<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2025:3646</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-16T11:28:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.353.903/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:3646">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:3646</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-16T11:27:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:3646 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-06-2025 / 200.353.903/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2025:3646:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Ex artikel 29 lid 1 Wgbz tegen door de griffier vastgesteld griffierecht. De procedure waarin griffierecht is geheven is gebaseerd op Verzetprocedure artikel 44 lid 2 Wzd.</para>
        <para>Het hof stelt vast dat de indiening van een op de Wzd gebaseerd verzoekschrift niet wordt genoemd in artikel 4 lid 1 en lid 2 Wgbz en evenmin in artikel 1 van de Regeling griffierechten burgerlijke zaken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>Ook voor procedures gebaseerd op de Wet Bopz gold in het verleden dat deze niet in de Wgbz en evenmin in de Regeling griffierechten burgerlijke zaken waren vrijgesteld van griffierecht. De Hoge Raad heeft voor dit type zaken echter een uitzondering aangenomen. </para>
      <para />
      <para>De Wvggz is één van de twee opvolgers van de Wet Bopz. Ook Wvggz-zaken worden niet genoemd in de opsommingen van artikel 4 lid 1 en 2 Wgbz en evenmin in artikel 1 van de Regeling griffierechten burgerlijke zaken. In de rechtspraak  en literatuur wordt aangenomen dat – in het verlengde van wat de Hoge Raad onder 3.2 van haar beschikking van 30 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV7679) heeft overwogen – vrijstelling van griffierecht in Wvggz-zaken wel de bedoeling is. Het beleid van de Hoge Raad is dan ook dat bij zaken op grond van de Wvggz geen griffierecht in rekening wordt gebracht. </para>
      <para />
      <para>De Wzd is de andere opvolger van de Wet Bopz. Aard, doel en strekking van de Wzd en de Wvggz zijn vergelijkbaar. De Wzd en Wvggz zijn beide bedoeld om de rechten van mensen te waarborgen wanneer zij in aanraking komen met gedwongen zorg. Het gaat ook bij de Wzd om procedures met betrekking tot maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, voor het bestrijden waarvan geen financiële drempels behoren te worden opgeworpen. Het hof is van oordeel dat procedures op grond van de Wzd moeten zijn vrijgesteld van griffierecht. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2025:3646:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.353.903		</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 17 juni 2025 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ( [verzoeker] )</emphasis>
      </para>
      <para>die woont in [woonplaats]</para>
      <para>advocaat: mr. S.A.H. Kool</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de griffier van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (de griffier)</emphasis>
      </para>
      <para>die is gevestigd in Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend waarmee hij in verzet komt tegen de beslissing van de griffier griffierecht te heffen in de hoger beroepsprocedure bij dit gerechtshof (hierna: het hof) tussen [verzoeker] en Stichting Sensire (hierna: Sensire). Volgens [verzoeker] is sprake van een uitzondering op grond waarvan hij geen griffierecht verschuldigd is. Het hof is het daarmee eens en zal het verzet van [verzoeker] gegrond verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De achtergrond van de procedure en het ingestelde verzet</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft bij verzoekschrift aan de rechtbank Gelderland gevraagd om Sensire te veroordelen een schadevergoeding te betalen naar billijkheid op grond van artikel 44 lid 2 Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd). In die procedure heeft hij gesteld dat hij nadeel heeft geleden doordat hij zonder rechtsgeldige titel, en tegen zijn wil, in een verpleeghuis van Sensire opgenomen is geweest. De rechtbank heeft het verzoek van [verzoeker] afgewezen in de beschikking van 15 juli 2024. [verzoeker] is het niet eens met die beslissing en heeft hoger beroep ingesteld bij dit hof. De zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer: 200.347.010. Daarin is op 15 mei 2025 uitspraak gedaan.<footnote-ref linkend="_d7f087f5-36d3-4fdd-b644-3b58a03235aa" /> De beschikking van de rechtbank is vernietigd, Sensire is veroordeeld tot het betalen van een bedrag aan schadevergoeding en de kosten van het geding in hoger beroep zijn gecompenseerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De griffier van het hof heeft het griffierecht in de hiervoor genoemde zaak vastgesteld op € 349,00 en in rekening gebracht met de nota griffierecht van 17 oktober 2024. Deze nota werd op 24 oktober 2024 (volledig) gecrediteerd door middel van een creditnota. Op 4 februari 2025 heeft de griffier van het hof per brief aan [verzoeker] laten weten dat het hof voornemens is toch griffierecht te heffen. [verzoeker] ontving op 12 maart 2025 opnieuw een nota griffierecht ter hoogte van € 349,00. Op 7 april 2025 heeft [verzoeker] de nota onder protest voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof heeft op 11 april 2025 een verzoekschrift ontvangen waarin [verzoeker] op grond van artikel 29 lid 1 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) in verzet komt tegen het door de griffier geheven griffierecht (hierna: het verzetschrift). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De griffier heeft schriftelijk verweer gevoerd en verzocht het verzet tegen het geheven griffierecht ongegrond te verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft – met toestemming van het hof – op 26 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het verweerschrift van de griffier. Vervolgens hebben partijen afgezien van een mondelinge behandeling. De griffier heeft verder laten weten niet te zullen reageren op laatstgenoemde schriftelijke reactie van [verzoeker] . Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Per abuis heeft het hof een eerder ontvangen brief van [verzoeker] (ontvangen op 13 februari 2025) waarin [verzoeker] bezwaar maakte tegen de aankondiging van de griffier dat alsnog griffierecht zou worden geheven, aangemerkt als verzetschrift en geregistreerd als nieuwe zaak (met zaaknummer: 200.351.119). Na overleg met mr. Kool en de griffier is besloten deze zaak door te halen. Ook is afgesproken dat het verzetschrift dat [verzoeker] nog zou indienen nadat het griffierecht door hem was voldaan, als nieuwe zaak met een nieuw zaaknummer zou worden geregistreerd (onderhavige zaak). Dit verzetschrift (met bijlagen) vormt de basis van de beslissing die het hof in deze beschikking neemt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De toelichting op de beslissing van het hof</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoeker] stelt dat hij van griffierecht moet worden vrijgesteld vanwege de aard van zijn hoger beroepsprocedure, dan wel omdat heffing van het griffierecht onder de omstandigheden van dit geval in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</para>
        <para>Het hof is het daarmee eens en zal hierna uitleggen hoe het tot die beslissing komt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er bestaat geen wettelijke vrijstelling van griffierecht voor Wzd-zaken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Artikel 3 lid 2 Wgbz bepaalt dat voor de indiening van een verzoekschrift of een verweerschrift een griffierecht wordt geheven, voor zover bij of krachtens die wet of een andere wet niet anders is bepaald. Artikel 4 Wgbz schrijft voor in welke gevallen <emphasis role="italic">geen</emphasis> griffierecht wordt geheven. In lid 1 en lid 2 zijn in dat kader opsommingen opgenomen en in lid 3 is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld omtrent categorieën van zaken waarin geen griffierecht wordt geheven. De Regeling griffierechten burgerlijke zaken is zo’n ministeriële regeling. De minister heeft in artikel 1 van die regeling een nadere opsomming van zaken gegeven waarin geen griffierecht wordt geheven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof stelt vast dat de indiening van een op de Wzd gebaseerd verzoekschrift niet wordt genoemd in artikel 4 lid 1 en lid 2 Wgbz en evenmin in artikel 1 van de Regeling griffierechten burgerlijke zaken. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De Hoge Raad bepaalde eerder dat Bopz-zaken zijn vrijgesteld van griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Ook voor procedures gebaseerd op de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) gold in het verleden dat deze niet in de Wgbz en evenmin in de Regeling griffierechten burgerlijke zaken waren vrijgesteld van griffierecht. De Hoge Raad heeft voor dit type zaken echter een uitzondering aangenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Met betrekking tot het griffierecht in Bopz-zaken heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 30 maart 2012<footnote-ref linkend="_9696c583-4a9e-42b8-934d-8d2d190e1fb5" /> geconstateerd dat een wettelijke basis voor vrijstelling van griffierecht ontbreekt, dat op dat punt sprake is van een misslag en dat daarom kan worden aangenomen dat Bopz-zaken zijn vrijgesteld van heffing van griffierecht. De Hoge Raad overweegt daartoe als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“3.2 De indiening van verzoek- of verweerschriften als bedoeld in de Wet Bopz is noch in de Wgbz, noch in de op art. 4 lid 3 Wgbz gebaseerde Regeling griffierechten burgerlijke zaken vrijgesteld van de heffing van griffierechten (behoudens de in art. 4 lid 1, aanhef en onder a, Wgbz geregelde algemene vrijstelling voor ambtshalve optreden van het openbaar ministerie).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het gaat bij de Wet Bopz evenwel om procedures met betrekking tot maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, voor het bestrijden waarvan geen financiële drempels behoren te worden opgeworpen. Op overeenkomstige gronden is bijvoorbeeld, in art. 1 lid 1, aanhef en onder f en g, Regeling griffierechten burgerlijke zaken, de indiening verzoek- en verweerschriften strekkende tot en in verband met de ondertoezichtstelling van minderjarigen alsmede strekkende tot en in verband met de ontheffing of de ontzetting uit het gezag of voogdij over minderjarigen van de heffing van griffierecht vrijgesteld. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Wgbz heeft geleid (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 758, nr. 3, blz. 8) is opgemerkt dat deze categorieën zaken voor vrijstelling in aanmerking komen omdat deze zaken worden gevoerd in het algemeen belang of in het belang van een zwakker persoon die bescherming behoeft.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De memorie van toelichting bij het thans bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en enige andere wetten in verband met de verhoging van griffierechten (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 071, nr. 3) gaat op vier plaatsen ervan uit dat Bopz-zaken onder de geldende Wgbz zijn vrijgesteld van de heffing van griffierechten:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Blz. 2: “De financiering van de rechtspraak op het terrein van het strafrecht blijft volledig uit de algemene middelen plaatsvinden. Dat geldt ook voor diverse jeugdzaken (...), bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (...).”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Blz. 5: “De categorieën burgerlijke zaken en bestuurszaken die reeds uitgezonderd zijn van het betalen van griffierechten blijven eveneens ongewijzigd. Het gaat hier onder andere om (...) bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (...).”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Blz. 6: “Daarnaast wordt een beperkte categorie van specifieke onderwerpen gehandhaafd waarvoor een afwijkend of geen griffierecht wordt geheven, zoals (...) bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (...).”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Blz. 8: “9. de uitzonderingen op het griffierecht van de huidige Wgbz en Awb blijven gehandhaafd, bijvoorbeeld voor (...) bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (...).”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aangenomen mag daarom worden dat het ontbreken van Bopz-zaken in de opsomming van zaken die van de heffing van griffierecht zijn vrijgesteld in de Wgbz en de Regeling griffierechten burgerlijke zaken, op een misslag berust en dat de ontheffing, waarvoor, zoals overwogen, een klemmende grond bestaat, ook voor die zaken geldt. (…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vrijstelling voor Bopz-zaken geldt ook voor Wvggz-zaken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) is één van de twee opvolgers van de Wet Bopz. Vrijstelling van griffierecht is tijdens de parlementaire behandeling van de Wvggz opnieuw aan de orde geweest. Aanvankelijk was in artikel 2:4 lid 5 van het wetsvoorstel Wvggz als algemene bepaling opgenomen dat geen vast recht is verschuldigd indien op grond van het in deze wet bepaalde een verzoekschrift wordt ingediend of beroep wordt ingesteld. Omdat de wet ziet op vergaande beperkingen van vrijheden van betrokkene en tot vrijheidsbeneming op last van de Staat, werd het niet wenselijk geacht dat betrokkene griffierechten verschuldigd zou zijn om in rechte tegen deze beperkingen op te komen (<emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2009/10, 32 399, nr. 3, p. 51-52). In de eerste nota van wijziging werd deze tekst vervolgens opgenomen in artikel 1:8 lid 2 wetsvoorstel Wvggz (<emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2013/14<emphasis role="italic">, </emphasis>32 399, nr. 10, p. 5). In de tweede nota van wijziging is dit artikellid vervolgens verdwenen, met als toelichting dat de inhoud van het eerder voorgestelde tweede lid kan vervallen omdat de vrijstelling voor griffierecht zal worden opgenomen in de Regeling griffierechten burgerlijke zaken (<emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2015/16, 32 399, nr. 25, p. 151). Dat laatste is echter nooit gebeurd, waardoor Wvggz-zaken nog steeds niet worden genoemd in de opsommingen van artikel 4 lid 1 en 2 Wgbz en evenmin in artikel 1 van de Regeling griffierechten burgerlijke zaken. Het vervallen van het tweede lid en verzuim de vrijstelling op te nemen in artikel 1 van de regeling wordt gezien als een misslag van de wetgever. In de rechtspraak<footnote-ref linkend="_bf796fca-a6f7-44ba-88a6-ae8ddca13c78" /> en literatuur wordt aangenomen dat – in het verlengde van wat de Hoge Raad onder 3.2 van haar beschikking van 30 maart 2012 heeft overwogen – vrijstelling van griffierecht in Wvggz-zaken wel de bedoeling is. Het beleid van de Hoge Raad is dan ook dat bij zaken op grond van de Wvggz geen griffierecht in rekening wordt gebracht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vrijstelling voor Wvggz-zaken geldt ook voor Wzd-zaken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De Wzd is de andere opvolger van de Wet Bopz. Aard, doel en strekking van de Wzd en de Wvggz zijn vergelijkbaar. De Wzd is voor onvrijwillige zorg bij mensen met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening en de Wvggz is voor onvrijwillige zorg bij mensen met een psychische stoornis. De Wzd en Wvggz zijn beide bedoeld om de rechten van mensen te waarborgen wanneer zij in aanraking komen met gedwongen zorg. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Het gaat ook bij de Wzd om procedures met betrekking tot maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, voor het bestrijden waarvan geen financiële drempels behoren te worden opgeworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat in de hoger beroepsprocedure die [verzoeker] op grond van de Wzd bij dit hof voerde tegen Sensire, geen griffierecht in rekening moest worden gebracht. De griffier heeft nog aangevoerd dat het in deze zaak niet gaat om een procedure met betrekking tot maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, maar om een verzoek tot schadeloosstelling na vrijheidsbeneming op grond van artikel 44 Wzd. Daarop ziet de jurisprudentie van de Hoge Raad volgens de griffier niet. Daarmee miskent de griffier dat de Hoge Raad geen onderscheid heeft gemaakt in het type verzoek dat is ingediend, omdat de wet waarop het verzoek is gegrond ziet op vrijheidsbeneming op last van de Staat, zodat de inhoud van het verzoek in concreto niet van belang is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Het hof zal het verzet van [verzoeker] gegrond verklaren, omdat het van oordeel is dat procedures op grond van de Wzd moeten zijn vrijgesteld van griffierecht. De bespreking van de subsidiaire grondslag (de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) kan daarom achterwege blijven. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>verklaart het verzet gegrond;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>vernietigt de beslissing van de griffier van 12 maart 2025;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>stelt het door [verzoeker] verschuldigde griffierecht in de zaak met zaaknummer 200.347.010 vast op nihil;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>gelast de griffier het betaalde griffierecht van € 349,00 aan [verzoeker] terug te betalen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. Wattel, Th.C.M. Willemse en G.D. Hoekstra, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_d7f087f5-36d3-4fdd-b644-3b58a03235aa" label="1">
    <para> Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3014</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9696c583-4a9e-42b8-934d-8d2d190e1fb5" label="2">
    <para>Hoge Raad, 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7679.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf796fca-a6f7-44ba-88a6-ae8ddca13c78" label="3">
    <para> Zie o.m. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6483, Rechtbank Overijssel, 2 november 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:3789, en rechtbank Midden-Nederland, 24 februari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:711.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>