<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2025:3163</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-27T12:23:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21-003035-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:3163">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:3163</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-27T12:20:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2025:3163 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-05-2025 / 21-003035-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2025:3163:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontnemingszaak. Het hof stelt het bedrag van het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 20.961,73 en legt aan betrokkene een verplichting op tot betaling aan de Staat van eenzelfde bedrag. De gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaalt het hof op 419 dagen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2025:3163:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer:	21-003035-22 </para>
    <para>Uitspraak d.d.:	23 mei 2025</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">ONTNEMINGSZAAK</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 7 juli 2022 met parketnummer 05-880323-19 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak tegen</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [betrokkene] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, </para>
      <para>wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en door betrokkene en zijn raadsman, mr. R.A.C. Frijns, naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij bovengenoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene moet worden geschat, vastgesteld op een bedrag van € 68.575,47. De rechtbank heeft verder aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op eenzelfde bedrag van € 68.575,47 en bepaald dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv kan worden gevorderd ten hoogste 1080 dagen is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep omdat het komt tot een andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en daarmee ook tot een andere betalingsverplichting aan de Staat en duur van de gijzeling. Het hof zal de beslissing waarvan beroep dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 71.215,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 68.575,47 en dat aan hem wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van eenzelfde bedrag van                                 € 68.575,47. De schriftelijke vordering waaruit dit blijkt is na voorlezing aan het hof overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt van de verdediging </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich namens betrokkene primair op het standpunt gesteld dat ervan uitgegaan dient te worden dat betrokkene € 200,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten per keer dat hij heeft gepind. Betrokkene heeft immers slechts een bijrol gehad en is niet aan te merken als pleger of medepleger van de oplichting zoals in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak onder 1 ten laste is gelegd. </para>
      <para>Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat er, naast betrokkene, ook twee andere personen voordeel hebben genoten van vorenbedoelde oplichting. Daarom dient het wederrechtelijk verkregen voordeel in drie gelijke delen te worden verdeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van de betalingsverplichting aan de Staat</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft het hof verzocht om de betalingsverplichting aan de Staat op nihil te stellen vanwege de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het belang van de benadeelde partijen om het weggenomen geld terug te krijgen zwaarder weegt dan het belang van de Staat bij de toewijzing van de ontnemingsvordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is bij arrest van dit hof van 23 mei 2025 (parketnummer 21-003087-22) in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (hierna: het arrest) veroordeeld ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, te weten medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, en het onder 2 ten laste gelegde.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het strafdossier<footnote-ref linkend="_96e10a81-7531-4dfb-ba18-e2b69add59ce" />, vorenbedoeld arrest van het hof in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (en de daarin uitgewerkte bewijsmiddelen) en bij de behandeling van de ontnemingsvordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het onder 1 bewezenverklaarde handelen wederrechtelijk financieel voordeel heeft genoten.  Om tot een schatting van dit financiële voordeel van betrokkene te komen, heeft het hof (naast voornoemd arrest) als uitgangspunt genomen het Rapport berekening wederrechtelijk verregen voordeel per delict van 27 december 2019 (hierna: het Rapport)<footnote-ref linkend="_a3747bcd-fa34-417b-a7a0-e20d5fbd35c3" />. In het rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend door alle geldbedragen die daadwerkelijk door betrokkene zijn ontvangen door de onder 1 tenlastegelegde oplichting in de zaken 1 tot en met 22 bij elkaar op te tellen, hetgeen een bedrag van € 71.215,47 oplevert.<footnote-ref linkend="_573f149f-f3ff-47cf-97a8-4b6ac330603a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het arrest heeft het hof betrokkene echter niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover zich dit mede richt tegen de vrijspraak van de rechtbank bij vonnis van 7 juli 2022 van het onder 1 ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op de zaken met de nummers 2, 4a en 4b. Verder heeft het hof betrokkene bij voornoemd arrest vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op de zaken met de nummers 10, 16 en 17. Een en ander brengt met zich mee dat de bedragen uit het Rapport die betrekking hebben op de oplichting in de zaken met de nummers 2, 4a, 4b, 10, 16 en 17 van voornoemd bedrag van € 71.215,47 (betreffende het in het Rapport genoemde door betrokkene ontvangen totaalbedrag) dienen te worden afgetrokken. Dit levert, het gegeven in acht nemend dat er in het Rapport betreffende zaak 2 geconcludeerd is dat er geen geld uit de oplichting in die zaak door betrokkene is ontvangen, de volgende berekening op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>€ 71.215,47 – € 8.330,29 (= € 0,00 (zaak 2) + € 930,00 (zaak 4a) + € 1.710,00 (zaak 4b) + € 1.030,00 (zaak 10) + € 1.153,60 (zaak 16) + € 3.506,69 (zaak 17) = € 62.885,18. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof concludeert derhalve dat betrokkene een bedrag van € 62.885,18 heeft ontvangen uit het onder 1 bewezenverklaarde. In het arrest heeft het hof echter ook het ten laste gelegde ‘medeplegen’ bewezenverklaard, omdat is gebleken dat de rol van betrokkene aanzienlijk groter was dan door de verdediging betoogd. Het hof volgt de verdediging dan ook niet in het primaire standpunt. Op basis van het arrest, het dossier<footnote-ref linkend="_103bf3ce-1674-4ae4-971c-587fa2e7ddf4" /> en de verklaring van betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep<footnote-ref linkend="_1ac21e6d-0642-47b8-a92f-06038df31a0a" /> gaat het hof ervanuit dat betrokkene het onder 1 bewezenverklaarde feit tezamen met twee anderen heeft gepleegd. Het hof acht het  voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene dan ook niet de enige is geweest die wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit het door hem ontvangen bedrag van € 62.885,18, maar dat dit is verdeeld tussen hemzelf en zijn twee mededaders. Nu concrete aanwijzingen voor een andere verdeling van het verkregen voordeel ontbreken, zal het hof voornoemd bedrag, conform het subsidiaire standpunt van de verdediging, pondspondsgewijs tussen verdachte en zijn mededaders verdelen. Dit resulteert voor betrokkene in een voordeel van (€ 62.885,18 / 3 =) € 20.961,73. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De verplichting tot betaling aan de Staat</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Persoonlijke omstandigheden betrokkene </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep is er met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene betreffende zijn draagkracht, naar voren gekomen dat hij een eigen schildersbedrijf heeft. Hij wordt als ZZP’er ingeschakeld door andere bedrijven, maar ook door particulieren. Betrokkene heeft verklaard dat zijn bedrijf goed loopt en dat hij veel klussen gepland heeft staan voor de rest van het jaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De verplichting tot betaling aan de Staat </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat de betrokkene in staat zal zijn om na het uitzitten van de in het arrest aan hem opgelegde gevangenisstraf aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen nu van het tegendeel niet is gebleken. Het hof ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen, ook niet in hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie een uitleg gegeven aan de strekking van artikel 36e, negende lid 9, Sr,<footnote-ref linkend="_3b076f68-4a3b-4498-8e0c-5469fddecb3e" /> namelijk dat dit betekent dat het in dat artikellid bedoelde bedrag aan toegekende schadevergoeding slechts voor verrekening met het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat in aanmerking komt, <emphasis role="underline">voor zover die schadevergoeding door de betrokkene is voldaan</emphasis>. Het een en ander brengt mee dat het in de rede ligt om bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en dus niet bij de vaststelling van de verplichting tot betaling aan de Staat, rekening te houden met aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen en wel slechts voor zover deze door betrokkene zijn voldaan. Nu uit het dossier niet blijkt dat betrokkene (enig deel van) de toekende vorderingen heeft voldaan, is hierboven bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening gehouden met de toegekende vorderingen. In onderhavige zaak ziet het hof geen aanleiding om dit alsnog te doen bij de bepaling van de verplichting tot betaling aan de Staat. Hierbij overweegt het hof dat betrokkene ervoor kan kiezen om eerst te voldoen aan zijn betalingsverplichtingen in het kader van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen en om vervolgens op de voet van artikel 6:6:26, eerste lid, Sv een verzoek te doen tot vermindering van de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal dan ook, nu het geen aanleiding ziet tot matiging van het bedrag, de verplichting tot betaling aan de Staat vaststellen op hetzelfde bedrag als het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten een bedrag van € 20.961,73. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op artikel 36e Sr.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">stelt </emphasis>het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van <emphasis role="bold">€ 20.961,73 (twintigduizend negenhonderdeenenzestig euro en drieënzeventig cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Legt</emphasis> de betrokkene de verplichting <emphasis role="bold">op</emphasis> tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 20.961,73 (twintigduizend negenhonderdeenenzestig euro en drieënzeventig cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bepaalt</emphasis> de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">419 dagen</emphasis>.</para>
      <para>Aldus gewezen door</para>
      <para>mr. M.C. van Linde, voorzitter,</para>
      <para>mr. T.H. Bosma en mr. P.S. Bakker, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,</para>
      <para>en op 23 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_96e10a81-7531-4dfb-ba18-e2b69add59ce" label="1">
    <para> Wanneer hierna naar paginanummers wordt verwezen, worden hiermee bedoeld paginanummers van een in wettelijke vorm, door de daartoe bevoegde ambtenaren, opgemaakt proces-verbaal uit het politiedossier [politiedossiernummer] van Politie Oost-Nederland, nummer [nummer] . AGD, van 22 november 2019. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a3747bcd-fa34-417b-a7a0-e20d5fbd35c3" label="2">
    <para> Los gevoegd bij voornoemd politiedossier. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_573f149f-f3ff-47cf-97a8-4b6ac330603a" label="3">
    <para> Pagina 32 van het Rapport. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_103bf3ce-1674-4ae4-971c-587fa2e7ddf4" label="4">
    <para> Zie onder andere de pagina’s 1015 tot en met 1020 van het politiedossier. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ac21e6d-0642-47b8-a92f-06038df31a0a" label="5">
    <para> De verklaring van betrokkene zoals deze blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 mei 2025 in hoger beroep. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b076f68-4a3b-4498-8e0c-5469fddecb3e" label="6">
    <para> HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1744.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>