<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2025:7304</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-13T08:00:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.355.624/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7304">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7304</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-07T12:19:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:7304 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 20-11-2025 / 200.355.624/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2025:7304:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep tegen afwijzing verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing. Rechtsmiddelenverbod. Als een rechtsmiddelenverbod geldt, kan toch hoger beroep worden toegelaten, onder meer als erover wordt geklaagd dat de rechter bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. De vader is wel ontvankelijk, maar het hof verwerpt het hoger beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2025:7304:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN		</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.355.624</para>
      <para>zaaknummer rechtbank Gelderland 448440</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 20 november 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] (de vader)</emphasis>
      </para>
      <para>die woont in [woonplaats1] ,</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep</para>
      <para>advocaat: mr. R.W. de Gruijl</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de gecertificeerde instelling</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster] (de GI)</emphasis>
      </para>
      <para>die is gevestigd in [woonplaats2]</para>
      <para>verweerster in hoger beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende is:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende1] (de moeder)</emphasis>
      </para>
      <para>die woont in [woonplaats1]</para>
      <para>advocaat: mr. M.M.E. Rietjens</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Samenvatting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft het verzoek van de vader om de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren afgewezen. Het hof vindt dat dat zo moet blijven en legt hierna uit waarom. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De vader en de moeder zijn de ouders van:</para>
      <para>- [de minderjarige1] , geboren [in] 2015,</para>
      <para>- [de minderjarige2] , geboren [in] 2017,</para>
      <para>- [de minderjarige3] , geboren [in] 2019 en</para>
      <para>- [de minderjarige4] , geboren op [in] 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De vader en de moeder hebben samen het gezag over de kinderen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Bij beschikking van 28 november 2023 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland de kinderen voor het eerst onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 29 februari 2024 heeft de kinderrechter voor het eerst een machtiging tot uithuisplaatsing voor de kinderen verleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De ondertoezichtstelling is voor het laatst bij beschikking van 27 november 2024 verlengd tot 28 november 2025. In diezelfde beschikking heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een gezinsgerichte voorziening en van [de minderjarige1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling verlengd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Bij beschikking van 4 juli 2024 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, als minimum zorgregeling tussen de moeder, de vader en de minderjarigen vastgesteld dat de ene week de moeder [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] ziet voor de duur van anderhalf uur fysiek, begeleid op een kindvriendelijke locatie en de vader een halfuur met hen zal bellen en de vader [de minderjarige1] ziet voor de duur van anderhalf uur fysiek, begeleid op een kindvriendelijke locatie en de moeder een half uur met hem zal bellen, en zo wekelijks om en om.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>In de beschikking van 14 november 2024 heeft de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en bepaald dat de kinderen om de week een uur met moeder en aansluitend een uur met vader fysieke omgang hebben.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>De vader en de moeder zijn allebei in hoger beroep gekomen tegen de machtiging tot uithuisplaatsing en de zorgregeling. Naar aanleiding hiervan heeft het hof in de tussenbeschikking van 11 maart 2025 de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing aangehouden en een voorlopige zorgregeling vastgesteld. De verdere beslissingen hierover staan in de beschikking met zaaknummers 200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799 en 200.349.272. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De procedure bij de kinderrechter </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>De GI heeft de vader de volgende schriftelijke aanwijzing gegeven:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Uw medewerking aan onderzoeken teneinde het traject tot thuisplaatsing te onderzoeken.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De vader heeft de kinderrechter verzocht om de SA vervallen te verklaren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De kinderrechter heeft dat verzoek afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 15 mei 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking). </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De procedure bij het hof</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de schriftelijke aanwijzing alsnog vervallen te verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het hof heeft de volgende stukken ontvangen </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het beroepschrift</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een brief van 3 oktober 2025 van de GI met producties </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een brief van 6 oktober 2025 van mr. Rietjens met producties </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een bericht van 15 oktober 2025 van mr. Rietjens met een productie.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling was op 16 oktober 2025. Deze vond tegelijkertijd plaats met de mondelinge behandeling in de zaak met de nummers 200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799, 200.349.272 en 200.357.535. Hierbij waren aanwezig:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de vader, bijgestaan door zijn advocaat</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>twee vertegenwoordigers van de GI</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de moeder, bijgestaan door haar advocaat</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad). </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het oordeel van het hof</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat staat in de wet?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De GI kan aan de ouder die met het gezag is belast schriftelijke aanwijzingen geven over de opvoeding en verzorging van het kind.<footnote-ref linkend="_43657ae8-e466-4ed1-a876-70593bc0eb66" /> Op verzoek van deze ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.<footnote-ref linkend="_c1559a93-2e18-4379-b40d-7c60b8bec938" /> Tegen een beschikking over de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing staat geen hoger beroep open, maar alleen cassatie in het belang van de wet (het rechtsmiddelenverbod).<footnote-ref linkend="_8fa0b2ea-4a6a-4581-bf2d-869bb437e53b" /> Als een rechtsmiddelenverbod geldt, kan toch hoger beroep worden toegelaten, onder meer als erover wordt geklaagd dat de rechter bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.<footnote-ref linkend="_bfb8ada8-386c-45bc-919a-3ecd494875ef" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van het hof </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>De vader stelt in zijn beroepschrift twee gronden voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 807 Rv. Daarom is hij ontvankelijk in zijn hoger beroep. Maar naar het oordeel van het hof is geen sprake van één van de door hem gestelde doorbrekingsgronden. De vader doet een beroep op artikel 6 en 8 EVRM. Hij stelt dat artikel 807 Rv hem onvoldoende rechtsbescherming biedt. In artikel 6 EVRM staat dat een ieder recht heeft op een eerlijk proces, maar hieruit volgt niet dat een ieder het recht heeft om het geschil altijd aan rechters in twee instanties (in dit geval eerst aan de rechtbank en daarna aan het hof) voor te leggen. De beperking van het hoger beroep, zoals die staat in artikel 807 Rv, is geen schending van het recht op een eerlijk proces. Ook het beroep van de vader op artikel 8 EVRM kan de vader niet baten. De vader heeft in zijn beroepschrift uitgelegd waarom hij het inhoudelijk niet eens is met de schriftelijke aanwijzing, maar dat betekent niet dat zijn recht op respect voor zijn ‘family life’ is geschonden.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Hieruit volgt dat de vader zich niet met succes op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 807 Rv kan beroepen, zodat het hoger beroep van de vader moet worden verworpen. Het hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verwerpt het hoger beroep van de vader. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_43657ae8-e466-4ed1-a876-70593bc0eb66" label="1">
    <para> artikel 1:263 van het Burgerlijk Wetboek (BW)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c1559a93-2e18-4379-b40d-7c60b8bec938" label="2">
    <para> artikel 1:264 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fa0b2ea-4a6a-4581-bf2d-869bb437e53b" label="3">
    <para> artikel 807 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bfb8ada8-386c-45bc-919a-3ecd494875ef" label="4">
    <para>Nauta, in: <emphasis role="italic">T&amp;C Rv</emphasis>, art. 807 Rv, aant. 2</para>
    <para>Hoge Raad 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989 (https://www.inview.nl/document/id1576198503296694admusp), NJ 1986/242 (https://www.inview.nl/document/id1576198503296694nj1986242dosred)</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>