<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2024:27</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-06T00:00:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.296.339</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2025:1237" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:1237</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:27">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:27</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-04T11:43:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2024:27 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 02-01-2024 / 200.296.339</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2024:27:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Artikel 401a lid 2 Rv. Het hof wijst verzoek tot tussentijdse cassatie toe omdat een aantal overwegingen in het tussenarrest bepalend is voor het verdere verloop van de procedure, tussentijdse cassatie niet tot onredelijke vertraging van de procedure leidt en het de proces-efficiëntie ten goede komt als deze overwegingen in deze fase van de procedure ter definitieve beoordeling aan de Hoge Raad worden voorgelegd.  </para>
        <para>In vervolg op ECLI:NL:GHARL:2023:9205.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2024:27:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel/familie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof: 200.296.339</para>
      <para>zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 494537 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing op verzoek ex artikel 401a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van 2 januari 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de maatschap naar Nederlands recht</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Melkveebedrijf [appellante1]</emphasis>
      </para>
      <para>die is gevestigd in [vestigingsplaats]</para>
    </parablock>
    <para>2. <emphasis role="bold">[appellant2]</emphasis></para>
    <para>3.<emphasis role="bold"> [appellante3]</emphasis></para>
    <para>4.<emphasis role="bold"> [appellant4]</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>die allen wonen in [woonplaats1]</para>
      <para>die hoger beroep hebben ingesteld</para>
      <para>en bij de rechtbank optraden als eisers</para>
      <para>hierna samen: [appellanten]</para>
      <para>advocaat: mr. O.R. van Hardenbroek</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de coöperatie</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Coöperatieve Rabobank U.A.</emphasis>
      </para>
      <para>die is gevestigd in Amsterdam</para>
      <para>die bij de rechtbank optrad als gedaagde</para>
      <para>hierna: Rabobank</para>
      <para>advocaat: mr. K.M. Kole</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Verzoek tot verlof tussentijdse cassatie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het hof heeft in deze zaak op 31 oktober 2023 een tussenarrest (hierna het tussenarrest) gewezen.<footnote-ref linkend="_583a9de4-f48e-406a-b0ae-09e0b6be5ab7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Namens Rabobank heeft mr. Van Straaten bij brief van 23 november 2023 het hof gevraagd om verlof te verlenen voor het instellen van beroep in cassatie tegen het tussenarrest. Rabobank heeft daarvoor aangevoerd dat, kort samengevat, het de procesefficiëntie dient als de Hoge Raad definitief beslist over de aard en reikwijdte van de zorgplicht van Rabobank in een geval als het onderhavige. Rabobank heeft daarbij ook aangevoerd dat een oordeel van de Hoge Raad van betekenis kan zijn voor diverse andere procedures.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Namens [appellanten] heeft mr. Van Hardenbroek bij brief van 7 december 2023 bezwaar gemaakt tegen inwilliging van dit verzoek. [appellanten] hebben daarvoor, kort samengevat, aangevoerd dat tussentijds cassatieberoep tot een aanzienlijke vertraging van de onderhavige procedure zal leiden en dat dit bij een eventuele terugverwijzing afbreuk zou kunnen doen aan de (bewijs-)positie van partijen in het kader van het door Rabobank te leveren tegenbewijs, omdat de periode in geding dan nog verder in het verleden ligt. Naar de mening van [appellanten] is de procesefficiëntie daarom juist niet gediend bij het openstellen van een tussentijds cassatieberoep. Daarnaast heeft Rabobank niet onderbouwd dat het oordeel van het hof zou kunnen worden toegepast op zaken van andere melkveehouders, aldus [appellanten]   </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het oordeel van het hof</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verzoek van Rabobank is gedaan voor het verstrijken van de cassatietermijn.<footnote-ref linkend="_ab1184af-61c7-4782-91c6-169715295e7a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat het bieden van de mogelijkheid van een tussentijds cassatieberoep in deze zaak processueel doelmatig en passend is, om de volgende redenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat onder de omstandigheden van dit geval de zorgplicht van Rabobank tegenover [appellanten] bij het aangaan van de kredietovereenkomst inhield dat Rabobank met [appellanten] afstemde of zij bij het aangaan van de kredietovereenkomst de mogelijk komende productiebeperkende maatregelen en de gevolgen daarvan voor hun bedrijfsvoering en financiering voldoende overzagen, om op die manier [appellanten] te beschermen tegen een mogelijk gebrek aan inzicht. Het hof heeft het om de in het tussenarrest uiteen gezette redenen voorshands aannemelijk geacht dat Rabobank [appellanten] voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke invoering van productiebeperkende maatregelen zoals een fosfaatrechtenstelsel en de daaruit voortvloeiende risico’s voor de bedrijfsvoering en financiële positie van [appellanten] Het hof heeft Rabobank toegelaten tot tegenbewijs van deze stelling van [appellanten]</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De in onderdeel 2.3. uiteengezette overwegingen zijn bepalend voor het verdere verloop van deze procedure. Naar het oordeel van het hof zal tussentijdse cassatie niet tot een onredelijke vertraging van de procedure leiden (artikel 20 Rv) en komt het de procesefficiëntie ten goede als in deze fase deze overwegingen ter definitieve beoordeling aan de Hoge Raad worden voorgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het hof bepaalt daarom dat van het tussenarrest van 31 oktober 2023 beroep in cassatie kan worden ingesteld voordat wordt overgegaan tot (tegen)bewijslevering en voordat eindarrest wordt gewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. P.J. van der Korst, R.W.E. van Leuken en M.P.M. Hennekens, ondertekend door M.P.M. Hennekens, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_583a9de4-f48e-406a-b0ae-09e0b6be5ab7" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2023:9205.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab1184af-61c7-4782-91c6-169715295e7a" label="2">
    <para> HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>