<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2024:4609</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-19T08:00:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/327</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:4609">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:4609</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-15T11:22:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2024:4609 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 09-07-2024 / 23/327</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2024:4609:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet Woz. Proceskostenvergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2024:4609:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para>locatie Arnhem</para>
    <para>nummer BK-ARN 23/327</para>
    <para>uitspraakdatum: 9 juli 2024</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende] </emphasis>te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 6 december 2022, nummer AWB 22/1801, in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de <emphasis role="bold">heffingsambtenaar </emphasis>van de <emphasis role="bold">Gemeente Ede</emphasis> (hierna: de heffingsambtenaar)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] 4 te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2020 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 221.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 (OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 218,34.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar wel gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49 aan haar vergoed.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord C.M.L. Poen als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] als gemachtigde van de heffingsambtenaar. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Vaststaande feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 2003 gebouwd appartement met een oppervlakte van 82 m2 en een berging/schuur van 5 m2 die aan het appartementencomplex waarin belanghebbendes appartement is gevestigd is aangebouwd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De Rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer geoordeeld (waarbij eiser belanghebbende is en verweerder de heffingsambtenaar):</para>
        <para>“7. Eiser stelt dat verweerder in de bezwaarfase al is gevraagd om inzicht te geven in de gehanteerde indexeringspercentages en dat verweerder bij het ontbreken van deze informatie de toegepaste indexering niet inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat verweerder beschikt over een door hem opgestelde lijst (genaamd bijlage A) waarin de toegepaste indexeringscijfers nader zijn toegelicht. Deze lijst heeft verweerder in de bezwaarfase niet overgelegd. Abusievelijk heeft de rechtbank gesteld dat de betreffende lijst ook in beroep ontbrak. De lijst is evenwel als op de zaak betrekking hebbend stuk in de beroepsfase overgelegd en aan eiser doorgestuurd zodat deze hiervan kennis heeft kunnen nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>8. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de in beroep overgelegde waardematrix van de daarin opgenomen vergelijkingsobjecten zowel de transactieprijs als de naar de waardepeildatum geïndexeerde transactieprijs heeft opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met die taxatiematrix voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten heeft geïndexeerd. Daarbij heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van een indexeringspercentage van 7,1% dat is gebaseerd op de waardeontwikkeling die volgt uit verkoopcijfers van dit type woningen in de gemeente Ede. Naar het oordeel van de rechtbank is de toegepaste indexering voldoende onderbouwd, temeer dat het rekening houdt met de stijgende markt in de betreffende periode en ook past in landelijk gepubliceerde gegevens van bijvoorbeeld de waarderingskamer. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>9. Daarbij heeft eiser zelf niet op enigerlei wijze onderbouwd dat in deze zaak niet zou mogen worden uitgegaan van de toegepaste indexering en evenmin toegelicht op welke wijze en tot welke hoogte verweerder het indexeringspercentage dan wel had moeten bepalen. In het beroepschrift heeft eiser volstaan met de beroepsgrond dat het indexeringspercentage niet inzichtelijk is gemaakt. Van een professioneel gemachtigde mag verwacht worden dat, indien hij van mening is dat de cijfers in de matrix onjuist zijn, hij stelt en onderbouwt waarom de door verweerder gehanteerde indexering niet juist zou zijn. Nu eiser deze stelling evenwel niet heeft ingenomen, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de indexering van verweerder. Daarbij komt dat drie van de vergelijkingsobjecten zijn verkocht in de laatste twee weken van december 2019, waarvan één zelfs één dag voor de waardepeildatum, zodat de verkoopprijzen ook zonder indexering een afspiegeling zijn van de markt op de waardepeildatum. </para>
        <para>[…]</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Conclusie en gevolgen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de waarde van de woning en de aanslag in stand blijven. Omdat verweerder in de bezwaarfase de hem ter beschikking staande bijlage A niet heeft overgelegd, zal de rechtbank verweerder wel veroordelen het griffierecht van eiser te vergoeden. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is of aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toekomt omdat de heffingsambtenaar aan haar gemachtigde niet de verzochte indexeringscijfers heeft overgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. De heffingsambtenaar beantwoordt de vraag ontkennend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken op grond van artikel 40 wet WOZ en artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarbij vroeg zij – onder meer – om de onderbouwing van de indexering naar de waardepeildatum van de gehanteerde referentieobjecten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat ‘bijlage A’ door de heffingsambtenaar niet is verstrekt in de bezwaarfase. Deze ‘bijlage A’ is de onderbouwing van de door de heffingsambtenaar in zijn taxatie gebruikte indexatiepercentage. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Rechtbank heeft aan de omstandigheid dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de zogeheten ‘bijlage A’ niet aan belanghebbende heeft verstrekt, het gevolg verbonden dat de heffingsambtenaar het griffierecht moest vergoeden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het Hof ziet geen reden om een ander of verstrekkender gevolg te verbinden aan het niet-verstrekken van bijlage A in de bezwaarfase dan de Rechtbank. Uit de uitspraak van dit Hof van 23 april 2024 volgt namelijk dat het niet-verstrekken van de onderbouwing van de indexeringspercentages, waarop bijlage A ziet, geen schending vormt van artikel 40, lid 2 Wet WOZ.<footnote-ref linkend="_44ce38a4-1fb3-417a-9d20-e912748ce33d" /> Daar komt bij dat de toegepaste indexering op de koopsommen van de referentieobjecten volgt uit het taxatieverslag dat in de bezwaarfase reeds was toegezonden. In dat taxatieverslag zijn de referentieobjecten opgenomen, alsmede de getaxeerde waarde van de objecten per waardepeildatum. Belanghebbende kon dus de indexatie van de referentieobjecten afleiden, waardoor belanghebbende door het niet toezenden niet in zijn procespositie ie geschaad.<footnote-ref linkend="_a2729817-182d-4536-a68b-c813acaa5dc8" /> Tot slot is artikel 7:4, lid 2 Awb evenmin geschonden, nu belanghebbende niet voor een inzage is verschenen en dat artikel geen toezendverplichting inhoudt.<footnote-ref linkend="_c46db77c-281d-4bf9-b2d2-8891f494c8f5" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
          <?linebreak?>Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Griffierecht en proceskosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(G.J. van de Lagemaat)	(R.A.V. Boxem)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 10 juli 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl</emphasis>.</para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold">www.hogeraad.nl</emphasis>).</para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. de dagtekening;</para>
      <para>	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para> 	d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_44ce38a4-1fb3-417a-9d20-e912748ce33d" label="1">
    <para> Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2837, r.o. 4.14, 4.15 en 4.30.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2729817-182d-4536-a68b-c813acaa5dc8" label="2">
    <para> Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3071. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c46db77c-281d-4bf9-b2d2-8891f494c8f5" label="3">
    <para> HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:289. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>