<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2024:1395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-18T08:18:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.330.713</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:1395">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:1395</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-18T08:18:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2024:1395 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-02-2024 / Wahv 200.330.713</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2024:1395:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proceskostenvergoeding. Punt toekennen voor het verschijnen op de draagkrachtzitting van de kantonrechter? In dit geval is geen sprake van redelijkerwijs gemaakte proceskosten, nu de gemachtigde op die zitting niet heeft toegelicht waarom geen zekerheid kon worden gesteld en hij dus geen relevante bijdrage heeft kunnen leveren aan de te beantwoorden rechtsvraag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2024:1395:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.330.713/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 231019111 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 26 februari 2024</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank <?linebreak?>Midden-Nederland van 12 juli 2023, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling</title>
    <para>1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 420,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 38 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 januari 2020 om 05.30 uur op de Rijksweg (A2) in Vianen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .</para>
    <para />
    <para>2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden en de kantonrechter heeft miskend dat die overschrijding had moeten leiden tot een matiging van het bedrag van de sanctie met 25 procent. De gemachtigde verzoekt het hof om het sanctiebedrag met 25 procent te matigen. <?linebreak?></para>
    <para>3. De kantonrechter heeft overwogen dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Het hof stelt evenwel vast dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat gelet op die overschrijding het bedrag van de sanctie moet worden gematigd met 25 procent. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie alsnog matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).</para>
    <para />
    <para>4. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient een punt te worden toegekend. Nu in het onderhavige geval de gemachtigde is verschenen zowel ter zitting van de kantonrechter van 29 september 2022 als ter nadere zitting van de kantonrechter van 14 juni 2023 na tussenuitspraak, moet in beginsel voor het verschijnen ter beide zittingen één punt per zitting worden toegekend (zie nummers 13 en 14 van onderdeel A1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht) (vgl. de arresten van het hof van 3 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8439 en <?linebreak?>21 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6244). </para>
    <para />
    <para>5. Het hof stelt het volgende vast. In het beroepschrift bij de kantonrechter d.d. 16 september 2020 brengt de gemachtigde naar voren dat de betrokkene (thans) onvoldoende financiële middelen heeft om zekerheid te kunnen stellen. Gelet hierop wordt de kantonrechter namens de betrokkene verzocht om het beroep inhoudelijk te behandelen zonder dat zekerheid is gesteld. De betrokkene zal wel proberen alsnog zekerheid te stellen, aldus de gemachtigde. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief d.d. 30 juni 2022 bericht dat er niet binnen de daarvoor door de wet gegeven termijn zekerheid is gesteld voor betaling van de opgelegde sanctie en de administratiekosten. Met dikgedrukte letters is in de brief benadrukt dat deze zekerheidstelling aan de behandeling van het beroep voorafgaat. De kantonrechter zal het beroep behandelen op de zitting van 29 september 2022. Op de zitting kan worden toegelicht waarom het stellen van zekerheid de financiële positie van de betrokkene te boven gaat. Het meebrengen van bewijsstukken waaruit de financiële positie van de betrokkene blijkt, wordt (met dikgedrukte letters) aangeraden. Op de zitting van de kantonrechter van 29 september 2022 is de gemachtigde verschenen. Naar aanleiding van die zitting is een tussenbeslissing d.d. 13 oktober 2022 opgemaakt. Hierin heeft de kantonrechter overwogen dat namens de betrokkene niet nader is toegelicht waarom de betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen en verder uit het dossier niet zonder meer kan worden afgeleid dat de betrokkene hiertoe niet in staat is. De kantonrechter heeft bepaald dat de betrokkene binnen vier weken na de dag van verzending van de beslissing zekerheid dient te stellen. Vervolgens is het beroep behandeld ter zitting van de kantonrechter van 14 juni 2023. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de gemachtigde is verschenen en de betrokkene op 3 november 2022 zekerheid heeft gesteld.</para>
    <para />
    <para>6. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de kantonrechter de (gemachtigde van de) betrokkene behoort uit te nodigen voor een zitting wanneer tijdig een draagkrachtverweer wordt gevoerd. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag. </para>
    <para />
    <para>7. Ingevolge artikel 13a, eerste lid, van de Wahv is de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In artikel 20d, vierde lid, van de Wahv is artikel 13a van de Wahv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing verklaard.</para>
    <para />
    <para>8. Naar het oordeel van het hof had de gemachtigde op voorhand kunnen weten dat het verschijnen op de eerste (draagkracht)zitting van de kantonrechter geen toegevoegde waarde zou hebben, nu de gemachtigde op die zitting niet nader heeft toegelicht waarom de betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen en de gemachtigde het houden van die zitting had kunnen voorkomen door bij de betrokkene te informeren of hij zekerheid had gesteld. Het verschijnen ter zitting van de kantonrechter van 29 september 2002 door de gemachtigde had achterwege kunnen blijven. Nu de gemachtigde, voorafgaand aan het verschijnen op de draagkrachtzitting niet bij de betrokkene had geïnformeerd of deze inmiddels zekerheid had gesteld en zo nee, of en wanneer de betrokkene dat wel kon doen, kon de gemachtigde immers geen enkele relevante bijdrage leveren aan de - blijkens de oproepingsbrief - tijdens die zitting te beantwoorden rechtsvraag. Naar het oordeel van het hof is derhalve geen sprake van redelijkerwijs gemaakte proceskosten in de zin van artikel 13a, eerste lid, van de Wahv door de gemachtigde voor het verschijnen op die zitting, zodat het hof alleen voor het verschijnen ter zitting van de kantonrechter van 14 juni 2023 een punt zal toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,- (= 2 x € 875,- x 0,5).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beslissing van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in <?linebreak?>€ 315,-;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>