<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2024:5840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-21T18:00:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.334.161/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:5840">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:5840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-13T15:28:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2024:5840 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-09-2024 / 200.334.161/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2024:5840:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>waardering erfdeel nalatenschap, meer in het bijzonder woning en inboedel/sieraden. Boedelbeschrijving is niet opgemaakt. Hof sluit, ondanks lagere verkoopprijs, aan bij WOZ-waarde, omdat gestelde waardedaling door verontreiniging niet is gebleken. Waarde inboedel en sieraden worden geschat bij gebreke aan andere informatie. Bekrachtiging vonnis rechtbank.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2024:5840:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden, afdeling civiel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.334.161/01</para>
      <para>zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200010</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 17 september 2024  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>die woont in [woonplaats1] ,</para>
      <para>die hoger beroep heeft ingesteld,</para>
      <para>en bij de rechtbank ingevolge artikel 118 Rv is opgeroepen als betrokkene,</para>
      <para>hierna: [appellante] ,</para>
      <para>advocaat: mr. H.G.B. van der Wal,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] , </emphasis>
      </para>
      <para>die woont in [woonplaats2] ,</para>
      <para>en bij de rechtbank optrad als de eisende partij,</para>
      <para>hierna: [geïntimeerde]</para>
      <para>advocaat: mr. D. van Haaften.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>
        [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 19 juli 2023 heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding in hoger beroep;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van grieven;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een brief van het hof van 30 augustus 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een e-mail bericht namens [geïntimeerde] van 2 september 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een e-mail bericht namens [appellante] van 2 september 2024. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De heer [naam1] (hierna: erflater) was tot zijn overlijden [in] 2019 in gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [naam2] (hierna: [naam2] ). Erflater en [naam2] hebben tezamen twee kinderen gekregen, te weten [naam3] en [appellante] Uit een eerder huwelijk heeft erflater vier kinderen gekregen, te weten [geïntimeerde] , [naam4] , [naam5] en [naam6] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Erflater heeft voor het laatst bij testament van 5 april 1989 over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament heeft erflater zijn zes kinderen en [naam2] tot zijn enige erfgenamen benoemd. Daarnaast heeft hij onder meer het volgende bepaald:<?linebreak?></para>
        <para>‘Indien mijn huwelijk met genoemde echtgenote wordt ontbonden door mijn overlijden, maak ik gebruik van de mij door de wet gegeven bevoegdheid en deel ik toe:<?linebreak?>1. aan mijn genoemde echtgenote alle tot mijn nalatenschap behorende activa, zulks onder de verplichtingen voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen alle ten laste van mijn nalatenschap bestaande passiva, daarin begrepen de kosten van lijkbezorging, de boedelkosten en de successierechten en om wegens overbedeling aan ieder van de overige erfgenamen schuldig te erkennen een bedrag, dat gelijk is aan de respectieve waarde van ieders erfdeel, voor ieder verminderd met het daaraan toe te rekenen aandeel in bovengenoemde kosten en rechten;</para>
      </parablock>
      <para>2. aan ieder der overige erfgenamen een vordering in contanten wegens overbedeling ten laste van mijn genoemde echtgenote ter grootte van het als voormeld door haar schuldig te erkennen bedrag, opeisbaar één jaar na mijn overlijden, waarvoor geen zekerheid gesteld hoeft te worden. </para>
      <para>- de waarde van de erfdelen van ieder der overige erfgenamen zal worden vastgesteld door een waardering van de boedelbestanddelen door de betrokkenen in onderling overleg of, bij gebreke van overeenstemming, op de wijze als de wet voorschrijft voor boedelscheidingen, waarbij minderjarigen zijn betrokken.</para>
      <para>- over de door mijn echtgenote verschuldigde vorderingen aan mijn overige erfgenamen is een enkelvoudige rente verschuldigd, te rekenen van mijn overlijden af tot de datum van voldoening, berekend naar zes procent (6%) per jaar; deze rente is eerst opeisbaar indien de hoofdsom opeisbaar is of zoveel eerder als, met overeenkomstige toepassing van het hierna sub E vermelde wordt bepaald.’	</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 29 juli 2019 heeft [naam2] de voormalige echtelijke woning met erflater aan [adres1] te [woonplaats1] , verkocht voor een bedrag van € 113.500,-. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft na het overlijden van erflater [naam2] meerdere malen verzocht c.q. gesommeerd om een boedelbeschrijving met onderliggende stukken aan haar te verstrekken. Omdat [naam2] niet alle door [geïntimeerde] gewenste stukken aan haar heeft verstrekt, heeft [geïntimeerde] onderhavige procedure geëntameerd door op 8 juli 2020 een dagvaarding uit te brengen en aan [naam2] te laten betekenen. [naam2] heeft op 2 september 2020 een conclusie van antwoord genomen.</para>
        <para>
          [naam2] is in 2021 overleden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De rechtbank heeft bij rolbeslissing van 29 september 2021 bepaald dat de procedure op naam van [naam2] zal worden voortgezet. [geïntimeerde] heeft, na wijziging van eis, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [naam2] veroordeelt om binnen 8 dagen na het vonnis aan [geïntimeerde] een bedrag uit te keren van € 11.785,71, te vermeerderen met l/14e deel van de banksaldi van erflater en [naam2] per datum van overlijden van de erflater en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de vordering opeisbaar is geworden, te weten vanaf de dag waarop [naam2] is overleden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Namens [naam2] is verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – vonnis van 19 juli 2023 heeft de rechtbank [naam2] veroordeeld om binnen acht dagen na dagtekening van het vonnis aan [geïntimeerde] uit te keren een bedrag van € 3.364,74, te vermeerderen met 1/14e deel van de banksaldi (per 8 januari 2019) van erflater en [naam2] en beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop [naam2] is overleden. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>
        [appellante] komt van voormeld vonnis in hoger beroep en heeft twee grieven geformuleerd. Zij vordert het vonnis van 19 juli 2023 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, te bepalen dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vorderingen, althans dat deze vorderingen zullen worden afgewezen. Verder vordert zij [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest, en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] voert verweer en concludeert dat [appellante] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard met bevestiging van het vonnis van 19 juli 2023 en dat [appellante] moet worden veroordeeld in de kosten van het geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het oordeel van het hof</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat [appellante] (nog) niet kan worden ontvangen in haar vorderingen in hoger beroep en overweegt hiertoe als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De vorderingen in de onderhavige procedure betreffen de verdeling van de nalatenschap van erflater en hebben daarmee betrekking op een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Hiervan is sprake indien het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing over de rechtsverhouding voor alle bij die rechtsverhouding betrokkenen in dezelfde zin luidt. Bij arrest van 10 maart 2017 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:411) beslist dat in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure moeten worden betrokken. Is dat niet gebeurd, dan dient de rechter, eventueel ambtshalve, de gelegenheid te geven om de ontbrekende partij(en) alsnog op voet van artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in het geding te roepen binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Zoals het hof partijen bij brief van 30 augustus 2024 heeft medegedeeld, heeft het hof geconstateerd dat [appellante] en [geïntimeerde] twee van de erfgenamen zijn van erflater en dat [appellante] de overige erfgenamen niet in onderhavige procedure heeft betrokken. Zij heeft daardoor niet alle bij deze rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure betrokken. Het hof zal [appellante] ambtshalve de gelegenheid geven om de overige erfgenamen, te weten [naam3] , [naam4] , [naam5] en [naam6] , door oproeping op voet van artikel 118 Rv alsnog als partij in het geding te betrekken en hen de mogelijkheid te bieden hun standpunten ten aanzien van de vordering van [appellante] en het verweer van [geïntimeerde] kenbaar te maken. Indien [appellante] van deze mogelijkheid geen (of niet tijdig) gebruik maakt, dan zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Het hof zal op grond van hetgeen hiervoor is overwogen iedere verdere beslissing aanhouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt [appellante] in de gelegenheid om [naam3] , [naam4] , [naam5] en [naam6] op de voet van artikel 118 Rv in het geding op te roepen tegen de rolzitting van <emphasis role="bold">8 oktober 2024</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat bij deze oproeping afschriften van alle tot dusverre ingediende processtukken moeten worden meebetekend;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat [appellante] op de rolzitting van 8 oktober 2024 kopieën van de oproepingen</para>
      <para>moet overleggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat [naam3] , [naam4] , [naam5] en [naam6] , voor zover zij op de rolzitting van 8 oktober 2024 verschijnen, op de rolzitting van zes weken daarna een conclusie mogen nemen, waarin zij hun standpunten uiteen kunnen zetten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en M. Kemmers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2024. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>