<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2025:5967</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-07-30T10:04:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.341.174</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBGEL:2023:4637" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2023:4637</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBGEL:2022:1659" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2022:1659</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RVR 2026/66</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:5967">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:5967</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-30T10:43:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:5967 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-09-2025 / 200.341.174</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2025:5967:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>6:259 BW, 6:252 BW, 5:79 BW, 3:13 BW. Ontbinding kwalitatieve verplichting, boetebeding, kettingbeding, redelijk belang, misbruik van bevoegdheid</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2025:5967:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem, afdeling civiel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.341.174</para>
      <para>zaaknummer rechtbank 390754 en 391584</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 30 september 2025 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellant1]</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [appellant2]</emphasis>
      </para>
      <para>die beiden wonen in [plaats1]</para>
      <para>die hoger beroep hebben ingesteld</para>
      <para>en bij de rechtbank optraden als eisers</para>
      <para>hierna gezamenlijk: [appellanten] c.s. </para>
      <para>advocaat: mr. C. Schimmel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> het kerkgenootschapChristelijke gereformeerde Kerk Bennekom</title>
    <para>dat is gevestigd in Bennekom  </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. </emphasis>de stichting<emphasis role="bold"> Nederlandse Stichting Mbuma-Zending</emphasis></para>
    <para>die is gevestigd in Haaften</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3</emphasis> de stichting<emphasis role="bold"> Stichting Stephanos</emphasis></para>
    <para>die is gevestigd te Krimpen aan den IJssel</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">4. </emphasis>het kerkgenootschap<emphasis role="bold"> Deputaatschap tot hulpverlening in bijzondere noden der Gereformeerde Gemeenten</emphasis></para>
    <para>dat is gevestigd te Woerden</para>
    <bridgehead role="bold">5. [geïntimeerde5]</bridgehead>
    <para>die woont te [plaats2]</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">6. </emphasis>het kerkgenootschap<emphasis role="bold"> Oud Gereformeerde Gemeenten Nederland</emphasis></para>
    <para>dat is gevestigd te Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>die bij de rechtbank allen optraden als gedaagden</para>
      <para>die ook hoger beroep hebben ingesteld,</para>
      <para>hierna gezamenlijk: het Kerkgenootschap c.s. </para>
      <para>advocaat: mr. L.P.J. Krijgsman</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr> [geïntimeerde7]</title>
    <parablock>
      <para>die woont in [plaats3] , [land]</para>
      <para>niet verschenen</para>
      <para>hierna: Van Grootheest</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [appellanten] c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, op 16 augustus 2023.<footnote-ref linkend="_cf56283b-dcce-4ebf-a856-55e523dc5b9f" /> Het Kerkgenootschap c.s. heeft incidenteel beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 6 april 2022. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding in hoger beroep van 10 november 2023</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de dagvaarding in hoger beroep van 15 november 2023</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van grieven </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een akte uitlating producties door het Kerkgenootschap c.s. in het incidenteel hoger beroep</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een antwoordakte van [appellanten] c.s. in het incidenteel hoger beroep </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In deze zaak gaat het om de vraag of de contractuele bepaling in de leveringsovereenkomst tussen [appellanten] c.s. als kopers en de rechtsopvolgers van verkopers die meebrengt dat de horecaonderneming van [appellanten] c.s. op zondagen niet open mag zijn, moet worden ontbonden. De achtergrond daarvan is het volgende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [appellanten] c.s. hebben in 2018 een horecapand in [plaats4] gekocht met daarin een (horeca)onderneming. In de notariële leveringsakte van 17 september 2018 (hierna: de leveringsakte 2018) is een kwalitatieve verplichting met kettingbeding en boetebeding opgenomen die voorschrijven dat – kort weergegeven – de onderneming op zondagen niet open mag zijn. Deze bepalingen (hierna: de Verplichting) luiden als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">A. voor wat betreft [perceelnummer] , nog verwezen naar een akte van transport op achttien januari negentienhonderd drie en zeventig </emphasis>[…]<emphasis role="italic">, in welke akte het navolgende onder meer woordelijk staat vermeld:</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“8. De koper mag in het gekochte geen zaak casu quo onderneming vestigen, welke op zondag voor het publiek geopend is.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">9. De koper of opvolgende verkrijger verbeurt ten behoeve van de verkopers een dadelijk opeisbare boete van tienduizend gulden (ƒ 10.000,--), wanneer de sub 8 gestelde bepaling door de koper respektievelijk opvolgende verkrijger niet of niet volledig wordt nageleefd, terwijl de koper respektievelijk opvolgende verkrijger bovendien voor iedere zondag dat de overtreding duurt een onmiddellijk opeisbare boete verbeurt van éénduizend gulden (ƒ 1.000,--) per zondag.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">10. De koper of opvolgende verkrijger is verplicht bij gehele of gedeeltelijke vervreemding van het gekochte de hierboven sub 8 en 9 omschreven bepalingen, zomede de onderhavige bepaling, in de akte van vervreemding op te nemen; </emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">voorts moeten de bepalingen sub 8 en 9 alsmede deze bepaling door de vervreemder ten behoeve van de verkopers bij elke vervreemding worden aangenomen, terwijl bij verzuim van één dezer voorschriften de vervreemder, die het verzuim gepleegd heeft, persoonlijk voor de nakoming van al de gemelde bepalingen aansprakelijk blijft en ten behoeve van de verkopers een boete verbeurt ten bedrage van tienduizend gulden (ƒ 10.000,--).” </emphasis>[…]</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor zover het gaat om rechten die ten behoeve van derden zijn bedongen, worden die rechten bij deze tevens door de verkoper voor die derden aangenomen.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij de oorspronkelijke transportakte van 18 januari 1973 waren veertien oorspronkelijke verkopers partij. In 2007 heeft (een makelaar van) de toenmalige eigenaar van het pand de schuldeisers verzocht om de Verplichting te laten vervallen. Van de negen nog levende oorspronkelijke verkopers hebben er toen acht met dit verzoek ingestemd. Zij hebben daartoe een afstandsverklaring ondertekend. Ook een aantal erfgenamen van de oorspronkelijke verkopers heeft daarmee ingestemd. Een overzicht van de personen die een afstandsverklaring hebben afgelegd, is opgenomen in de leveringsakte 2018.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Begin 2021 heeft de advocaat van [appellanten] c.s. de (erfgenamen van de) oorspronkelijke verkopers die in 2018 niet (volledig) hadden ingestemd, opnieuw verzocht om in te stemmen met het laten vervallen van de Verplichting, onder wie het Kerkgenootschap c.s. Het Kerkgenootschap c.s. hebben niet ingestemd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [appellanten] c.s. hebben vervolgens bij de rechtbank ontbinding gevorderd van de Verplichting zoals opgenomen onder de nummers 8, 9 en 10 van de leveringsakte 2018, omdat deze bepaling in strijd is met het algemeen belang dan wel omdat het Kerkgenootschap c.s. geen belang meer hebben bij de nakoming van de Verplichting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] c.s. afgewezen. De bedoeling van het (principaal) hoger beroep van [appellanten] c.s. is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. De bedoeling van het (incidenteel) hoger beroep van het Kerkgenootschap c.s. is dat [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel dat er niet tot een inhoudelijke beoordeling wordt overgegaan voordat alle betrokkenen in de procedure zijn opgeroepen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het oordeel van het hof</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De opzet en conclusie van deze uitspraak </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellanten] c.s. richt zich met een tweetal klachten (‘grieven’) tegen het oordeel van de rechtbank (het ‘principaal hoger beroep’). De rechtbank heeft geoordeeld dat de Verplichting niet in strijd is met het algemeen belang. Volgens [appellanten] c.s. heeft de rechtbank bij dit oordeel een onjuist criterium toegepast en onvoldoende meegenomen of de Verplichting in strijd is met grondrechten en/of universele rechten, in het bijzonder het eigendomsrecht en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. </para>
        <para>Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het Kerkgenootschap c.s. er nog een redelijk belang bij hebben dat deze Verplichting wordt nageleefd. Volgens [appellanten] c.s. heeft de rechtbank bij dit oordeel de aard en de inhoud van de Verplichting onvoldoende in beschouwing genomen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Kerkgenootschap c.s. hebben een klacht tegen het (tussen)vonnis gericht (het ‘incidenteel hoger beroep’). Zij zijn het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] c.s. ontvankelijk zijn in hun vordering. Volgens het Kerkgenootschap c.s. hebben [appellanten] c.s. niet alle betrokken partijen in de procedure opgeroepen (op de voet van artikel 118 Rv). Omdat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, moet dit tot niet-ontvankelijkheid van [appellanten] c.s. leiden, zo stelt het Kerkgenootschap. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof zal hierna de klachten behandelen. De conclusie in het principaal hoger beroep is dat de Verplichting niet wordt ontbonden. De klachten van [appellanten] c.s. slagen niet; het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van het incidenteel hoger beroep en dat het evenmin aanleiding ziet om ambtshalve te toetsen of [appellanten] c.s. alle verkopers/erfgenamen in het geding hebben betrokken. Immers, de leveringsovereenkomst van 17 september 2018 blijft in tact en in zoverre worden de rechten/verplichtingen van de (erfgenamen van) verkopers niet aangetast. </para>
        <para>Het hof wijst de vordering in incidenteel hoger beroep af en bekrachtigt het (tussen)vonnis van de rechtbank. Het hof legt hierna uit hoe deze beslissingen tot stand zijn gekomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vereisten voor de ontbinding van een kwalitatieve verplichting (artikel 6:259 BW)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De in de leveringsakte neergelegde verplichtingen onder A. 8, 9 en 10 (zie onder 2.2 hierboven) zijn juridisch te kwalificeren als kwalitatieve verplichtingen als bedoeld in artikel 6:252 BW. Dergelijke kwalitatieve verplichtingen worden steeds bij levering van een onroerende zaak overgedragen aan de opvolgende koper en zijn in beginsel ‘voortdurend’, tenzij de kwalitatieve verplichting ontbonden of gewijzigd wordt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Op grond van artikel 6:259 lid 1 BW kan de rechter een kwalitatieve verplichting in twee situaties ontbinden:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>Indien ten minste tien jaren na het sluiten van de overeenkomst zijn verlopen en het ongewijzigd voortduren van de verplichting in strijd is met het algemeen belang;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Indien de schuldeiser bij de nakoming van de verplichting geen redelijk belang meer heeft en het niet aannemelijk is dat dit belang zal terugkeren.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het hof merkt op dat zowel [appellanten] c.s. als het Kerkgenootschap c.s. in hun stukken niet altijd een duidelijk onderscheid maken tussen het algemeen belang (onder a) en het redelijke belang (onder b). Voor beide situaties geldt echter een andere juridische toets. Deze twee wijzen van ontbinding moeten dus van elkaar worden onderscheiden.<footnote-ref linkend="_7521ba01-f935-4686-9414-59add105940b" /> Het hof zal dit onderscheid daarom in dit arrest aanhouden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verplichting is niet in strijd met het algemeen belang (artikel 6:259 lid 1 onder a BW)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De wet definieert niet wat precies moet worden verstaan onder ‘strijd met het algemeen belang’. De parlementaire geschiedenis geeft als voorbeeld een beding dat duidelijk een overwegend ongunstige invloed heeft op de economische ontwikkeling van de omgeving.<footnote-ref linkend="_21cd7873-817e-4aad-b0a1-bfc43380cb4e" /> Uit de jurisprudentie volgt dat het kan gaan om uiteenlopende belangen van maatschappelijke aard, die na het sluiten van de overeenkomst ook kunnen veranderen.<footnote-ref linkend="_bd5311d2-e42e-44cd-8e34-8e4636f534d7" /> Voor de hand ligt dat het algemeen belang het individueel belang overstijgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>
        [appellanten] c.s. hebben gesteld dat het beding in strijd is met het algemeen belang. Volgens [appellanten] c.s. is het beding strijdig met grondrechten en universele rechten, omdat het inbreuk maakt op het eigendomsrecht, in tijd onbegrensd is en zich uitstrekt tot (ver) buiten de partijen die de overeenkomst oorspronkelijk zijn aangegaan. Daarbij moet ook het verplichtende karakter van het beding in ogenschouw worden genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Het beding maakt daarnaast inbreuk op de vrijheid van geloofsovertuiging, zo stellen [appellanten] c.s. Het beding legt mensen die niet de geloofsovertuiging hebben dat de zondag een rustdag is, de verplichting op om zich toch conform die geloofsovertuiging te gedragen. De Zondagswet en de Arbeidstijdenwet, waarnaar het Kerkgenootschap c.s. hebben verwezen, gelden specifiek voor werknemers en zijn ervoor bedoeld om, ter waarborging van de vrijheid van geloofsovertuiging, werknemers ervoor te behoeden dat zij kunnen worden verplicht tot arbeid op zondag. Het beding heeft juist het tegenovergestelde effect, omdat het (een verplichting tot de uitoefening van) een geloofsovertuiging oplegt.</para>
        <para>
          [appellanten] c.s. stellen daarbij dat de zondagsrust in [plaats4] niet strenger in acht wordt genomen dan in andere delen van Nederland. Die conclusie kan niet worden getrokken uit de overgelegde uitslag van het referendum uit 2015, waarbij een meerderheid van de inwoners van de gemeente [gemeentenaam] zich heeft uitgesproken tegen het openen van winkels op zondag. Het gaat hier namelijk niet om een winkel, maar om een horecagelegenheid. Horecagelegenheden is het wettelijk toegestaan om op zondagen open te zijn en dat is ook landelijk gebruikelijk. Ook in [plaats4] zijn nagenoeg alle horecagelegenheden op zondagen geopend. Dat de onderneming van [appellanten] c.s. niet open kan op zondagen, brengt haar in een zeer ongunstige concurrentiepositie.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Het Kerkgenootschap c.s. hebben betwist dat het beding strijdig is met het algemeen belang. Volgens het Kerkgenootschap c.s. is van strijd met het algemeen belang geen sprake indien het slechts gaat om het belang van één of een klein aantal (rechts)personen. Niet elke inperking van een individueel vrijheidsrecht levert strijd met het algemeen belang op, zo voert het Kerkgenootschap aan. Artikel 6:259 BW is niet bedoeld voor de bescherming van grond- en mensenrechten. Van een schending daarvan is ook geen sprake, omdat de verplichting niet discriminerend is. [appellanten] c.s. hebben het beding bovendien aanvaard door het pand te kopen. </para>
        <para>Het Kerkgenootschap c.s. betwisten verder dat niet langer breed maatschappelijk aanvaard zou worden dat de zondag een rustdag is. De Zondagswet en de Arbeidstijdenwet laten zien dat dit nog steeds het wettelijk uitgangspunt is. Specifiek voor [plaats4] geldt dat uit het referendum blijkt dat een groot deel van de inwoners in de gemeente belang hecht aan de zondagsrust. [plaats4] behoort nog altijd tot de <emphasis role="italic">bible belt</emphasis>. Het onderscheid dat [appellanten] c.s. maken tussen horeca en winkels, is niet relevant. Het gaat erom dat er maatschappelijk draagvlak bestaat voor de zondagsrust. [appellanten] c.s. worden niet in een belang geschaad op een manier die onrechtmatig of in strijd met de goede zeden of de openbare orde is. Van strijd met het algemeen belang is dus geen sprake, aldus het Kerkgenootschap c.s.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Het hof stelt voorop dat voor strijd met het algemeen belang in de zin van artikel 6:259 lid 1 BW niet is vereist dat sprake is van onrechtmatigheid, of strijd met de goede zeden of de openbare orde, zoals het Kerkgenootschap c.s. hebben aangevoerd. Dat vergt een andere toets, die niet aan artikel 6:259 lid 1 BW ten grondslag ligt. Evenmin is bepalend dat [appellanten] c.s. het beding hebben aanvaard, dan wel het pand vrijwillig hebben gekocht. Dat enkele gegeven maakt niet dat [appellanten] c.s. geen beroep meer zouden kunnen doen op artikel 6:259 BW of dat het beding anderszins niet langer strijdig zou kunnen zijn met het algemeen belang. Tot slot kan een schending van grond- en mensenrechten, anders dan het Kerkgenootschap c.s. hebben aangevoerd, onder omstandigheden wel een reden zijn op grond waarvan strijd met het algemeen belang kan worden aangenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Niet elke inperking van een individueel (vrijheids)recht levert strijd met het algemeen belang op. Uit hetgeen het hof hiervoor onder 3.7 heeft overwogen, volgt dat strijd met het algemeen belang impliceert dat niet enkel een individueel belang in het geding is. Dit volgt logischerwijs uit de bewoording <emphasis role="italic">algemeen </emphasis>belang, maar ook bijvoorbeeld uit het in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeeld dat een beding een ongunstige invloed heeft op de economische ontwikkeling <emphasis role="italic">van de omgeving</emphasis>. In zoverre is in dit kader niet relevant of de zondagsluiting van de horeca van [appellanten] c.s. hen in een ongunstige concurrentiepositie plaatst dan wel dat andere horeca in [plaats4] wel op zondag open is. [appellanten] c.s. hebben niet gesteld en/of toegelicht dat en in welke mate de gestelde concurrentiepositie een ongunstige invloed heeft op de omgeving, bijvoorbeeld vanwege een onevenwichtige marktwerking, en dus in strijd komt met het algemeen belang.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>De Verplichting, die valt binnen de grenzen van contractvrijheid, geeft uiting aan de geloofsovertuiging van het Kerkgenootschap c.s. waarvan zij als schuldeisers in beginsel nakoming kunnen verlangen. Dat het uiten van de vrijheid van geloofsovertuiging tot effect kan hebben dat daarmee diezelfde (of een andere) vrijheid van een ander wordt beperkt, zoals hier de mogelijkheid om op zondag geopend te zijn, betekent niet zonder meer dat sprake is van strijd met het algemeen belang.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>
        [appellanten] c.s. hebben onvoldoende duidelijk gemaakt dat het beding het <emphasis role="italic">algemeen </emphasis>belang raakt. Het enkele feit dat de Verplichting naar zijn aard een verplichting omvat die in tijd onbegrensd is en alle toekomstige eigenaren van het pand treft, brengt nog niet mee dat sprake is van strijd met het algemeen belang bij handhaving daarvan. [appellanten] c.s. wijzen erop dat het effect van de Verplichting bovendien een brede kring van personen treft die zich uitstrekt tot (ver) buiten de partijen die de overeenkomst oorspronkelijk zijn aangegaan. Dit door [appellanten] c.s. genoemde effect is inherent aan een kwalitatieve verplichting met kettingbeding, dat bij wet is geregeld en waaraan rechtsopvolgers van de oorspronkelijke partijen ook zijn gebonden dan wel daaraan rechten kunnen ontlenen. Bovendien wijzen [appellanten] c.s. daarbij met name op het individuele belang van de (toekomstige) eigenaren van het pand om niet aan het beding gebonden te zijn. Waarom daarmee sprake zou zijn van strijd met het <emphasis role="italic">algemeen</emphasis> belang, hebben [appellanten] c.s. niet gesteld en/of toegelicht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>Evenmin hebben [appellanten] c.s. voldoende onderbouwd dat het beding een zodanige inbreuk maakt op de vrijheid van geloofsovertuiging dat sprake is van strijd met het algemeen belang. [appellanten] c.s. stellen dat het beding meebrengt dat mensen die niet de overtuiging hebben dat de zondag een rustdag is, in deze overtuiging worden beperkt en dat dat strijdig is met de grondrechten en/of universele rechten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Voor zover [appellanten] c.s. hebben beoogd te stellen dat het effect van de Verplichting niet alleen de (opvolgende) contractpartijen treft, maar ook een zeer grote groep personen daarbuiten, hebben [appellanten] c.s. dit onvoldoende concreet gemaakt. [appellanten] c.s. hebben niet toegelicht om welke (groep van) personen het gaat (bijvoorbeeld de mensen in de nabije omgeving van de cafetaria), hoeveel mensen het betreft, dat zij zich door de sluiting op zondag beperkt voelen in hun vrijheid van levensovertuiging en wat die levensovertuiging dan inhoudt. Tussen partijen is niet in geschil dat andere horecagelegenheden in [plaats4] wel open zijn op zondag. Daaruit volgt dat personen die niet de geloofsovertuiging van de zondagsrust hebben, op zichzelf vrij zijn om op zondagen van een andere horecagelegenheid gebruik te maken. De gedwongen zondagsluiting belet ook niet [appellanten] c.s. om hun eigen geloof te belijden of te praktiseren. Op basis van de aangevoerde feiten en omstandigheden kan het hof in dit geval dan ook geen strijd met het algemeen belang vaststellen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het Kerkgenootschap c.s. hebben een redelijk belang bij de nakoming van de verplichting (artikel 6:259 lid 1 onder b BW)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <parablock>
        <para>Wat precies moet worden verstaan onder een ‘redelijk belang bij nakoming’ volgt niet uit de wet. De parlementaire geschiedenis noemt een voorbeeld van een situatie waarin het redelijk belang van begin af aan heeft ontbroken, namelijk wanneer de verkoper van een stuk grond bedingt dat daarop nimmer een kerkgebouw voor een bepaalde godsdienstige groepering zal mogen worden gebouwd, omdat hij als tegenstander van die kerkelijke richting wenst te voorkomen dat daaraan faciliteiten worden verleend.<footnote-ref linkend="_4bbdd807-2f59-4716-8338-013de33e3ed1" /></para>
        <para>Onder het ontbreken van een redelijk belang mag verder niet worden begrepen het geval dat de uitoefening van het recht in strijd met het algemeen belang zou zijn.<footnote-ref linkend="_f3184f8c-7f52-4309-bad9-13146c3110e5" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Daarnaast volgt uit de wetsgeschiedenis dat artikel 5:79 BW (de opheffing van een erfdienstbaarheid wegens het ontbreken van een redelijk belang) en artikel 6:259 BW vergelijkbare bepalingen zijn en dat het daarom niet wenselijk is als beide regelingen onnodig uiteenlopen.<footnote-ref linkend="_6dbf49d1-ef62-4fa7-9f05-335f50a484b5" /> Artikel 5:79 BW beoogt met betrekking tot het redelijk belang aansluiting te zoeken bij artikel 6:259 BW.<footnote-ref linkend="_e157cccc-caaa-464e-b95b-5b46abd408b3" /> Voor de invulling van het begrip redelijk belang kan dus (over en weer) aansluiting worden gezocht bij beide regelingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <parablock>
        <para>De beoordelingsmaatstaf van het ontbreken van redelijk belang in de zin van artikel 5:79 BW gaat alleen uit van het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht (het heersende erf). Dat betekent dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij opheffing geen rol spelen, behoudens in het geval van misbruik van bevoegdheid.<footnote-ref linkend="_244cc088-d75d-43f5-a84e-fa544a065b5a" /></para>
        <para>Bij de ontbinding van een kwalitatieve verplichting brengt dit mee dat voor de beoordeling of de schuldeiser een redelijk belang heeft bij de nakoming van de verplichting, in beginsel enkel moet worden uitgegaan van de belangen van de schuldeiser bij handhaving van die verplichting. Voor een afweging van de belangen van beide partijen is geen plaats, behoudens in het geval van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW), waarover straks meer. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat het Kerkgenootschap c.s. nog een redelijk belang hebben bij de nakoming van de Verplichting. [appellanten] c.s. klagen in hoger beroep dat de rechtbank bij dit oordeel de inhoud en strekking ten onrechte niet heeft meegenomen en dat het niet gaat om een subjectief belang van het Kerkgenootschap c.s. (met andere woorden: of het Kerkgenootschap c.s. het belangrijk vinden dat de verplichting wordt nageleefd), maar om een rechtens te respecteren belang. Dat rechtens te respecteren belang ontbreekt volgens [appellanten] c.s. , omdat – zakelijk weergegeven – de Verplichting door vererving steeds verder is verwaterd, een aantal rechthebbenden niet eens op de hoogte was van de Verplichting en de maatschappelijke visie op de zondagsrust is veranderd. </para>
        <para>Ook stellen [appellanten] c.s. dat het redelijk belang ontbreekt, omdat de Verplichting fundamenteel strijdig is met de vrijheid van godsdienst. Zij verwijzen daarbij naar het voorbeeld dat wordt gegeven in de parlementaire geschiedenis (hiervoor weergegeven onder 3.17). </para>
        <para>Als uit de aard en strekking van het beding niet reeds misbruik van bevoegdheid door het Kerkgenootschap c.s. volgt, dan is in ieder geval sprake van een kennelijke onevenredigheid tussen de belangen van [appellanten] c.s. en het Kerkgenootschap c.s. aldus nog steeds [appellanten] c.s.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens het Kerkgenootschap c.s. is wel sprake van een redelijk belang, omdat zij de intentie van de oorspronkelijke verkopers willen voortzetten. Dat is een te respecteren belang op grond van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Daarnaast wil geïntimeerde onder 5, [geïntimeerde5] , als erfgenaam de wens van zijn ouders (oorspronkelijk verkopers) respecteren. Zowel [geïntimeerde5] als zijn ouders hebben zelf in het pand gewoond. Tot slot hebben geïntimeerden onder 1, 3, 4 en 6 (kerkgenootschappen en stichting) een rechtstreeks belang bij de naleving van de Verplichting. Zij ontlenen hun bestaansrecht aan giften en legaten van hun achterban, voor wie de zondagsrust een belangrijk principe is dat niet zomaar kan worden losgelaten. Het loslaten van de nakoming van de Verplichting zou afbreuk doen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van deze geïntimeerden tegenover hun achterban. </para>
        <para>De verwijzing naar het voorbeeld in de parlementaire geschiedenis gaat volgens het Kerkgenootschap c.s. niet op, omdat het beding in dat voorbeeld, anders dan de Verplichting, een verboden onderscheid maakt en dus discrimineert.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22.</nr>
      <para>Het hof vindt de Verplichting niet vergelijkbaar met het voorbeeld dat in de parlementaire geschiedenis wordt gegeven. Het beding in de parlementaire geschiedenis heeft een onmiskenbaar discriminatoir karakter, gericht tegen een specifieke godsdienstige groepering. Daar is in het concrete geval van de Verplichting geen sprake van: de Verplichting is niet gericht tegen een specifieke godsdienstige groepering en sluit verder ook geen groepen uit. Een situatie zoals genoemd in de parlementaire geschiedenis, doet zich hier dus niet voor. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23.</nr>
      <para>Zoals het hof onder 3.19 - 3.21 heeft overwogen, gaat de beoordelingsmaatstaf ten aanzien van het ontbreken van redelijk belang in beginsel enkel uit van het belang van het Kerkgenootschap c.s. als rechthebbenden. Het Kerkgenootschap c.s. hebben gemotiveerd aangevoerd wat hun belangen zijn bij de nakoming van de Verplichting. In dit concrete geval hebben [appellanten] c.s. onvoldoende onderbouwd dat het (actief) uitdragen van de godsdienstige overtuiging van het Kerkgenootschap c.s. in de huidige omstandigheden niet (langer) is aan te merken als een redelijk belang. Dat de waarde die de inwoners van de gemeente [plaats4] aan de zondagsrust hechten, inmiddels zodanig laag is (geworden) dat het Kerkgenootschap c.s. geen in redelijkheid te respecteren belang meer heeft bij de nakoming van de Verplichting, blijkt onvoldoende uit de overgelegde stukken. Het enkele feit dat de gemeente [gemeentenaam] toestaat dat de horeca op zondag geopend is, is daarvoor niet voldoende. Dat een meerderheid van de inwoners van [plaats4] zich heeft uitgesproken tegen het openen van winkels op zondag, zoals het Kerkgenootschap c.s. hebben aangevoerd en [appellanten] c.s. onvoldoende hebben weersproken, geeft aan dat er nog altijd draagvlak is voor het respecteren van de zondagsrust. Het is bovendien aannemelijk dat de kerkgenootschappen en de stichting (geïntimeerden onder 1, 3, 4 en 6) een achterban hebben die ook belang hecht aan de geloofsovertuiging van de zondagsrust, en dat zij deze overtuiging ook omwille van hun achterban niet kunnen en willen loslaten. Uit de stellingen van [appellanten] c.s. volgt kortom onvoldoende dat sprake is van het ontbreken van een redelijk belang bij het Kerkgenootschap c.s. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24.</nr>
      <para>De belangen van [appellanten] c.s. doen hierbij in beginsel niet ter zake. Dat kan anders zijn bij misbruik van bevoegdheid, bijvoorbeeld indien sprake is van een onevenredigheid tussen het belang van het Kerkgenootschap c.s. bij nakoming van de Verplichting, en het belang van [appellanten] c.s. dat daardoor wordt geschaad. Daarvan kan onder andere sprake van zijn als een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan de ander te schaden, of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Bij de onevenredigheidstoets van artikel 3:13 BW is een zuivere belangenafweging onvoldoende: het gaat om zo’n groot verschil tussen beide belangen dat de partij die de bevoegdheid uitoefent, daartoe in redelijkheid niet kan worden toegelaten.<footnote-ref linkend="_5f6abec2-1763-4aa0-9079-a4886a40d566" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25.</nr>
      <para>In dit concrete geval hebben [appellanten] c.s. dit grote verschil – en dus de vereiste onevenredigheid – tussen beide belangen niet genoeg inzichtelijk gemaakt. De stellingen van [appellanten] c.s. zijn, mede in het licht van de concrete en gemotiveerde argumenten van het Kerkgenootschap c.s. , te algemeen en te weinig onderbouwd. De argumenten die [appellanten] c.s. hebben aangevoerd (zoals hun eigen concurrentiepositie en de zondagsopening van andere horeca) tegenover de belangen die het Kerkgenootschap c.s. hebben aangevoerd, zijn te weinig van gewicht om te kunnen concluderen tot misbruik van recht. [appellanten] c.s. hebben, anders gezegd, onvoldoende gesteld en onderbouwd hoe hun belangen zich verhouden tot de belangen van het Kerkgenootschap c.s. Misbruik van bevoegdheid kan daarom niet worden aangenomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26.</nr>
      <para>Het principaal hoger beroep van [appellanten] c.s. slaagt niet. Omdat [appellanten] c.s. in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] c.s. tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.<footnote-ref linkend="_6173c624-4606-4dec-a759-d4c5d739e691" /> Het hof heeft de vraag of [appellanten] c.s. alle partijen die betrokken zijn bij dit geschil heeft opgeroepen op de voet van artikel 118 Rv in het midden gelaten nu [appellanten] c.s. in principaal hoger beroep geen gelijk hebben gekregen. Het hof ziet dan ook aanleiding om de kosten in het incidenteel hoger beroep tussen partijen te compenseren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27.</nr>
      <para>De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">In het principaal hoger beroep:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 16 augustus 2023 en gecorrigeerd bij vonnis van 29 september 2023; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [appellanten] c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van het Kerkgenootschap c.s. :</para>
        <para>€ 783,- aan griffierecht</para>
        <para>€ 1.214,- aan salaris van de advocaat van het Kerkgenootschap c.s. (1 procespunt x appeltarief II)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">In het incidenteel hoger beroep:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 6 april 2022; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. de Waele, R.A. Dozy en N.M. Brouwer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 september 2025. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_cf56283b-dcce-4ebf-a856-55e523dc5b9f" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBGEL:2023:4637</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7521ba01-f935-4686-9414-59add105940b" label="2">
    <para> Eindverslag I, <emphasis role="italic">Parl. Gesch. boek 6</emphasis>, p. 986.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_21cd7873-817e-4aad-b0a1-bfc43380cb4e" label="3">
    <para> T-M, <emphasis role="italic">Parl. Gesch. BW Boek 6</emphasis>, p. 980.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd5311d2-e42e-44cd-8e34-8e4636f534d7" label="4">
    <para> HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3642.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4bbdd807-2f59-4716-8338-013de33e3ed1" label="5">
    <para> T-M <emphasis role="italic">Parl. Gesch. BW Boek 6</emphasis>, p. 980.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f3184f8c-7f52-4309-bad9-13146c3110e5" label="6">
    <para> Asser/Sieburgh 6-III 2022/561.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6dbf49d1-ef62-4fa7-9f05-335f50a484b5" label="7">
    <para> MvA II, <emphasis role="italic">Parl. Gesch. BW boek 5,</emphasis> p. 276.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e157cccc-caaa-464e-b95b-5b46abd408b3" label="8">
    <para> MvA II, <emphasis role="italic">Parl. Gesch. BW boek 5</emphasis>, p. 283.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_244cc088-d75d-43f5-a84e-fa544a065b5a" label="9">
    <para> HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, r.o. 3.5 en HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2373, r.o. 4.3. Tevens: conclusie A-G Valk 24 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:489, sub 3.33 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f6abec2-1763-4aa0-9079-a4886a40d566" label="10">
    <para> HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0878, r.o. 3.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6173c624-4606-4dec-a759-d4c5d739e691" label="11">
    <para>HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>