<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2025:6925</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-16T16:10:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.337.912/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:6925">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:6925</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-16T16:09:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:6925 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 04-11-2025 / 200.337.912/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2025:6925:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Effectenlease. Dexia. Contractsovername (artikel 6:159 BW). Eindarrest: Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2026:839</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2025:6925:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN 	</bridgehead>
    <para>locatie Leeuwarden, afdeling civiel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.337.912</para>
      <para>zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, 10002614</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 4 november 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Dexia Nederland B.V.</emphasis>
      </para>
      <para>die is gevestigd in Amsterdam</para>
      <para>die hoger beroep heeft ingesteld</para>
      <para>en bij de kantonrechter optrad als eisende partij</para>
      <para>hierna: Dexia</para>
      <para>advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïtimeerde]
        </emphasis>
      </para>
      <para>die woont in [woonplaats]</para>
      <para>en bij de kantonrechter optrad als gedaagde partij</para>
      <para>hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer</para>
      <para>advocaat: mr. J.B. Maliepaard</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Dexia heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, (hierna: de kantonrechter) op 9 november 2023 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het bestreden vonnis). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding in hoger beroep </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van grieven</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte uitlaten producties van Dexia.<footnote-ref linkend="_ce01d625-5eff-4454-bea5-dc92a357d8bc" /></para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Deze zaak gaat over één effectenleaseovereenkomst (hierna: de effectenleaseovereenkomst) die via een tussenpersoon (Spaarkrediet Centrale, hierna: de tussenpersoon) tot stand is gekomen tussen Dexia en de afnemer. Centraal staat de vraag of de afnemer door de tussenpersoon is geadviseerd terwijl deze niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte en of Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Indien dat het geval is, is Dexia gehouden de door de afnemer geleden schade volledig te vergoeden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Dexia heeft gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de effectenleaseovereenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd, alsmede een veroordeling van de afnemer in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft overwogen dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en de schade van de afnemer geheel voor Dexia’s rekening komt, heeft voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan de afnemer verschuldigd is nadat is overgegaan tot uitbetaling van de in het vonnis omschreven schadevergoeding en heeft de vorderingen van Dexia voor het overige afgewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van Dexia opnieuw.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van Dexia en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans afwijzing van Dexia’s vorderingen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het oordeel van het hof</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De effectenleaseovereenkomst is oorspronkelijk gesloten tussen de toenmalige partner van de afnemer, [naam] , en Bank Labouchere (rechtsvoorganger van Dexia). Bij de beëindiging van de relatie tussen de afnemer en [naam] hebben de afnemer en [naam] aan Bank Labouchere verzocht ermee in te stemmen dat de effectenleaseovereenkomst door de afnemer werd overgenomen. Bank Labouchere heeft daarmee ingestemd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Dexia heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van contractsovername (artikel 6:159 BW) en dat de vordering tot schadevergoeding die in deze procedure aan de orde is, geen onderdeel uitmaakt van de contractsovername. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De grief slaagt. Het recht op schadevergoeding wegens schending van een precontractuele zorgplicht volgt niet uit de overeenkomst zelf, maar is gebaseerd op onrechtmatige daad. Een onrechtmatige daad schept een verbintenis tot schadevergoeding. Een dergelijke verbintenis maakt in beginsel geen deel uit van de rechtsverhouding die door de overeenkomst tussen partijen is ontstaan en die op grond van artikel 6:159 BW wordt overgedragen. Een recht op schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad is ook niet een nevenrecht als bedoelding artikel 6:142 BW.<footnote-ref linkend="_7c0c9ebb-2f78-4ce1-b8af-d50cd1a5e702" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Er bestaan in dit geval naar het oordeel van het hof geen omstandigheden die meebrengen of rechtvaardigen dat een recht van [naam] op schadevergoeding uit onrechtmatige daad als hier aan de orde, wel is overgaan op de overnemende partij (de afnemer). Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het onrechtmatig handelen vooral of alleen betrekking heeft op de precontractuele fase en op de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. Verder neemt het hof in aanmerking dat niet blijkt dat bij de contractsovername tussen partijen meer aan de orde is geweest dan, kort gezegd, een wijziging van de tenaamstelling van de overeenkomst. Uitoefening van een recht op schadevergoeding tast de overeenkomst niet aan en het recht op schadevergoeding is ook niet zodanig verbonden met de overeenkomst dat het zonder de overeenkomst geen betekenis meer heeft (of minder betekenis heeft). Daar komt bij dat de schade wegens het bedoelde onrechtmatig handelen niet (alleen) zal bestaan uit hetgeen in het kader van de overeenkomst is betaald. Het is ook niet vanzelfsprekend dat de schade zich verplaatst naar de partij die de overeenkomst heeft overgenomen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van de kantonrechter niet in stand kan blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De afnemer heeft in hoger beroep daarnaast aangevoerd dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door (onder meer) in de contacten voorafgaand aan het aangaan van de effectenleaseovereenkomst met [naam] , bij welke contacten de afnemer aanwezig was, en later bij de overname van het contract door de afnemer eind 2000, niet te waarschuwen voor de restschuldrisico’s die kleven aan de effectenleaseovereenkomst (zie memorie van antwoord, onder nrs. 8 t/m 13). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Dexia heeft nog niet kunnen reageren op deze stelling die de afnemer in hoger beroep (mede) ten grondslag legt aan het gestelde onrechtmatig handelen. Dexia zal daartoe alsnog bij akte in de gelegenheid worden gesteld. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 18 november 2025 voor akte aan de zijde van Dexia als bedoeld in rov. 3.7;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_ce01d625-5eff-4454-bea5-dc92a357d8bc" label="1">
    <para> Voor zover Dexia en/of de afnemer in hoger beroep bij de memorie als productie een memorandum of een reactie daarop hebben overgelegd (al dan niet door deponering bij de griffie), stelt het hof vast dat deze producties geen bewijsstuk of productie zijn in de zin van artikel 1.2 aanhef en onder c van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR), maar uitgebreide processtukken, met een uitvoerige toelichting op de standpunten, al dan niet onder verwijzing naar verdere bijlagen die bij deze producties zijn gevoegd. Voor het indienen van dergelijke processtukken, naast de memorie die de argumenten van Dexia en/of de afnemer bevat, bestaat geen ruimte. Bovendien is de maximumomvang van een memorie volgens het LPR 25 pagina’s. Overschrijding van die omvang – zoals door dit memorandum en de reactie daarop het geval is – vereist voorafgaande toestemming van het hof, die niet is gevraagd en dus ook niet is verleend. Een procespartij dient zijn bezwaren tegen de uitspraak in beginsel in zijn memorie gepreciseerd en gemotiveerd uiteen te zetten, niet door verwijzing naar een ander stuk. Op zo’n memorandum en de reactie daarop wordt daarom geen acht geslagen. Een en ander geldt niet of niet zonder meer voor de bij een memorandum overgelegde producties. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7324, rov. 2.2 en Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7752, rov. 1.2. Een eventueel bij de kantonrechter overgelegd en toegelaten memorandum en een reactie daarop behoren tot het procesdossier en zijn in de beoordeling betrokken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c0c9ebb-2f78-4ce1-b8af-d50cd1a5e702" label="2">
    <para> HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3370</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>