<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2025:6615</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T10:03:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.341.563/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RCR 2026/7</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:6615">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:6615</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-10T15:24:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:6615 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-07-2025 / 200.341.563/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2025:6615:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verkopers van een gebouw (een voormalig conferentieoord) vorderen dat het koper (een woonvereniging) verboden wordt het gebouw te splitsen in appartementen.</para>
        <para>Het hof wijst de vordering af. Hoewel partijen wel zijn overeengekomen dat het gebouw niet mag worden gesplitst, is het beroep van verkopers op deze afspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2025:6615:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden, afdeling civiel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.341.563/01</para>
      <para>zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 143642</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 22 juli 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellante] ,</title>
    <parablock>
      <para>die woont in [woonplaats] ,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [appellant]</emphasis>,</para>
      <para>die woont in [woonplaats] ,</para>
      <para>die hoger beroep hebben ingesteld,</para>
      <para>en bij de rechtbank optraden als eisers,</para>
      <para>hierna samen: <emphasis role="bold">[appellanten]</emphasis> en ieder afzonderlijk <emphasis role="bold">[appellante]</emphasis> en <emphasis role="bold">[appellant]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. E. Bongers in Haarlem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>die is gevestigd in [adres2] ,<?linebreak?>die zelf ook beroep heeft ingesteld,</para>
      <para>en bij de rechtbank optrad als gedaagde,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. R.J. Roks in Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure bij het hof</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, op 7 februari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:</para>
      <para>• de dagvaarding in hoger beroep</para>
      <para>• de memorie van grieven (met producties)</para>
      <para>• de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel (met producties)</para>
      <para>• de memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties)</para>
      <para>• de akte houdende overlegging producties van [geïntimeerde]</para>
      <para>• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 juni 2025 is gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [appellanten] hebben een gebouw met bijbehorende (bos)tuin - een voormalig conferentieoord in [plaats] - aan (de oprichters van) [geïntimeerde] verkocht. Het gebouw wordt nu bewoond door de drie gezinnen van de oprichters en leden van [geïntimeerde] . [appellanten] wonen in de naastgelegen woning. Zij willen dat het [geïntimeerde] wordt verboden om het gebouw te splitsen in appartementen.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        [appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd dat het [geïntimeerde] wordt verboden om het gebouw te splitsen in appartementsrechten en dat het [geïntimeerde] ook niet wordt toegestaan om het gebouw aan derden te verkopen zonder bij de verkoop (versterkt met een kettingbeding) te bedingen dat het de koper niet is toegestaan om het gebouw met meerdere huishoudens te gaan bewonen en/of het gebouw aan meerdere huishoudens te verhuren of ter beschikking te stellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Volgens de rechtbank mochten [appellanten] er bij het sluiten van de koopovereenkomst weliswaar op vertrouwen dat [geïntimeerde] het gebouw niet zou (laten) splitsen, maar is dat gerechtvaardigde vertrouwen door gebeurtenissen tussen het sluiten van de koopovereenkomst en de levering van het gebouw - een jaar later - komen te vervallen.   <?linebreak?>2.4	De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. [geïntimeerde] zijn het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn overeengekomen dat het gebouw niet mocht worden gesplitst. <?linebreak?>2.5	Het hof zal beslissen dat de vorderingen van [appellanten] niet toewijsbaar zijn, maar wel op basis van andere argumenten dan de rechtbank. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De relevante feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [appellanten] exploiteerden tot eind 2021 onder de naam ‘ [naam1] ’ een conferentiecentrum/groepsaccommodatie op de locatie [adres1] in [woonplaats] , in [plaats] . Op het adres [adres2] bevond zich een conferentieoord met een bovengelegen woning, die door [appellanten] werd bewoond. Op [adres3] bevond zich de groepsaccommodatie. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellanten] wilden de groepsaccommodatie op [adres3] ombouwen tot een</para>
        <para>nieuwe woning om daar zelf te blijven wonen. Het conferentieoord op [adres2] (hierna:</para>
        <para>het gebouw) wilden zij verkopen aan een woongroep, waarbij een woonvereniging of wooncoöperatie als juridisch eigenaar haar leden/de bewoners het woongebruik van het gebouw zou verschaffen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>Op 20 juli 2021 heeft [naam2] , latere voorzitter van [geïntimeerde] , [appellant] via</para>
        <para>whatsapp gevraagd of hij en zijn partner samen met twee andere koppels (hierna</para>
        <para>gezamenlijk te noemen: de groep) [naam1] nogmaals zouden kunnen bekijken omdat zij</para>
        <para>wellicht toch geïnteresseerd zijn in het gebouw om het eventueel te delen/splitsen.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        [appellant] heeft op 21 juli 2021 via een whatsapp bericht aan [naam2] aangegeven dat zij 21 augustus welkom zijn en verder onder meer vermeld:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">Bewoning en delen van het pand door 2 a 3 huishoudens is praktisch goed mogelijk, maar dit dient inpandig te geschieden. Wij verkopen het pand aan 1 eigenaar of rechtspersoon. Een formele splitsing is dus niet mogelijk. Toekomstige bewoners dienen gezamenlijk georganiseerd te zijn in een formele rechtspersoon opgericht bij notariële akte en met inschrijving bij de KvK. De rechtspersoon beschikt over een gezamenlijke rekening waarover de vaste lasten worden betaald.</emphasis>’<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Na een bezoek van de groep aan het gebouw schrijft een van die bewoners, [naam3] , in een e-mail van 24 augustus 2021 aan [appellanten] onder meer:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">Momenteel hebben we de volgende acties ondernomen:</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- We hebben een globale splitsing gemaakt. Deze splitsing heb ik bijgevoegd aan deze e-mail.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- We hebben contact gelegd met een civiel bouwrecht advocaat om te bespreken welke rechtsvorm het meest geschikt is voor deze situatie. Uiteraard nemen wij in deze gesprekken jullie wensen mee.</emphasis>’<?linebreak?>In een e-mail van diezelfde dag reageren [appellanten] , onder meer met de mededeling dat de verdeling van het gebouw, zoals op de tekening is aangegeven, hen in eerste instantie logisch lijkt. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>In de daaropvolgende periode bereiken partijen overeenstemming over de koopsom van € 1.100.000,-, vindt overleg met de gemeente plaats over wijziging van het bestemmingsplan, proberen de deelnemers aan [geïntimeerde] de financiering rond te krijgen en doen zij met behulp van een adviseur onderzoek naar de wooncoöperatievorm en naar andere rechtsvormen. In dat verband stellen zij onder meer aan de orde dat [naam2] en zijn partner met andere gezinnen een gebouw bewonen, dat eigendom was van een coöperatieve bewonersvereniging, ‘ [bewonersvereniging] ’, maar daarna is gesplitst in appartementsrechten. [naam2] stuurt de akte van splitsing op 25 november 2021 per e-mail naar [appellanten] Hij schrijft daarbij dat deze constructie belangrijke voordelen heeft:</para>
        <para>‘<emphasis role="italic">- Het pand kan in 1 keer worden gekocht van jullie. Geen verschillende overdrachtsmomenten/losse partijen.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">- Onderhoud van de gemeenschappelijke ruimtes is iedereen verantwoordelijk voor.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">(…)</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">- Ook niet onbelangrijk: deze constructie is financieel voordeliger voor ons als kopers, dus geen zakelijke lening tegen extra hoge rente. De financiering is hiermee voor ons ook eenvoudiger te regelen.</emphasis>’</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellanten] reageren in een e-mail van 28 november 2021 aan [naam2] . Volgens hen komen de strekking en visie van wat ze lezen in de akte van splitsing redelijk goed overeen met wat hen voor ogen staat. Verder schrijven zij dat voor hen het volgende van belang is:<?linebreak?><emphasis role="italic">• We verkopen het pand aan 1 formele rechtspersoon en niet aan individuele personen. </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">• Voor ons is vooral van belang dat de eigenaar/ bewoners ook zelf op [adres2] wonen,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zodat alle bewoners ook zelf verantwoordelijk- en aanspreekbaar zijn. Ook het bestuur van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de organisatie zal wat ons betreft uitsluitend zijn samengesteld uit bewoners van [adres2]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic"> [woonplaats] . Een organisatie waarbij er sprake is van een of meer externe bestuursleden, die</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ergens elders op een adviesbureau beslissingen nemen is niet wat ons voor ogen staat. Dit</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">geldt ook voor beheerders van buitenaf etc.. De organisatie zal wat ons betreft, formeel zo in elkaar moeten zitten dat dergelijke ongewenste ontwikkelingen ook in de toekomst niet die kant op gaan. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">• Wat betreft de dagelijkse gang van zaken, zouden we het fijn vinden als duidelijk is wie we</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kunnen aanspreken als er iets bijzonders te melden of te regelen is. Wat ons betreft is dat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">altijd iemand die hier ook zelf woont, en niet een persoon of organisatie die van elders komt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er zullen waarschijnlijk wel nadere afspraken gemaakt moeten worden mbt. praktische</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zaken. Deze kunnen natuurlijk ook in een HH reglement afgesproken worden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als jullie de woonconstructie, incl. Statuten en HH. Reglement wat verder uitgewerkt hebben, zouden jullie dan ook concept willen toesturen? Ook de gemeente zal hier binnenkort wel naar vragen.</emphasis>’</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Op 1 december 2021 sturen [appellanten] een koopcontract naar [naam2] . In dat koopcontract worden bij de vermelding van partijen onder B als ‘koper(s)’ de namen van [naam2] en de vijf andere deelnemers aan de groep vermeld. Daaronder staat:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">De onder (B) genoemde wooncoöperatie, of vergelijkbare organisatie die:</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">- een formele rechtspersoon is, en</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">- opgericht bij notariële akte en</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">- met inschrijving bij de Kamer van koophandel en</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">- beschikt over een gezamenlijke rekening waarvan de vaste lasten worden betaald.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Hierna samen te noemen ‘koper’</emphasis>.<?linebreak?>Artikel 21 ‘<emphasis role="italic">Doorverkoop aan derden’</emphasis> luidt als volgt:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">Het pand aan [adres2] te [woonplaats] wordt verkocht aan een wooncoöperatie die namens de gezamenlijke bewoners naar buiten treedt. Het is gewenst dat verkopers een afschrift ontvangen van de statuten van de wooncoöperatie. De wooncoöperatie zal bestaan uit maximaal 3 huishoudens. De eerste 5 jaar zal de woning niet worden doorverkocht aan een commerciële partij. Zolang er meerdere huishoudens op dit adres wonen blijft de wooncoöperatie gehandhaafd</emphasis>.’<?linebreak?>In de artikelen 20 en 22 wordt als het gaat om verplichtingen van de koper, deze aangeduid als ‘de wooncoöperatie’. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Nadat [appellanten] in een e-mail van 7 december 2021 aan [naam2] er op hebben aangedrongen dat [naam2] zo spoedig mogelijk laat weten welke ‘kleine wijzigingen’ in het koopcontract hij voorstelt, schrijft [naam2] in een e-mail van diezelfde dag aan [appellanten] onder meer het volgende:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">Eigenlijk zijn alle betrokken partijen het eens over dat: </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">1. Wij daar met maximaal 3 gezinnen gaan wonen</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. Wij kopen het gebouw in 1 keer van jullie direct nadat de woonvergunning</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Geen uitbreiding van het gebouw maar het bestaande gebouw/m2 ombouwen tot 3</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">appartementen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">4. Wij gaan daar voor lange tijd wonen en verkopen ons appartement niet aan derden</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">5. Afspraken met en wensen van de buren vast gelegd in huishoudelijk reglement en statuten</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">6. Financiering kan via verschillende structuren. Het liefst via 3 appartementsrechten met </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3 reguliere leningen met lage rente en overkoepelend een vereniging van eigenaren. Andere minder populaire optie is een woonvereniging met 1 financiering maar wel met een zakelijke lening met significante hogere rentelasten.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">7. Het maakt voor de uitkomsten niks uit welke constructie je kiest zeker als je kijkt naar de</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">wensen van alle partijen. Ook niet voor jullie als buren op [adres3] . De afspraken, statuten die notarieel zijn vast gelegd en gevolgen op langere termijn zijn exact hetzelfde. Alleen de naam en manier van financiering is dus anders. Dit onderwerp hebben we reeds uitgebreid besproken telefonisch en via de email. Zie mijn laatste email van maandag 29 november.</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Voorstel aan te passen punten:</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Tekst onder onze personalia kan beter zijn: De onder B genoemde personen handelen ieder voor zich als koper, mede namens de nog door hen op te richten woonvereniging, of vergelijkbare organisatie, in die hoedanigheid zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, hierna samen te noemen “koper”</emphasis>
          <?linebreak?>(…) <?linebreak?>* <emphasis role="italic">artikel 16 : de tekst "de koper die een formele rechtspersoon/wooncoöperatie is' klopt niet. Wij handelen op dit moment als natuurlijke personen die zich later verenigen in een (woon)vereniging, maar in eerste instantie handelen wij als natuurlijke personen. De tekst moet daarom luiden : De koper die een natuurlijke persoon is en niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.’</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">* artikel 20 : daar waar 'wooncoöperatie' staat vervangen door 'de gezamenlijke mede-eigenaren cq. woonvereniging'</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">* artikel 21 : De precieze constructie is nog niet helemaal duidelijk. De tekst zou daarom moeten luiden : het pand aan de [adres2] te [woonplaats] wordt verkocht aan een woonvereniging of - aan een vereniging van eigenaren. Verkopers zullen een afschrift ontvangen van de statuten van de woonvereniging cq van de vereniging van eigenaren. Kopers verplichten zich hun eigendom niet binnen een termijn van 5 jaar na aankoop door te verkopen aan derden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">* artikel 22 : 'wooncoöperatie' vervangen door 'de gezamenlijke mede-eigenaren cq.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Woonvereniging</emphasis>’ (…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <parablock>
        <para>Naar aanleiding van deze tekstvoorstellen stuurt [appellant] het volgende bericht per whatsapp aan de makelaar:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">Zojuist e-mail van [naam2] ontvangen. We kunnen niet akkoord gaan met hun formulering van</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de rechtspersoon. Kun je vanmiddag nog even in [woonplaats] komen om dit te bespreken? We zijn vanaf het begin duidelijk geweest over de rechtspersoon wooncooperatie, en hebben dat later afgezwakt naar " of een vergelijkbare rechtspersoon". Nu is er toch weer sprake van een VVE, juist wat we niet willen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als je even komt, kunnen we dit met z'n drieën bespreken. We hebben haast.’</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <parablock>
        <para>Naar aanleiding van een gesprek dat [naam2] en een ander lid van de groep, [naam4 ] , met [appellanten] hebben verstuurt [naam4 ] op 8 december 2021 het volgende spraakbericht aan de andere leden van de groep:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">Het was weer een heel gedoe, maar, ze hebben wel toegezegd dat wij de financiering mogen regelen via een VVE alleen ze zijn allergisch voor het woord VVE en het woord appartement. Dat heb ik gevraagd en dat was inderdaad het geval. Zij willen dat wij een overkoepelende woonvereniging starten met daaronder een VVE constructie. Wat volgens mij niet mogelijk is maar op zich wel goed dat ze hebben gezegd dat we zelf via een VVE constructie kunnen gaan lenen.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat koppelen wij eventjes terug naar hun via mail dat we dit besproken hebben. In het contract verandert er niet zo gek veel, jaaa, we zeggen een woonvereniging of vergelijkbare organisatie blijft erin staan. Dat is natuurlijk heel vrij interpreteerbaar. Je zou ook over de organisatie groepsvoorziening kunnen beginnen bijvoorbeeld of iets vergelijkbaar.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Maar eehh, ik denk wel positief maar alleen, constructie die [naam5] graag ziet, en volgens haar kan, want ze heeft er toevallig heel veel verstand van, volgens mij kan het niet maar goed, eeehh daar was ze zelf heel tevreden over en hebben wij ook gezegd dat lijkt ons ook fantastisch.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Over 8 maanden komen wij met geld via VVE constructie en dat gaat naar hun toe. En volgens mij gaan zij daar dan nooit meer tegenin. Dat is een beetje onze conclusie.</emphasis>’</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <parablock>
        <para>In een e-mail van 9 december 2021 aan [appellanten] schrijft [naam2] :<?linebreak?><emphasis role="italic">‘Wat goed dat we gisteren even bij elkaar zijn gekomen om de laatste dingen te bespreken voor de spreekwoordelijke puntjes op de i. Het heeft misschien wel lang geduurd, maar aan de andere kant mag je dat ook wel verwachten van zo'n groot project waar zoveel verschillende mensen bij betrokken zijn. Het resultaat mag er zijn, een duidelijke koopovereenkomst die we allemaal deze week nog kunnen ondertekenen. Wij vinden het ook fijn dat jullie gisteren begrip hebben getoond voor onze situatie ten aanzien van de hogere rentelasten en dat we overeen zijn gekomen dat we als organisatie/aanspreekpunt een woongroep/woonvereniging hebben maar dat we daaronder de structuur van een vereniging van eigenaren kunnen aanhangen met de 3 wooneenheden/appartementen waar we weer een reguliere financiering met lagere rente aan kunnen koppelen. Hetgeen het allemaal nog haalbaarder maakt en vergelijkbaar is met [bewonersvereniging] waarbij de filosofie en idealisme van het samen wonen zoals jullie ook voor ogen hadden gewaarborgd blijft.</emphasis>’ <?linebreak?>3.13	In een e-mail 11 december 2021 aan [naam2] schrijven [appellanten] :  <?linebreak?>‘<emphasis role="italic">Wij zijn ook blij dat we het 8 december eens zijn geworden over de definitieve tekst van de</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">koopovereenkomst. Zoals al bij de allereerste kennismaking bekend was zullen wij ons pand</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verkopen aan één bewoner of woongroep zoals vernoemd in de koopovereenkomst. De</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">nieuwe eigenaar zal één rechtspersoon zijn, te weten: een woongroep of vergelijkbare</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">organisatie (echter niet te lezen of te vervangen door een VvE). Deze woongroep treedt naar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">buiten toe op als rechtspersoon en heeft uiteraard Statuten en een Huishoudelijk Reglement.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wellicht kan er door jullie een sub organisatie opgericht worden, die de onderlinge dagelijkse financiën van de verbouwing-, vaste lasten e.d. regelt maar deze zal ten alle tijde</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ondergeschikt moeten blijven aan de afspraken en intenties in het koopcontract. Aan een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">notaris kun je vragen of hij jullie een voorbeeldcontract of een concept hiervoor kan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">toesturen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">We zijn jullie de afgelopen maanden al op heel veel punten tegemoetgekomen en zijn van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">mening dat het voor jullie mogelijk moet zijn dat we dit weekend een ondertekend exemplaar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ontvangen (en dat het maandagochtend bij de makelaar ligt). Mocht dit niet lukken dan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voelen wij ons vrij om wat betreft de verkoop een andere weg in te slaan. Wij hebben het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ondertekende koopcontract ook nodig voor onze eigen financier en nog langer wachten is</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voor ons niet langer verantwoord.</emphasis>’</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <parablock>
        <para>
          [naam2] en de vijf anderen hebben op 10 en 11 december 2021 een koopcontract ondertekend, dat door [appellanten] op 9 december 2021 is ondertekend. De tekst van deze koopovereenkomst is voor wat betreft de aanduiding van kopers onder B en de tekst van de artikelen 20 tot en met 22 gelijk aan het in 3.8 aangehaalde concept van 1 december 2021. In de artikelen 20 tot en met 22 is ‘wooncoöperatie’ vervangen door ‘koper’. Artikel 21 luidt dan ook:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">Doorverkoop aan derden </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Het pand aan [adres2] te [woonplaats] wordt verkocht aan de koper die namens de gezamenlijke bewoners naar buiten treedt. Het is gewenst dat verkopers een afschrift ontvangen van de statuten van de koper. De koper zal bestaan uit maximaal 3 huishoudens. De eerste 5 jaar zal de woning niet worden doorverkocht aan een commerciële partij. Zolang er meerdere huishoudens op dit adres wonen blijft de onder (B) genoemde organisatie gehandhaafd.</emphasis>’</para>
        <para>De ‘onder (B) genoemde organisatie waarnaar het slot van artikel 21 verwijst, is in de akte gedefinieerd als volgt:</para>
        <para>‘<emphasis role="italic">Het pand en de percelen worden verkocht aan de, door onder (B) genoemde personen </emphasis>[ [naam2] en de vijf anderen; hof]<emphasis role="italic">, op te richten woongroep, woonvereniging, of vergelijkbare organisatie, hierna te noemen: “koper”.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor deze organisatie geldt dat ze:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- een formele rechtspersoon is, en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- opgericht bij notariële akte en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- met inschrijving bij de Kamer van Koophandel en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- beschikt over een gezamenlijke rekening waarvan de vaste lasten worden betaald,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hierna samen te noemen ‘koper’</emphasis>.’</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <para>De groep heeft op 5 juli 2022 [geïntimeerde] opgericht.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <parablock>
        <para>Op 14 september 2022 hebben [appellanten] [geïntimeerde] een e-mail gezonden en</para>
        <para>haar - samengevat - in gebreke gesteld wegens niet nakoming van de koopovereenkomst en de gemaakte afspraken. [appellanten] hebben [geïntimeerde] een termijn van acht dagen gegeven om overtuigend aan te tonen dat zij zich wel houdt aan de gemaakte afspraken en toezeggingen en aangegeven dat zij, als zij dat niet doet, zullen kunnen overgaan tot</para>
        <para>ontbinding van de koopovereenkomst en mogelijk juridische stappen ondernemen.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17</nr>
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft bij e-mail van 18 september 2022 gereageerd op de e-mail van</para>
        <para>
          [appellanten] en - samengevat - aangegeven dat de ingebrekestelling onterecht is en dat</para>
        <para>zij onverkort nakoming wenst van de gesloten koopovereenkomst.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18</nr>
      <parablock>
        <para>De notaris heeft op 22 november 2022 een concept leveringsakte aan partijen</para>
        <para>gezonden.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19</nr>
      <parablock>
        <para>Op 1 december 2022 hebben [appellanten] [geïntimeerde] een e-mail gezonden met het</para>
        <para>voorstel twee bepalingen aan de leveringsakte toe te voegen. In de e-mail staat onder meer</para>
        <para>vermeld:</para>
        <para>‘<emphasis role="italic">(…) Om onduidelijkheid, nu en in de toekomst, te voorkomen, achten wij het noodzakelijk om aan het concept van de leveringsakte in ieder geval onderstaande bepalingen toe te voegen:</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Toevoegen:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bestemmingsplan</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.12</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Volgens het recentelijk gewijzigde bestemmingsplan kan het verkochte perceel</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">slechts eigendom zijn van één eigenaar en kan daarop slechts één woning staan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bewoning door een woongroep is toegestaan mits deze bestaat uit maximaal 3 huishoudens</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">en er tevens wordt voldaan aan de overige in het bestemmingsplan gestelde voorwaarden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Een "woongroep" is in het bestemmingsplan gedefinieerd als: een groep van twee of meer</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">personen die de bedoeling hebben om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar aan te gaan. Het bestemmingsplan schrijft voor dat een woongroep een formele, bij notariële akte</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opgerichte, rechtspersoon dient te zijn die dient te beschikken over een gezamenlijke</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">rekening waarvan de vaste lasten worden betaald.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.13</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conform het bestemmingsplan zal koper, zolang het verkochte bewoond wordt door</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">meerdere huishoudens, daarvan de enige eigenaar zijn en vindt er geen splitsing van het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">eigendom van het registergoed in appartementsrechten plaats, noch zal het perceel in</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">afzonderlijke delen worden gesplitst.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verkoop van het verkochte of onderdelen daarvan aan een commerciële partij is de eerste 5</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">jaar na datum van overdracht uitgesloten.(…)</emphasis>’</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20</nr>
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft in een e-mail van 3 december 2022 gereageerd op de door [appellanten] gewenste toevoegingen, in welke e-mail onder meer is vermeld:</para>
        <para>‘<emphasis role="italic">(…) Kort samengevat zijn deze bepalingen jullie wensen over het eigenaarschap van het pand in de toekomst en niet om de levering zelf. Wij zijn als woonvereniging de rechtspersoon en bij levering de nieuwe eigenaar van het pand. Volledig conform de door ons allen getekende koopovereenkomst en concept leveringsakte.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Deze nieuwe bepalingen zijn wat ons betreft eventuele nieuwe afspraken tussen verkoper en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de woonvereniging volledig buiten de koopovereenkomst om.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gezien de complexiteit van de huidige situatie willen wij ons eerst goed laten informeren</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">door de notaris en onze raadsman. Met name over de juridische en notariële kaders.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uiteraard zal er ook binnen de woonvereniging zelf overleg moeten plaats vinden. Ik</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verwacht dat ergens komende week een brief jullie kant op zal komen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tenslotte willen wij verder graag de levering laten verlopen op de reguliere manier.(…)</emphasis>’</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21</nr>
      <parablock>
        <para>Op 12 december 2022 heeft [geïntimeerde] [appellanten] een brief gezonden en hun verzocht de door de notaris verzochte contactgegevens van hun hypotheekhouder te verstrekken zodat levering van de onroerende zaak kan plaatsvinden.</para>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft [appellanten] reeds op voorhand in gebreke gesteld voor het geval zij aan</para>
        <para>dat verzoek niet zouden voldoen en gewezen op de direct opeisbare boete die [appellanten]</para>
        <para>dan verschuldigd zouden zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22</nr>
      <para>In een e-mail van 14 december 2022 aan de notaris (met kopie aan de advocaat van [geïntimeerde] ) hebben [appellanten] onder meer geschreven:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">Wij hebben ook nooit aan u of aan koper gemeld dat we niet zouden leveren. Wel verwachten wij van koper dat ze aan de met hen afgesproken voorwaarden voldoen en dat ze hun afspraken nakomen. Het feit dat zij informatie daarover nu al meer dan een jaar lang weigeren te geven voedt het wantrouwen dat ze iets te verbergen hebben en </emphasis><emphasis role="bold italic">niet</emphasis><emphasis role="italic"> voldoen of willen voldoen aan de onderling gemaakte afspraken</emphasis>.’</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23</nr>
      <para>De advocaat van [appellanten] heeft op 27 december 2022 een brief aan de advocaat van [geïntimeerde] geschreven, waarin - samengevat - is aangegeven dat [appellanten] als harde voorwaarde voor de verkoop hebben gesteld dat de woonvereniging niet bevoegd is het verkochte aan derden te verkopen en/of in appartementsrechten te splitsen zolang daar meerdere huishoudens wonen. [appellanten] betwijfelen of [geïntimeerde] die afspraak zal eerbiedigen. In de afwijzende reactie op het verzoek van [appellanten] tot toevoeging van bepalingen aan de leveringsakte zien [appellanten] een aanwijzing dat [geïntimeerde] meent bevoegd te zijn de onroerende zaak te splitsen in appartementsrechten. Zij hebben [geïntimeerde] verzocht binnen één week schriftelijk te bevestigen dat verkoop/overdracht aan derden en/of splitsing in appartementsrechten uitgesloten is zolang er meerdere huishoudens wonen, bij gebreke waarvan het voor de hand ligt dat de zaak wordt voorgelegd aan de rechter. [geïntimeerde] heeft aan dat verzoek niet voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24</nr>
      <para>Het gebouw is op 29 december 2022 aan [geïntimeerde] geleverd, door middel van de leveringsakte die de notaris op 22 november 2022 in concept aan partijen had gestuurd. In artikel 3 van de leveringsakte is onder meer bepaald:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">3.1. Partijen verklaren bij deze akte ingevolge een daartoe op elf december tweeduizend-eenentwintig (11-12-2021) gesloten koopovereenkomst een registergoed te willen leveren.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">3.2. Hetgeen bij de koopovereenkomst is bepaald blijft van toepassing voor zover daarvan hierna niet is afgeweken, met dien verstande dat eventuele ontbindende voorwaarden zijn vervallen.</emphasis>’</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het geschil</title>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
        <?linebreak?>4.1 Partijen verschillen van mening over de antwoorden op drie vragen:</para>
      <para>a. De vraag of zij in artikel 21 van de koopovereenkomst zijn overeengekomen dat het gebouw niet mag worden gesplitst in appartementsrechten en of [geïntimeerde] bij verkoop het gevorderde kettingbeding in de koopovereenkomst moeten opnemen.<?linebreak?>b. De vraag of het gerechtvaardigd vertrouwen dat [appellanten] aan de koopovereenkomst mochten ontlenen ten tijde van de levering nog aanwezig was.<?linebreak?>c. De vraag naar het belang van [appellanten] bij hun vorderingen en, daarmee samenhangend, of het bepaalde in artikel 21 niet van toepassing is, omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft vraag a bevestigend beantwoord (voor wat betreft de splitsing expliciet en voor wat betreft het kettingbeding impliciet) en vraag b ontkennend. Aan vraag c is de rechtbank niet toegekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De grieven van [appellanten] zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank over vraag b. [geïntimeerde] heeft - hoewel dat gezien de devolutieve werking van het appel niet noodzakelijk was - een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank over vraag a.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Hoewel uit het hierna volgende zal blijken dat het hof strikt genomen zou kunnen volstaan met een beantwoording van vraag c, zal het toch ook de beide andere vragen beantwoorden, omdat de feiten en omstandigheden die bij die antwoorden van belang zijn ook van belang zijn voor het antwoord op vraag c. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat zijn partijen overeengekomen?</emphasis>
          <?linebreak?>4.5	Partijen verschillen over de uitleg van artikel 21 van de koopovereenkomst. Volgens [appellanten] zijn partijen in deze bepaling overeengekomen dat [geïntimeerde] het gebouw niet mag splitsen in appartementsrechten. Volgens [geïntimeerde] volgt dat niet uit deze bepaling. Partijen hebben slechts afgesproken dat het gebouw niet zou worden verkocht aan een VvE, maar niet dat na de levering geen splitsing in appartementsrechten zou mogen plaatsvinden. Over een latere verkoop aan derden waarbij een kettingbeding zou moeten worden bedongen is al helemaal niets afgesproken. [geïntimeerde] wijst erop dat het beding door [appellanten] is opgesteld, zodat onduidelijkheden in het beding voor risico van [appellanten] komen en dat het beding, zoals ook blijkt uit het opschrift, een anti-speculatiebeding betreft.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het volgens vast rechtspraak van de Hoge Raad immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de uitleg zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In praktisch opzicht is vaak van groot belang de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan - waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden - en de overige bepalingen ervan. Bij de uitleg van een beding in een overeenkomst tussen twee particulieren kan het feit dat het beding door één van beide partijen is geformuleerd een in aanmerking te nemen gezichtspunt zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>In dit geval gaat het om een overeenkomst tussen particuliere partijen. De tekst van de overeenkomst is voor een groot deel afkomstig van een modelcontract. Artikel 21 is daaraan toegevoegd en is geformuleerd door [appellanten] , die geen jurist zijn en die ook geen bijzondere kennis van en ervaring hebben met het opstellen van contracten. Uit de hiervoor vermelde feiten, volgt dat de bepaling veel aandacht van partijen heeft gehad: (De groep namens) [geïntimeerde] heeft een wijzigingsvoorstel gedaan en partijen hebben over de tekst van de bepaling gesproken. Onder die omstandigheid en gelet op de hoedanigheid van partijen, is het feit dat de bepaling door [appellanten] is opgesteld van ondergeschikt belang. [geïntimeerde] is zelf ook actief betrokken geweest bij de (uiteindelijke) tekst van de bepaling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Partijen zijn in elk geval overeengekomen dat het gebouw niet aan een VvE zou worden geleverd. Dat blijkt ook uit de omschrijving van wie de koper is, in de aanhef van de koopovereenkomst, waar een VvE niet wordt genoemd. In artikel 21 wordt uitdrukkelijk dit begrip ‘koper’ gebruikt. Aanvankelijk stond er ‘wooncoöperatie’. De groep heeft geprobeerd die aanduiding te wijzigen in ‘woonvereniging of (aan) vereniging van eigenaren’ (zie 3.9). Het is duidelijk dat [appellanten] dat per sé niet wilden. Dat volgt uit het whatsappbericht van [appellant] aan de makelaar (zie 3.10) en uit het feit dat daarna een gesprek heeft plaatsgevonden over onder meer deze bepaling. Volgens het verslag dat [naam4 ] aan de andere groepsleden doet naar aanleiding van dat gesprek zijn [appellanten] ‘allergisch’ voor de woorden VvE en appartement (zie 3.11). Ook de leden van de groep was het dus duidelijk dat [appellanten] niet wilden verkopen en leveren aan een VvE. De e-mail van [appellanten] van <?linebreak?>11 december 2021, waarin zij schrijven dat de nieuwe eigenaar een woongroep of vergelijkbare organisatie zal zijn ‘echter niet te lezen of te vervangen door een VvE’ (zie 3.13) kon voor hen dan ook niet als een verrassing komen. In dat licht bezien is het niet verwonderlijk dat in de definitieve en door partijen ondertekende versie van het koopcontract de door de groep voorgestelde verwijzing naar een VvE in de tekst van artikel 21 niet voorkomt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>Over de vraag of partijen ook zijn overeengekomen dat het gebouw na de levering aan een woonvereniging of vergelijkbare rechtspersoon ook geen eigendom zou mogen worden van een VvE is meer discussie mogelijk. In de eerste zin van artikel 21 gaat het alleen om de verkoop en de levering. Verkocht en geleverd wordt aan ‘de koper’, dus een wooncoöperatie of vergelijkbare organisatie en uitdrukkelijk geen VvE. Maar voor de laatste zin  - ‘<emphasis role="italic">Zolang er meerdere huishoudens op dit adres wonen blijft de onder (B) genoemde organisatie gehandhaafd</emphasis>’ - ligt dat anders. De taalkundige betekenis kan niet anders worden begrepen dan dat deze betrekking heeft op de periode na de levering. Ook na de levering moet de partij waaraan geleverd wordt - de wooncoöperatie of vergelijkbare rechtspersoon, maar uitdrukkelijk geen VvE - in stand blijven, althans zolang het gebouw wordt bewoond door meerdere huishoudens. Wanneer de laatste zin alleen betrekking heeft op de situatie ten tijde van de levering, is deze bovendien betekenisloos. Dat staat immers al in de eerste zin van artikel 21. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>Dat [appellanten] niet wilden dat het gebouw na de levering eigendom zou worden van een VvE hebben zij de groep voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst keer op keer duidelijk gemaakt. Al in het eerste contact (zie 3.4) hebben zij gezegd te willen verkopen aan één eigenaar of rechtspersoon en dat een formele splitsing niet mogelijk is. Die nieuwe eigenaar kan dus geen VvE zijn. In dat contact hebben ze ook al aangegeven dat zij willen dat de toekomstige bewoners georganiseerd zijn in een formele rechtspersoon. Hun voorwaarden op dit punt hadden dus niet alleen betrekking op de (rechts)persoon waaraan geleverd zou worden, maar ook op de situatie na de levering, de wijze waarop de bewoners zich zouden organiseren. Dat [appellanten] ook afspraken wilden maken over de organisatievorm na de overdracht volgt ook uit hun e-mail van 28 november 2021 aan [naam2] (zie 3.7). [appellanten] hebben uitdrukkelijk niet ingestemd met het voorstel van de groep om de laatste zin van artikel 21 te schrappen (zie 3.9). In de e-mail van [naam2] aan [appellanten] (zie 3.12) volgend op het gesprek naar aanleiding van (onder meer) dat voorstel gaat het ook niet alleen om de partij aan wie geleverd wordt, maar om de organisatie/het aanspreekpunt, dus om de situatie na de levering. Uit hun e-mail van 11 december 2021 (zie 3.13) blijkt dat [appellanten] dat ook zo hebben begrepen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>Uit de in 3.11 tot en met 3.13 aangehaalde e-mails en berichten volgt wel dat [appellanten] er geen bezwaar tegen hadden dat onder de wooncoöperatie een VvE zou worden opgericht, maar dat partijen de wijze waarop dat zou moeten worden gerealiseerd niet hebben uitgewerkt en dat de leden van de groep zich wel afvroegen of zo’n constructie wel mogelijk zou zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>Dat de bepaling ook een anti-speculatiebeding bevat - niet binnen vijf jaar doorverkopen aan een commerciële partij - betekent niet dat het alleen een speculatiebeding is, zoals [geïntimeerde] betoogt. Ook in de uitleg van [geïntimeerde] bevat de bepaling daarnaast een regeling over de partij aan wie verkocht en geleverd wordt. Die regeling is in de uitleg van [geïntimeerde] niet te kwalificeren als een anti-speculatiebeding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>De conclusie is dan ook dat partijen niet alleen zijn overeengekomen dat [appellanten] aan een wooncoöperatie of vergelijkbare rechtspersoon zouden leveren, en niet aan een VvE, maar ook dat na de levering het gebouw geen eigendom zou worden van een VvE, althans zo lang er meerdere gezinnen in woonden.<footnote-ref linkend="_43e22447-3d30-402a-8916-cc7c0b0229c8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14</nr>
      <para>De tekst van artikel 21 van de koopovereenkomst noch de andere bepalingen uit het koopcontract bieden een aanknopingspunt voor de gedachte dat partijen ook zijn overeengekomen dat de koper ( [geïntimeerde] dus) bij een latere verkoop aan een derde zou moeten bedingen, versterkt met een kettingbeding, dat het die derde niet is toegestaan het gebouw te gaan bewonen met of in gebruik te geven aan meerdere huishoudens. Zo’n aanknopingspunt is ook niet te vinden in de hiervoor uitvoerig weergegeven communicatie tussen partijen voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst. [appellanten] hebben dan ook onvoldoende onderbouwd dat het [geïntimeerde] niet alleen verboden is om het gebouw binnen vijf jaar te verkopen aan een commerciële partij, maar dat zij ook - niet slechts voor vijf jaar, maar voor altijd - beperkt is in haar vrijheid het gebouw aan een niet commerciële partij te verkopen. en het gebouw uitsluitend aan een persoon zouden mogen verkopen die er met één gezin in zou gaan wonen. Overigens heeft [appellante] ter zitting bij het hof desgevraagd verklaard dat bij verkoop aan een commerciële instelling na vijf jaar splitsing in appartementen na vijf jaar wel mogelijk is. <footnote-ref linkend="_c5f8cac2-4714-433b-a2b3-db93f9fce8ab" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Mochten [appellanten] ten tijde van de levering nog gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan de gemaakte afspraken?</emphasis>
          <?linebreak?>4.15	De rechtbank heeft overwogen dat [appellanten] er ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst op mochten vertrouwen dat [geïntimeerde] het gebouw niet zou (laten) splitsen in appartementsrechten, maar dat dit gerechtvaardigd vertrouwen ten tijde van de levering vervallen was. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16</nr>
      <para>Het hof volgt de rechtbank niet in deze redenering. Hiervoor is vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] het gebouw ook na de levering niet zou (laten) splitsen. [appellanten] mochten er niet langer gerechtvaardigd op vertrouwen dat deze afspraak ten tijde van de levering nog tussen hen gold indien zij in de periode tussen het sluiten van de koopovereenkomst en de levering nieuwe of aanvullende afspraken met de groep (of vanaf de oprichting met [geïntimeerde] ) zouden hebben gemaakt die erop neerkwamen dat [geïntimeerde] het gebouw, in weerwil van wat partijen eerder waren overeengekomen, het gebouw toch mocht (laten) splitsen in appartementsrechten. Dat partijen dergelijke afwijkende afspraken hebben gemaakt, is gesteld noch gebleken en volgt ook niet uit wat vaststaat over de communicatie tussen partijen na het sluiten van de koopovereenkomst Daarvoor is het volgende van belang.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17</nr>
      <para>Allereerst wordt in artikel 3.1 van de akte van levering uitdrukkelijk verwezen naar de door partijen gemaakte afspraken, die zijn vastgelegd in het koopcontract. In artikel 3.2 van de akte van levering is bepaald dat deze koopovereenkomst van toepassing blijft, voor zover daarvan in de akte van levering niet is afgeweken. Wanneer partijen bij het sluiten van dat koopcontract zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] het gebouw niet mag (laten) splitsen, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, blijven zij aan deze afspraak gebonden, ook wanneer die niet apart in de akte van levering wordt vastgelegd.   <?linebreak?>Gesteld noch gebleken is dat in de akte van levering is vastgelegd dat partijen zijn afgeweken van wat zij in de omschrijving van partijen en in artikel 21 van het koopcontract hebben afgesproken over het (niet) splitsen in appartementsrechten. <?linebreak?>De akte van levering levert dan ook dwingend bewijs op (vgl. artikel 157 lid 2 Rv) dat partijen geen afwijkende afspraken hebben gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18</nr>
      <para>Vervolgens volgt uit wat vaststaat over de contacten tussen partijen na het sluiten van de overeenkomst en vóór de levering niet dat partijen afwijkende afspraken hebben gemaakt. Integendeel, toen [appellanten] de indruk kregen dat [geïntimeerde] zich mogelijk niet wilde houden aan de afspraak over de woonvorm, hebben zij [geïntimeerde] in gebreke gesteld en aangegeven dat zij de koopovereenkomst zouden kunnen ontbinden (zie 3.16). Daarna hebben zij geprobeerd om in de akte van levering een bepaling op te nemen waarin expliciet is bepaald - wat partijen dus ook al waren overeengekomen - dat [geïntimeerde] het gebouw niet mocht splitsen in appartementsrechten (zie 3.19). In het onwaarschijnlijke geval dat het [geïntimeerde] tot op dat moment niet duidelijk was of [appellanten] (alsnog) met een splitsing zouden kunnen instemmen, moest het haar toen duidelijk zijn dat [appellanten] niet konden instemmen met een splitsing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19</nr>
      <para>Aan het feit dat [appellanten] vervolgens de overeenkomst niet hebben ontbonden en hebben meegewerkt aan de levering zonder dat de door hen voorgestelde bepalingen werden opgenomen in de akte van levering heeft [geïntimeerde] ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat [appellanten] er alsnog mee instemden dat het splitsingsverbod tussen hen niet meer van toepassing was. [appellanten] hebben voor zover daar al onduidelijkheid over mocht bestaan die onduidelijkheid bovendien weggenomen door kort voor de levering te (laten) schrijven dat zij bij hun standpunt blijven dat [geïntimeerde] het gebouw niet mag splitsen en dat zij naar verwachting zullen procederen indien [geïntimeerde] niet wil bevestigen dat het gebouw niet zal worden gesplitst (zie 3.23). Het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] ‘zonder nadere schriftelijke afspraken of enig voorbehoud’ aan [geïntimeerde] hebben geleverd, is dan ook ongegrond, nog daargelaten dat het maken van nadere schriftelijke afspraken ook niet noodzakelijk was voor [appellanten] gelet op de gemaakte afspraken, waarnaar in de akte van levering werd verwezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20</nr>
      <para>Uit het gegeven dat [appellanten] er in de periode tussen het sluiten van de overeenkomst en de levering niet meer op konden vertrouwen dat [geïntimeerde] het gebouw niet zou splitsen, volgt, ten slotte, ook niet dat partijen een afwijkende afspraak hebben gemaakt over de splitsing. Het enkele feit dat één partij te kennen geeft zich niet meer aan een contractuele verplichting te willen houden, betekent niet dat die verplichting niet langer tussen partijen geldt. Ook als [appellanten] er niet meer op mochten vertrouwen dat hun uitleg van artikel 21 van het koopcontract nog langer door [geïntimeerde] werd gedeeld, betekent dat niet dat [appellanten] [geïntimeerde] niet aan deze uitleg zou mogen houden. Daarvoor is niet beslissend het gerechtvaardigd vertrouwen van [appellanten] bij de levering, maar bij het tot stand komen van de overeenkomst, een jaar eerder. Voor zover [geïntimeerde] zich er ook op beroept dat [appellanten] gelet op de gebeurtenissen in de periode tussen het sluiten van de overeenkomst en de levering het recht hebben verwerkt zich op (hun uitleg van) artikel 21 van het koopcontract te beroepen, faalt dit beroep om de hiervoor vermelde redenen.<footnote-ref linkend="_743741de-ebc9-4c79-8091-1e37feec72a5" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is het beroep van [appellanten] op artikel 21 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?    </emphasis>
          <?linebreak?>4.21	[geïntimeerde] heeft ook nog aangevoerd dat [appellanten] geen belang hebben bij hun vordering. Zij hebben erop gewezen dat in het gebouw in feite drie woningen zijn gecreëerd. Ook na de oprichting van een VvE en de splitsing van het gebouw in appartementsrechten blijven er drie woningen. Alleen de juridische constructie wijzigt, de feitelijke situatie niet. Het is daarom onduidelijk welk belang [appellanten] hebben bij handhaving van de juridische status quo. Daar staat tegenover dat (de individuele leden van) [geïntimeerde] groot belang heeft bij de omzetting van de woonvereniging naar een VvE. De financiële voorwaarden voor het verstrekken van een hypothecaire lening zijn aanzienlijk voordeliger voor appartementseigenaren dan voor leden van een woonvereniging. De rente is 1,5% lager. De wens van [appellanten] heeft de leden van de groep dan ook al veel geld gekost aan hogere hypotheekrente. In de procedure bij het hof heeft [geïntimeerde] daaraan toegevoegd dat zij ook een veel hogere overdrachtsbelasting (10,4% in plaats van 2%) heeft moeten betalen door de wens van [appellante] om aan een woonvereniging te leveren. Verder heeft zij gesteld dat een woonvereniging, anders dan een VvE, niet voor verduurzamingssubsidies in aanmerking komt. Toewijzing van de vordering van [appellanten] leidt volgens [geïntimeerde] tot een zeer ernstige en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare beperking van het eigendomsrecht van de leden van de groep.<footnote-ref linkend="_6f9b469a-f6c9-43b0-b9ad-1de09163431a" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22</nr>
      <para>Uit deze toelichting op het verweer van [geïntimeerde] volgt dat [geïntimeerde] zich niet alleen beroept op een gebrek aan belang bij [appellanten] (3:303 BW), maar ook vindt dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) in de weg staat aan een geslaagd beroep van [appellanten] op artikel 21 van het koopcontract. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23</nr>
      <para>Het hof volgt [geïntimeerde] niet in het betoog dat [appellanten] onvoldoende belang hebben bij hun vordering. [appellanten] vorderen dat [geïntimeerde] zich houdt aan de in artikel 21 van de koopovereenkomst vastgelegde afspraak, dat [geïntimeerde] het gebouw niet splitst in appartementsrechten. Uit het voorgaande volgt dat partijen die afspraak uitdrukkelijk hebben gemaakt. Duidelijk is ook dat [geïntimeerde] zich niet gebonden weet aan die afspraak, zodat [appellanten] reden hebben om te vrezen dat [geïntimeerde] het gebouw toch zal gaan splitsen in appartementsrechten. De vordering is erop gericht om dat te voorkomen. Daarmee is het belang van [appellanten] bij hun vordering gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24</nr>
      <para>Dat [appellanten] voldoende belang hebben bij hun vordering betekent niet dat daarmee het beroep van [geïntimeerde] op artikel 6:248 lid 2 BW faalt. Het hof zal dit beroep dan ook zelfstandig behandelen. Het stelt daarbij voorop dat de rechter bij de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW  de nodige terughoudendheid moet betrachten. De formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ brengt dat ook tot uitdrukking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat [appellanten] bij het aangaan van de overeenkomst hoge verwachtingen hadden van de wijze waarop de leden van de groep invulling zouden geven aan de gezamenlijke bewoning van het gebouw. [appellanten] hadden voor ogen dat de gezinnen echt als een woongroep zouden functioneren, veel gemeenschappelijk zouden doen - de grote keuken leende zich volgens hen uitstekend voor een gezamenlijke keuken - en dat zijzelf, als de buren van de woongroep, ook betrokken konden worden bij de gezamenlijke activiteiten van de woongroep. Zij hebben erop gewezen dat een woongroep vaak een meer idealistische insteek heeft en dat de leden meer aandacht en zorg voor de natuur hebben dan appartementseigenaren. Hun ideaal was een ‘mooie ecologische nederzetting (…) tot in lengte van jaren’ in het waardevolle maar kwetsbare natuurgebied rond de [plaats] . Zij meenden dat dit ideaal beter te realiseren is in een woongroep - volgens hen een hechte groep met veel onderling contact waar ‘saamhorigheid is (…) ingebakken’ - dan in een VvE. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26</nr>
      <para>Uit deze toelichting door [appellanten] blijkt dat de in artikel 21 van de koopovereenkomst vastgelegde wens van [appellanten] om aan een woonvereniging, en niet aan VvE, te leveren, die later niet kan worden omgezet in een VvE, voortkomt uit hun ideeën en idealen over het functioneren van een woongroep en niet uit een afweging van de juridische voor- en nadelen van een woonvereniging of een VvE. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27</nr>
      <para>Het gebouw is nog niet gesplitst in appartementsrechten, maar is nog eigendom van een woonvereniging, waarin de bewoners zijn georganiseerd op de wijze die [appellanten] voor ogen hadden. Toch staat vast dat [appellanten] - terecht of ten onrechte - zeer teleurgesteld zijn in de wijze waarop de bewoners vorm geven aan de gezamenlijke bewoning van het gebouw. De groep maakt geen gebruik van een gemeenschappelijke keuken, maar heeft het gebouw feitelijk onverdeeld in appartementen. Dat zij dat van plan waren, hebben zij [appellanten] tijdens de onderhandelingen al duidelijk gemaakt (zie 3.5) en moet voor [appellanten] dan ook niet als een verrassing zijn gekomen. [appellanten] hebben ook niet betoogd dat [geïntimeerde] door deze verdeling in strijd met de overeenkomst heeft gehandeld. Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat partijen al enkele procedures hebben gevoerd tegen [geïntimeerde] en/of haar bewoners en dat zij zeer recent een nieuwe procedure bij de rechtbank aanhangig hebben gemaakt tegen [geïntimeerde] waarin zij 13 vorderingen hebben ingesteld die betrekking hebben op de wijze waarop het gebouw moet worden bewoond. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28</nr>
      <para>Het feit dat de groep is verenigd in een woonvereniging, die eigenaar is van het gebouw, heeft er gezien het voorgaande niet toe geleid dat de idealen van [appellanten] over de (toekomstige) bewoning van het gebouw gerealiseerd worden. Dat ligt ook wel voor de hand. De wijze waarop het gebouw bewoond wordt, de manier waarop de bewoners van het gebouw met elkaar omgaan en hoeveel zij samen doen, is niet in de eerste plaats afhankelijk van de juridische constructie waarin de bewoners zijn georganiseerd maar van de personen van de bewoners. De idealen van [appellanten] zouden mogelijk met andere bewoners wél gerealiseerd kunnen worden, ook als deze niet georganiseerd waren in een woonvereniging maar in een VvE. Ook appartementseigenaren kunnen immers afspreken nauw met elkaar op te trekken en om veel zaken gezamenlijk te doen (al dan niet met de bewoners van de naastgelegen woning) en kunnen op die wijze in feite een woongroep vormen. Bovendien kunnen ook appartementseigenaren uiteraard oog en hart hebben voor de natuur rondom het gebouw dat ze bewonen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29</nr>
      <para>Gezien het voorgaande kunnen [appellanten] met de door hen gekozen juridische constructie niet bereiken wat ze daarmee willen bereiken. Niet de juridische constructie betreffende de eigendom van het gebouw, maar degenen die van die constructie gebruik maken zijn cruciaal voor het verwezenlijken van de idealen van [appellanten] over dat gebruik.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.30</nr>
      <para>
        [appellanten] hebben steeds aangegeven dat zij een vast aanspreekpunt wilden hebben, onder meer voor aangelegenheden betreffende de bewoning van het gebouw. Ook wat dat betreft heeft een woonvereniging geen meerwaarde boven een VvE. In het eerste geval is het bestuur van de vereniging het aanspreekpunt, in het andere geval het bestuur van de VvE. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31</nr>
      <para>De tussenconclusie is dat [appellanten] weliswaar bedongen hebben dat de woonvereniging niet zal worden omgezet in een VvE en dat [geïntimeerde] daarmee heeft ingestemd, maar dat het doel dat [appellanten] daarmee voor ogen hadden er niet door kan worden gerealiseerd. Het beding heeft wat dat betreft slechts symbolische betekenis en handhaving van het beding leidt er niet toe dat de idealen die [appellanten] ermee wilden bevorderen met het beding zijn gediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.32</nr>
      <para>Daar staat tegenover dat [geïntimeerde] , op dit punt niet (voldoende) weersproken door [appellanten] , heeft aangetoond dat er forse financiële nadelen zijn verbonden aan het feit dat het gebouw eigendom is van een woonvereniging en niet gesplitst mag worden in appartementsrechten. Enkele van deze nadelen hebben zich al voorgedaan (de hogere overdrachtsbelasting en hogere hypotheekrente), andere nadelen zijn structureel (de hogere hypotheekrente), of zullen zich mogelijk vaker manifesteren (verduurzamingssubsidie). Alleen met de hypotheekrente is al een bedrag gemoeid van € 16.500,- per jaar (1,5% van de €1.100.000,-; het hof houdt dan nog geen rekening met de financiering van de overdrachtsbelasting en van de kosten van de ingrijpende verbouwing). Tussen partijen staat niet ter discussie dat die nadelen niet kunnen worden weggenomen door een juridische constructie waarbij de woonvereniging in stand blijft, en eigenaar blijft van het gebouw, en op een lager niveau een VvE wordt opgericht. Zo’n constructie is niet te verwezenlijken. [geïntimeerde] heeft er dan ook groot belang bij dat zij niet wordt gehouden aan het in artikel 21 van de koopovereenkomst vastgelegde verbod om het gebouw te splitsen in appartementen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.33</nr>
      <parablock>
        <para>Bij deze stand van zaken, waarbij het belang van [appellanten] bij handhaving van het splitsingsverbod van artikel 21 louter symbolische betekenis heeft en zij het beoogde doel niet met deze bepaling kunnen bereiken en [geïntimeerde] er juist groot belang bij heeft dat in weerwil van artikel 21 het gebouw gesplitst kan worden in appartementsrechten en de woonvereniging kan worden omgezet in een VvE, is het beroep van [appellanten] op deze bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dat betekent dat de op artikel 21 gebaseerde vordering van [appellanten] om [geïntimeerde] te verbieden het gebouw te splitsen in appartementsrechten niet toewijsbaar is. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.34</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal het vonnis van de rechtbank onder verbetering van gronden bekrachtigen. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in het door hen ingestelde hoger beroep (salaris advocaat: 2 punten, tarief II) veroordelen. Het hof ziet, anders dan de rechtbank, geen reden voor compensatie van kosten. Het feit dat partijen buren zijn is geen wettelijke grond voor compensatie. Dat feit heeft [appellanten] er overigens ook niet van weerhouden meerdere procedures tegen [geïntimeerde] aanhangig te maken. De verhoudingen tussen partijen zijn al danig verstoord. Omdat het door [geïntimeerde] ingestelde appel onnodig was, blijft een proceskostenveroordeling achterwege.<footnote-ref linkend="_33842d4f-758c-42e6-906b-7c80bdc5d8b7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.35</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft geen grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren, zodat die beslissing in stand blijft. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.36</nr>
      <para>De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>bekrachtigt onder verbetering van gronden het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 7 februari 2024;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] : </para>
        <para>€  798,- aan griffierecht</para>
        <para>€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] ;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>wijst af wat verder is gevorderd.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.H. Kuiper en M.A.M. Essed, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_43e22447-3d30-402a-8916-cc7c0b0229c8" label="1">
    <para> De grief van [geïntimeerde] faalt in zoverre.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5f8cac2-4714-433b-a2b3-db93f9fce8ab" label="2">
    <para> De grief van [geïntimeerde] slaagt in zoverre en grief 5 van [appellanten] faalt.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_743741de-ebc9-4c79-8091-1e37feec72a5" label="3">
    <para> De grieven 2 tot en met 4 van [appellanten] slagen, bij de bespreking van grief 1 hebben [appellanten] geen belang. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6f9b469a-f6c9-43b0-b9ad-1de09163431a" label="4">
    <para> Zie conclusie van antwoord 6.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33842d4f-758c-42e6-906b-7c80bdc5d8b7" label="5">
    <para> Zie HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:801. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>