dat hij een vraag niet had gehoord, maar heeft daarbij niet aangegeven dat dat het gevolg was van een technische storing. Ook de heffingsambtenaar heeft geen enkele keer, ook niet op de momenten waarop de gemachtigde zei dat hij de vraag niet had gehoord, aangegeven dat er sprake was van een storing in de verbinding aan de kant van het Hof waardoor het geluid niet hoorbaar was. Gelet hierop, is het Hof van oordeel dat geen sprake is geweest van zodanig technische storingen dat de zitting niet goed is verlopen. Wanneer de gemachtigde aangaf een vraag niet te hebben gehoord, of wanneer dat duidelijk werd omdat de gemachtigde geen antwoord gaf op een vraag, heeft het Hof de vraag (zo nodig enkele malen) herhaald tot de gemachtigde deze had gehoord en vervolgens had gereageerd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling van het geschil over de waarde en/of belastingaanslagen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>In geschil is of de waardebeschikking(en) en/of de belastingaanslagen juist zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>De onderhavige zaken staan niet op zichzelf en ook het cluster waarin deze zaken worden behandeld staat niet op zichzelf. Het Hof heeft eerder al geconstateerd dat de gemachtigde niet procedeert zoals van een professioneel rechtsbijstandverlener mag worden verwacht.<footnote-ref linkend="_015f796d-0431-4751-8aa3-27d7ae013a68" /> Met name mag van een dergelijke rechtsbijstandverlener, die al jarenlang een omvangrijke zaakstroom genereert, worden verlangd dat hij voldoende concrete en feitelijk onderbouwde gronden aanvoert op basis waarvan de waardebeschikking en/of een belastingaanslag door de rechter kan worden beoordeeld op juistheid en waartegen de wederpartij zich op effectieve wijze kan verweren. De werkwijze van de gemachtigde bestaat evenwel uit het in iedere zaak indienen van nagenoeg gelijkluidende (hoger)beroepsgronden, die bestaan uit onsamenhangende en algemene stellingen die niet concreet zijn toegesneden op de feiten en omstandigheden van een zaak. Dit leidt tot een overbelasting bij de betrokken rechterlijke instanties en bestuursorganen, waardoor de gewone rechtsgang dreigt te ontsporen. In het belang van een efficiënte en effectieve rechtspleging heeft het Hof daarom een andere wijze van behandeling gekozen. Zoals hierboven al overwogen (zie 2.2) komt die behandeling erop neer dat de eerder in een zaak ingediende hogerberoepsgronden, inclusief eventuele aanvullingen in zogenoemde pinpointbrieven, worden aangemerkt als onvoldoende om te kunnen leiden tot een gegrond hoger beroep ten aanzien van het materiële geschilpunt. De gemachtigde heeft vervolgens gelegenheid gekregen om binnen een nader gestelde termijn de materiële hogerberoepsgronden alsnog schriftelijk te concretiseren. De heffingsambtenaar heeft vervolgens de gelegenheid gekregen daarop schriftelijk te reageren. Op deze wijze hebben de cliënten van de gemachtigde daadwerkelijk de kans om de aangevallen waardebeschikkingen en belastingaanslagen in rechte te laten toetsen terwijl het verdedigingsbelang van de heffingsambtenaar alsmede een voortvarende berechting van het geschil is gewaarborgd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Het Hof is van oordeel dat de gemachtigde van de geboden gelegenheid om concrete en op de te beoordelen zaak toegesneden gronden in te dienen geen gebruik heeft gemaakt. Weliswaar heeft de gemachtigde op 23 en 24 september 2025, en daarmee binnen de gestelde termijn, nadere stukken ingediend, maar de daarin aangevoerde gronden zijn wederom in onsamenhangende en algemene bewoordingen gesteld en niet specifiek toegesneden op het voorliggende hoger beroep dan wel het/de te waarderen object(en). Ook de daarbij gevoegde stukken zijn niet concreet te herleiden tot de gronden, een zaak of object. Het Hof concludeert daarom dat belanghebbende geen concrete materiële gronden heeft aangevoerd die betrekking hebben op de onderhavige waardebeschikkingen en/of de belastingaanslagen. Het hoger beroep kan daarom in zoverre niet slagen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling van het geschil over de vergoeding van immateriële schade en/of nevenbeslissingen in beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat de Rechtbank in eerste aanleg onjuiste bedragen aan proceskosten, griffierecht en vergoeding van immateriële schade heeft vergoed. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade is in het bijzonder in geschil of de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat als gevolg van zijn algemene procesgedrag in alle zaken waarin de gemachtigde optreedt de redelijke termijn generiek dient te worden verlengd van twee naar drie jaar, zoals de heffingsambtenaar stelt. Subsidiair stelt de heffingsambtenaar dat het algemene procesgedrag ook in individuele procedures heeft geleid tot aan de belanghebbende toe te rekenenen vertraging, maar dat hij niet beschikt over alle stukken, waardoor hij zijn stelling niet kan onderbouwen. Dat ligt in deze procedure daarom op de weg van het Hof. Volgens de heffingsambtenaar moet het hoger beroep daarom ongegrond worden verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Het Hof verklaart het hoger beroep met betrekking tot de beslissing over de vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn gegrond. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het Hof naar de uitspraak van 24 juni 2025.<footnote-ref linkend="_c3465a98-0d12-4336-bcfc-8c5bf712dda2" /> De hiertegen door de heffingsambtenaar aangevoerde stellingen komen in de kern grotendeels overeen met die welke het Hof in die uitspraak heeft beoordeeld. Het Hof ziet geen aanleiding om in de individuele zaken alsnog het procesdossier van de Rechtbank te onderzoeken om te beoordelen of daarin feiten en omstandigheden kunnen worden gevonden die aanleiding geven de redelijke termijn in een individuele zaak te verlengen. De Rechtbank heeft daar zelf geen aanleiding voor gezien en de heffingsambtenaar heeft niet concreet aangegeven op grond waarvan het vermoeden is gerechtvaardigd dat zich dergelijke feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Het Hof heeft in deze procedure vastgesteld dat in eerste aanleg de redelijke termijn van twee jaar is overschreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>Wat de hoogte van de vergoeding van de proceskosten in beroep betreft, is het Hof van oordeel dat, in het geval het beroep ongegrond wordt verklaard en een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, de procesvergoeding moet worden vastgesteld op basis van één punt voor het verzoekschrift, tegen een factor 0,25 wegens het gewicht van de zaak.<footnote-ref linkend="_b89f0215-5ec6-407c-9664-552e4157c4fa" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>Daarnaast had in dit geval in aanvulling hierop een proceskostenvergoeding moeten worden toegekend vanwege de gegrondverklaring van het verzet (zie 1.4.). Het Hof stelt deze vergoeding vast op € 226,75 (1 punt (verzetschrift en verschijnen ter verzetzitting) x € 907 x 0,25), welk bedrag geheel ten laste van de heffingsambtenaar komt.<footnote-ref linkend="_0f7e8cad-f52f-4f27-8caa-6fd47f3bce94" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>Wat de vergoeding van het griffierecht betreft in het geval het beroep ongegrond wordt verklaard en een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, moet geen griffierecht worden vergoed, tenzij in dat geval op 31 mei 2024 reeds een verzoek om vergoeding van immateriële schade was gedaan en de redelijke termijn van berechting al was overschreden.<footnote-ref linkend="_1c2c4344-1bc6-4c3a-b695-a445da80048b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21.</nr>
      <para>Deze oordelen leiden in dit hoger beroep tot de volgende conclusies over de vergoeding van immateriële schade, de proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht in beroep (waarbij het Hof rekening houdt met een eventuele verdeling tussen de heffingsambtenaar en de Staat):</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Datum ontvangst bezwaar</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Datum uitspraak op bezwaar</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Datum uitspraak Rechtbank</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>2 april 2020</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>11 december 2020</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>26 april 2024</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>Totaal </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Heffingsambtenaar</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Staat</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Overschrijding redelijke termijn</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>25 maanden</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>2 maanden</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>23 maanden</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Vergoeding immateriële schade</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 2.500,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€  200,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 2.300,00</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Proceskostenvergoeding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€  453,50</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€  340,12</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€    113,38</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Rechtbank heeft in de uitspraak op het verzet vastgesteld dat het betaalde griffierecht is teruggestort naar aanleiding van belanghebbendes’ beroep op betalingsonmacht. Het Hof begrijpt uit het dictum van de uitspraak van de Rechtbank dat het griffierecht daarna niet wederom is betaald, zodat geen aanleiding bestaat om het griffierecht te laten vergoeden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Redelijke termijn in hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft voor de hogerberoepsfase ook verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het hogerberoepschrift is op 13 mei 2024 door het Hof ontvangen en het Hof doet heden uitspraak, zodat er geen sprake is van een overschrijding van de voor de hogerberoepsfase geldende redelijke termijn van twee jaar. Het Hof wijst belanghebbendes verzoek af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht en proceskosten in hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.23.</nr>
      <para>Omdat het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,00 aan belanghebbende te worden vergoed. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.24.</nr>
      <para>Het Hof ziet in de clustergewijze afdoening van de zaken aanleiding om voor de hoogte van de proceskostenvergoeding toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De clustergewijze afdoening is een bijzondere omstandigheid omdat daarmee de in een zeer groot aantal zaken gelijkluidende geschilpunten in één keer zijn behandeld. Deze zaken kenmerken zich door het sterk repetitieve karakter van de proceshandelingen die inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend zijn. Als gevolg hiervan gaat een groot aantal hoger beroepen gegrond. Indien in al die gevallen een forfaitaire proceskostenvergoeding zou worden toegekend, zou die vergoeding ver uitstijgen boven de daadwerkelijk gemaakte kosten waardoor afbreuk zou worden gedaan aan het karakter van de proceskostenvergoeding van het Bpb die als een tegemoetkoming in de kosten is bedoeld. Het Hof stelt de proceskostenvergoeding in hoger beroep vast op € 100.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.25.</nr>
      <para>De voor het hoger beroep te vergoeden proceskosten en griffierecht komen voor rekening van de heffingsambtenaar en de Staat, ieder voor de helft. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de (ontbrekende) beslissingen omtrent de vergoeding voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de heffingsambtenaar respectievelijk de Staat tot vergoeding van de in de onderstaande tabel weergegeven bedragen voor zover die verplichting niet reeds voortvloeit uit de in stand gelaten nevenbeslissing van de Rechtbank over de proceskosten in beroep,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep af, en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat wettelijke rente is verschuldigd door de heffingsambtenaar respectievelijk de Staat vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van het Hof tot aan de dag van algehele voldoening.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="4">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <colspec colname="colD" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Vergoeding</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>Totaal </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>Heffingsambtenaar</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>Staat</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Immateriële schade</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€ 2.500,00</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€  200,00</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€ 2.300,00</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Proceskosten beroep</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€  453,50</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€  340,12</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€    113,38</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Proceskosten hoger beroep</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€  100,00</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€   50,00</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€   50,00</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Griffierecht hoger beroep</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€  559,00</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€  279,50</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>€  279,50</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(J. Hollander)	(J.M.W. van de Sande)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>.</para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>).</para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. de dagtekening;</para>
      <para>	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para> 	d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e9324446-4de4-478e-a9bf-320374edd770" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2025:3894.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_015f796d-0431-4751-8aa3-27d7ae013a68" label="2">
    <para> Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3465a98-0d12-4336-bcfc-8c5bf712dda2" label="3">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2025:3894.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b89f0215-5ec6-407c-9664-552e4157c4fa" label="4">
    <para> Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, en ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f7e8cad-f52f-4f27-8caa-6fd47f3bce94" label="5">
    <para> Hoge Raad 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3600, r.o. 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c2c4344-1bc6-4c3a-b695-a445da80048b" label="6">
    <para> Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>