<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2023:1495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-22T11:08:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.317.717/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1495">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-22T11:08:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2023:1495 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-02-2023 / 200.317.717/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2023:1495:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het hof belast de moeder met het ouderlijk gezag. Sinds de echtscheiding is de vader niet meer actief betrokken bij de kinderen en komt hij de contactregeling niet na.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2023:1495:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.317.717</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 213029)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 16 februari 2023  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats1] ,<?linebreak?>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. J. van Dijk te Winschoten, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats1] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de vader. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 11 juli 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 11 oktober 2022;</para>
      <para>- een journaalbericht namens de moeder van 21 oktober 2022 met bijlage(n).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de moeder en haar advocaat. De vader en de raad voor de kinderbescherming waren niet aanwezig.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Partijen zijn [in] 2014 met elkaar gehuwd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Partijen zijn de ouders van: </para>
      <para>- [de minderjarige1] , geboren [in] 2016, en</para>
      <para>- [de minderjarige2] , geboren [in] 2020,</para>
      <parablock>
        <para>samen ook te noemen: de kinderen.</para>
        <para>De moeder en de vader oefenen samen het gezag uit over de kinderen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding van partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 12 september 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De moeder heeft in eerste aanleg tevens verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen, haar met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten en het door partijen getekende ouderschapsplan aan de door de rechtbank te geven beschikking te hechten en daarmee onderdeel van de beslissing te maken. Deze verzoeken zijn door de rechtbank afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof in hoger beroep alsnog te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij haar hebben, haar te belasten met het eenhoofdig gezag over beide kinderen en het ouderschapsplan onderdeel van de beschikking te maken, zoals al is verzocht in het oorspronkelijk verzoekschrift.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Rechtsmacht en toepasselijk recht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Turkse nationaliteit. De kinderen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. De zaak heeft daardoor een internationaal karakter, zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Op grond van artikel 8 Brussel II bis (Verordening (EG) nr. 2201/2003) is de Nederlands rechter bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid als het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft op het tijdstip van indiending van het verzoek bij de rechtbank. Omdat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Omdat geen grieven zijn gericht tegen de toepasselijkheid van het Nederlandse recht door de rechtbank, zal ook het hof daarvan uitgaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Het hof zal eerst het meest verstrekkende verzoek bespreken, te weten het verzoek van de moeder haar voortaan alleen met het gezag te belasten over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:</para>
        <para>a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is het hof van oordeel dat het verzoek van de moeder haar voortaan alleen met het gezag te belasten over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] toegewezen dient te worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <para>Het hof stelt vast dat de vader zowel op de mondelinge behandeling bij de rechtbank als die bij het hof afwezig is en hij bij beide instanties geen verweer voert tegen het verzoek van de moeder. Het hof ziet dit als bevestiging van het gedrag en de houding van de vader jegens de moeder en de kinderen. De vader is namelijk sinds het uiteengaan van partijen niet meer actief betrokken in het leven van de kinderen en hij komt de tussen partijen overeengekomen contactregeling bij het [naam1] niet na. De moeder heeft onweersproken gesteld dat zij de vader moet stimuleren af en toe contact te hebben met de kinderen en dat het zeer moeizaam is gebleken om gezamenlijke beslissingen in het belang van de kinderen te nemen. Zo heeft de vader zijn aanvankelijk verleende toestemming voor onderzoek van [de minderjarige1] bij [naam2] ingetrokken en pas na betrokkenheid van [naam3] alsnog de benodigde toestemming gegeven. Uit het onderzoek bij [naam2] is gebleken dat [de minderjarige1] waarschijnlijk ADD heeft en dat duidelijkheid voor hem heel belangrijk is. Het inschrijven van [de minderjarige1] op een school voor speciaal onderwijs heeft volgens de moeder ook tot veel discussie met de vader geleid. Uiteindelijk heeft de vader wel toestemming verleend, maar dit kost de moeder veel tijd en energie. Om de goede beslissingen te kunnen nemen is het nodig dat de vader actief betrokken is in het leven van de kinderen en nu dit niet het geval is wordt de moeder bij voortzetting van het gezamenlijk gezag te zeer belemmerd in haar gezagsuitoefening en bestaat het risico dat noodzakelijke beslissingen niet met de nodige voortvarendheid kunnen worden genomen. Dat is niet in het belang van de kinderen, zeker niet nu vooral [de minderjarige1] veel behoefte heeft aan duidelijkheid. Het hof is daarom van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de moeder voortaan alleen beslissingen over de kinderen kan nemen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking vernietigen en het eenhoofdig gezag bij de moeder bepalen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hoofdverblijf</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8</nr>
      <para>Voorts heeft de moeder het hof verzocht te bepalen dat de kinderen bij haar hun hoofdverblijf zullen hebben.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9</nr>
      <para>De hoofdverblijfplaats van een kind is van rechtswege bij de gezaghebbende ouder. Nu de moeder het eenhoofdig gezag zal gaan uitoefenen over de kinderen, zullen de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. Hierover behoeft niet afzonderlijk te worden beslist. Dit verzoek zal worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aanhechten ouderschapsplan</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10</nr>
      <para>Ten slotte heeft de moeder verzocht het door beide partijen opgestelde en ondertekende ouderschapsplan alsnog onderdeel van de eindbeschikking te maken. Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte dit verzoek afgewezen. Het hof stelt vast dat de vader geen verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek en acht aanhechting van het ouderschapsplan in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , zodat dit verzoek zal worden toegewezen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, beschikkende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 11 juli 2022 voor zover aan het hof voorgelegd en in zoverre opnieuw beschikkende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat het gezag over [de minderjarige1] , geboren [in] 2016, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2020, met ingang van heden alleen aan de moeder toekomt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat het op 21 maart 2022 door de ouders ondertekende, en aan deze beschikking gehechte, ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en M.A.F. Veenstra en is op 16 februari 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>