<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2025:6920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-11T15:57:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.346.359/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:6920">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:6920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-11T15:56:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:6920 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-10-2025 / 200.346.359/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2025:6920:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot aanvulling van een arrest ex art. 32 Rv. Vervolg van ECLI:NL:GHARL:2025:5693. Het hof verklaart verzoekers niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2025:6920:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden, afdeling civiel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.346.359/01</para>
      <para>zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 547553</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van 28 oktober 2025 op een verzoek ex artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap naar het recht van Gibraltar<emphasis role="bold">, </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Aransil Limited</emphasis>,</para>
      <para>die is gevestigd in Gibraltar,</para>
      <para>die hoger beroep heeft ingesteld,</para>
      <para>en bij de rechtbank optrad als eiseres,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">Aransil</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. T. Nijenhuis te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [geïntimeerde1] ,</title>
    <para>die woont in [woonplaats1] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [geïntimeerde2]</emphasis>,</para>
    <para>die woont in [woonplaats2] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3. [geïntimeerde3]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>die woont in [woonplaats3] ,</para>
      <para>en bij de rechtbank optraden als gedaagden,</para>
      <para>hierna samen: <emphasis role="bold">[geïntimerden]</emphasis> en ieder afzonderlijk <emphasis role="bold">[geïntimeerde1]</emphasis>, <emphasis role="bold">[geïntimeerde2]</emphasis> en <emphasis role="bold">[geïntimeerde3]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. L.H.K. Peereboom-Bogers te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het hof heeft in deze zaak op 16 september 2025 een eindarrest gewezen (hierna: het arrest). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 24 september 2025 van hun advocaat hebben [geïntimerden] verzocht het arrest te verbeteren op de voet van artikel 32 Rv. Bij brief van haar advocaat van </para>
        <para>25 september 2025 heeft Aransil zich primair op het standpunt gesteld dat [geïntimerden] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzoek omdat zij geen vorderingen hebben ingesteld en daarom als “wederpartij” geen verzoek op de voet van artikel 32 Rv kunnen doen. Ingeval het hof haar daarin niet volgt, verzoekt zij om zich nader inhoudelijk over het verzoek te mogen uitlaten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In het dictum van het arrest heeft het hof [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Aransil van € 40.000 en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hoofdelijk tot betaling van € 52.500, steeds met wettelijke rente.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        [geïntimerden] verzoeken het hof “het dictum van het arrest aan te passen in de zin dat de toegewezen vorderingen van Aransil in het arrest door middel van verrekening teniet zijn gegaan”. [geïntimerden] wijzen er ter onderbouwing op dat zij een beroep op verrekening hebben gedaan dat mee zou brengen dat een eventuele schadevergoeding die aan Aransil verschuldigd zou zijn in mindering moet worden gebracht op loonvorderingen die [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] op Facevalue zouden hebben.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het hof oordeelt als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 32 Rv houdt in dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van </para>
        <para>10 mei 2019 geoordeeld dat deze bepaling uitsluitend ten dienste staat van de partij die de vordering heeft ingesteld of het verzoek heeft gedaan waarop de rechter deels niet heeft beslist, en dat artikel 32 lid 1 Rv niet is geschreven voor de wederpartij. Die wederpartij kan op die voet dus geen verzoek om aanvulling doen.<footnote-ref linkend="_2bafc17c-3715-4dd8-81db-45fa027a8d01" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat [geïntimerden] aan te merken zijn als wederpartij(en) in de zin van artikel 32 Rv en daarom geen zodanig verzoek kunnen doen. Onderwerp van de beoordeling in hoger beroep waren immers de vorderingen van Aransil op [geïntimerden] Aangenomen dat [geïntimerden] inderdaad een beroep op verrekening hebben gedaan zoals in hun verzoek ex artikel 32 Rv bedoeld, dan geldt dat dat geen vordering of verzoek is in de zin van bedoelde bepaling. Daarmee is niet voldaan aan de ontvankelijkheidseis zoals de Hoge Raad die in zijn beschikking van 10 mei 2019 heeft beschreven. Het hof zal [geïntimerden] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [geïntimerden] niet-ontvankelijk in hun verzoek op de voet van artikel 32 Rv.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door M.A.M. Essed, M.W. Zandbergen, en H.H.B. Vedder, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>28 oktober 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2bafc17c-3715-4dd8-81db-45fa027a8d01" label="1">
    <para> Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:699, NJ 2020/397 m.nt. Van Mierlo, rov. 3.3.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>