<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2024:6720</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-11T08:18:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.342.916/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:6720">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:6720</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-11T08:18:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2024:6720 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-10-2024 / Wahv 200.342.916/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2024:6720:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overschrijding van de redelijke termijn van berechting in hoger beroep. Nu de totale duur van de procedure niet een periode van vier jaar overschrijdt, wordt met die vaststelling volstaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2024:6720:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.342.916/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 237433367 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 31 oktober 2024</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank <?linebreak?>Zeeland-West-Brabant van 24 februari 2022, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling</title>
    <para>1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat hij niet deugdelijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Hij heeft wel een oproep ontvangen, maar daarop stond geen datum en tijd van de zitting. De gemachtigde heeft met de rechtbank gemaild, maar kreeg te horen dat de zaak al was afgedaan. </para>
    <para />
    <para>2. Het hof stelt vast dat zich in het dossier een oproepingsbrief bevindt die is geadresseerd aan de gemachtigde. Daarin staat inderdaad geen datum en tijdstip van een zitting vermeld. De gemachtigde is dan ook niet deugdelijk opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter kan dan ook niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing daarom vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.  </para>
    <para />
    <para>3. Tegen de beslissing van de officier van justitie wordt aangevoerd dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. De gemachtigde vraagt zich af of sprake is van een standaardbeslissing. Een motivering van de beslissing dient gemotiveerd te worden, maar daar is in dit geval geen sprake van.</para>
    <para>4. Deze grond treft geen doel. De beslissing van de officier van justitie is voldoende met redenen omkleed. De aangevoerde gronden zijn beoordeeld en er is uitgelegd waarom de gronden niet slagen. Dat gebruik zou worden gemaakt van standaardoverwegingen doet daar niet aan af. De officier van justitie is niet gehouden om op alle gronden expliciet en uitgebreid in te gaan.</para>
    <para />
    <para>5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 oktober 2020 om 10.28 uur op de Houtmarkt in Breda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .</para>
    <para />
    <para>6. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene ter plaatse niet bekend was en zijn navigatie hem door deze straat stuurde. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de ambtenaar niet bevoegd was om handhavend op te treden. De ambtenaar is aangesteld in het domein Openbare Ruimte en daarom alleen bevoegd om te handhaven met betrekking tot C-borden als het de openbare orde betreft. De gemachtigde verwijst naar de bijlage bij de Circulaire buitengewoon opsporingsambtenaar. In dit geval is geen sprake van handhaving ingestoken vanuit de openbare orde, maar vanuit leefbaarheid. Uit de verklaring van de ambtenaar zijn geen feiten of omstandigheden genoemd die betrekking hebben op de openbare orde. Verder voert de gemachtigde aan dat de gedraging ondertussen bijna vier jaar geleden is en de betrokkene niet eens meer wist dat deze zaak nog open stond. Hierdoor wordt hij in de mogelijkheden zich te verdedigen geschaad. Daarom wordt verzocht het bedrag van de sanctie met 25 procent te verlagen. </para>
    <para />
    <para>7. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd voor overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in samenhang met bord C12 van Bijlage 1 van dat reglement en dat deze geslotenverklaring onder meer is ingesteld om de leefbaarheid te vergroten. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd door een boa in het domein Openbare Ruimte.</para>
    <para />
    <para>8. Destijds was de Circulaire buitengewoon opsporingsambtenaar niet meer van toepassing. Op grond van de destijds geldende Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar is de boa Openbare ruimte bevoegd tot handhaving ter zake van: “Alleen voor stilstaand verkeer: artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV). Voor zover van toepassing ook voor rijdend verkeer: de artikelen 4, 5, 6, 8, 10, 28, 57, 60 en 82 RVV, en artikel 62 RVV juncto bijlage I, hoofdstukken C (geslotenverklaring) en D (rijrichting), RVV. Handhaving op het negeren van een C- of D-bord is toegestaan in relatie tot de leefbaarheid, waaronder het tegengaan van overlast door sluipverkeer en het verbeteren van de leefbaarheid door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht)auto’s, zoals de zogeheten milieuzones. (…).”</para>
    <para />
    <para>9. Gelet op het voorgaande is de bevoegdheid van de boa om te handhaven op gedragingen als in dit geval dus begrensd tot situaties die gerelateerd kunnen worden aan de leefbaarheid.</para>
    <para />
    <para>10. Bij de stukken bevindt zich naast het zaakoverzicht een algemeen proces-verbaal, waarin een handhaver in dienst van de gemeente Breda, tevens boa in domein I Openbare Ruimte onder meer verklaart dat het doel van de geslotenverklaring op de Houtmarkt is het weren van sluipverkeer en dat daarmee het leefbaarheidscriterium wordt gediend. Uit het dossier volgt dus dat de geslotenverklaring (mede) is ingesteld in relatie tot de leefbaarheid. De ambtenaar was derhalve bevoegd om handhavend op te treden bij het negeren daarvan.</para>
    <para />
    <para>11. Gelet op de stukken in het dossier en aangezien de betrokkene de gedraging niet ontkent, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Dat de betrokkene ter plaatse niet bekend was en door de straat is gereden omdat zijn navigatie hem langs die route stuurde, kan hem niet baten. Bestuurders dienen oplettend te zijn op aanwezige bebording. Het hof overweegt hierbij nog op dat in het geheel niet is gebleken dat de betrokkene door de lange duur van de gehele procedure in zijn verdedigingsbelangen is geschaad.</para>
    <para>12. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. Nu de totale duur van de procedure niet een periode van vier jaar overschrijdt, zal het hof volstaan met die vaststelling (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, te vinden op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2023:6369).</para>
    <para />
    <para>13. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beslissing van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>