<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2025:4586</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-03T08:00:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.354.342</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroepKortGeding">Hoger beroep kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:4586">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:4586</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-28T12:23:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:4586 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-07-2025 / 200.354.342</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2025:4586:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appellanten zijn niet-ontvankelijk. Appeldagvaarding een dag te laat.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2025:4586:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.354.342</para>
      <para>zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 11567820</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest in kort geding van 22 juli 2025 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellant1]</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [appellant2]</emphasis>
      </para>
      <para>die wonen in [woonplaats1]</para>
      <para>die hoger beroep hebben ingesteld</para>
      <para>en bij de voorzieningenrechter optraden als gedaagden</para>
      <para>hierna samen: [appellanten] (in mannelijk meervoud)</para>
      <para>advocaat: mr. A. Coskun</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Volkshuisvesting Arnhem</emphasis>
      </para>
      <para>die is gevestigd in Arnhem</para>
      <para>die bij de voorzieningenrechter optrad als eiseres</para>
      <para>hierna: Volkshuisvesting</para>
      <para>advocaat: mr. B.H.H.M. Ramakers</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij exploot van dagvaarding van 23 april 2025 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter) op 25 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. In voormeld exploot vorderen [appellanten] dat het hof hen ontvankelijk verklaart in hoger beroep, voor zover het hof zou oordelen dat de appeltermijn is overschreden en daarnaast dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis wordt geschorst op grond van artikel 351 Rv. Volkshuisvesting heeft vervolgens een antwoordconclusie genomen in het incident, waarin zij tevens is ingegaan op de ontvankelijkheid van [appellanten] in het hoger beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het hof heeft arrest bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De ontvankelijkheid van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het hof zal oordelen dat [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in hoger beroep en licht dat hieronder toe. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">standpunten partijen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [appellanten] stellen, voor zover het hof oordeelt dat de appeltermijn van artikel 339 lid 2 Rv is overschreden, ontvankelijk te zijn in hoger beroep en voeren hiervoor het volgende aan. Omdat het bestreden vonnis (nog) niet is betekend, is de appeltermijn niet gaan lopen en daarnaast bedraagt de eventuele overschrijding van de appeltermijn hooguit één dag en is deze verschoonbaar, omdat appellanten onmiddellijk – de eerstvolgende werkdag – na kennisneming van het vonnis tot betekening van de appeldagvaarding zijn overgegaan. Volkshuisvesting voert aan dat [appellanten] te laat in hoger beroep zijn gekomen, omdat zij op 25 maart 2025 al kennis hebben kunnen nemen van het vonnis en het vonnis daarnaast op 7 april 2025 aan hen is betekend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">oordeel hof</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 339 lid 2 Rv bedraagt de termijn waarbinnen hoger beroep van een kort geding vonnis kan worden ingesteld vier weken, te rekenen vanaf de dag van het vonnis dan wel de dag van de mondelinge uitspraak.</para>
        <para>Wettelijke termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast. Daarbij is uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddelentermijnen strikt de hand moet worden gehouden. De Hoge Raad heeft (meermaals) bepaald dat op dit uitgangspunt slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten.<footnote-ref linkend="_6733889e-47d2-4ff1-9d70-a42ad7404295" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Artikel 339 Rv knoopt voor de termijn voor het instellen van hoger beroep aan bij de dag van de uitspraak van het vonnis. De appeltermijn gaat dus niet pas lopen na betekening van het vonnis, zoals [appellanten] stellen. In de onderhavige zaak is het vonnis op 25 maart 2025 in het openbaar uitgesproken. Dat betekent dat de termijn van vier weken met ingang van de dag erna, dus op woensdag 26 maart 2025, is gaan lopen,<footnote-ref linkend="_a5f39b0c-200b-435c-85d6-5d9bbddaa3dc" /> en is geëindigd op dinsdag 22 april 2025. Aangezien de appeldagvaarding is uitgebracht op 23 april 2025, is het hoger beroep (een dag) te laat ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [appellanten] beroepen zich op de verschoonbaarheid van deze termijnoverschrijding, omdat deze slechts één dag betreft en zij direct – de eerstvolgende werkdag – nadat zij kennis hebben genomen van het vonnis, tot betekening van de appeldagvaarding zijn overgegaan. Dat [appellanten] pas op 22 april 2025 kennis zouden hebben genomen van het vonnis, zoals zij stellen, acht het hof niet aannemelijk. Zij hebben dat niet toegelicht of onderbouwd. Volkshuisvesting heeft voldoende aangetoond dat het vonnis op 25 maart 2025 aan de advocaat van [appellanten] is verstrekt, door onder andere een e-mail over te leggen van de rechtbank van 25 maart 2025 waarmee het vonnis (op voorhand) digitaal is toegestuurd (productie 2 bij memorie van antwoord in het incident). Indien op de dag van openbaarmaking een afschrift van de uitspraak aan de procesvertegenwoordiger van een partij wordt verzonden, is deze ermee bekend dat het vonnis is uitgesproken en behoort het tot zijn taak ervoor zorg te dragen dat het rechtsmiddel binnen de daarvoor geldende termijn wordt ingesteld.<footnote-ref linkend="_c81d0137-d5ee-40b6-80f9-c407f7982615" /> Daarnaast blijkt uit het door Volkshuisvesting overgelegde exploot van betekening dat het vonnis op 7 april 2025 aan [appellanten] is betekend (productie 1 bij memorie van antwoord in het incident). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Dat de termijnoverschrijding slechts één dag betreft, maakt deze evenmin verschoonbaar. Aan de rechtsmiddelentermijnen moet strikt de hand worden gehouden om de rechtszekerheid te dienen. [appellanten] hebben geen bijzondere omstandigheden aangedragen die een uitzondering op deze strikte regels inzake rechtsmiddeltermijnen rechtvaardigen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">vordering in incident</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Omdat [appellanten] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hoger beroep, komt het hof niet toe aan de inhoudelijke behandeling van de incidentele vordering van [appellanten] </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Het hof zal [appellanten] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.<footnote-ref linkend="_62c9b681-1ce6-4012-abba-0f53f556c5d6" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van Volkshuisvesting:</para>
        <para>€ 827,- aan griffierecht;</para>
        <para>€ 1.214,- aan salaris van de advocaat van Volkshuisvesting (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, D.M.I. De Waele en G.R. den Dekker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_6733889e-47d2-4ff1-9d70-a42ad7404295" label="1">
    <para> Vgl. (o.a.) Hoge Raad 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413; Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1307.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5f39b0c-200b-435c-85d6-5d9bbddaa3dc" label="2">
    <para> Vgl. (o.a.) Hoge Raad 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c81d0137-d5ee-40b6-80f9-c407f7982615" label="3">
    <para> Vgl. Hoge Raad 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9066.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_62c9b681-1ce6-4012-abba-0f53f556c5d6" label="4">
    <para>Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>