<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2023:1332</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-20T09:01:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.319.160</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1332">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1332</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-20T09:01:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2023:1332 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-02-2023 / 200.319.160</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2023:1332:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikelen 1:265f leden 1 en 2 en 1:264 lid 1 BW, afwijzing verzoek tot wijziging van een door GI vastgestelde omgangsregeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2023:1332:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.319.160</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 543275)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 14 februari 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende op een bij het hof bekend adres,<?linebreak?>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. C.C. Sneper te Baarn,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de gecertificeerde instelling</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de GI.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats1] ,</para>
      <para>verder te noemen: de vader,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de pleegouders]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats2] ,</para>
      <para>verder gezamenlijk te noemen ‘de pleegouders’ en afzonderlijk ‘de pleegvader’ en ‘de pleegmoeder’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 augustus 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 november 2022;</para>
      <para>- het verweerschrift;</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Sneper van 16 januari 2023 met bijlage.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 17 januari 2023 plaatsgevonden. Aanwezig waren:</para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;</para>
      <para>- een vertegenwoordiger van de GI;</para>
      <para>- de pleegmoeder;</para>
      <para>- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).</para>
      <para>Hoewel behoorlijk opgeroepen was de vader niet aanwezig.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016 te [plaats1] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Bij beschikking van 17 februari 2020 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, welke termijn laatstelijk bij beschikking van 17 juli 2022 is verlengd tot 21 juli 2023.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Bij beschikking van 26 maart 2021 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 17 augustus 2021, welke plaatsing laatstelijk bij beschikking van 11 juli 2022 voor de duur van de ondertoezichtstelling is verlengd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        [de minderjarige] is geplaatst in een pleeggezin en verblijft bij de pleegouders. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>De Gl heeft op 14 juni 2022 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] beperkt, in die zin dat [de minderjarige] en de moeder elkaar eens per 4 weken zien voor de duur van anderhalf uur, in aanwezigheid van de pleegmoeder.</para>
        <para>Bij bestreden beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren en zelfstandig een omgangsregeling vast te stellen afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren en zelfstandig een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat er opgebouwd wordt naar twee maal per maand een onbegeleide overnachting, dan wel een omgangsregeling welke het hof geschikt acht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De GI voert verweer en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 1:265f lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de Gl als gezinsvoogdijinstelling, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige, voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Een dergelijke beslissing geldt op grond van het tweede lid van dit artikel als een aanwijzing, zodat de met het gezag belaste ouder de kinderrechter op de voet van artikel 1:264 lid 1 BW kan verzoeken de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. </para>
        <para>Ingevolge artikel 1:265f lid 2 BW kan de kinderrechter bovendien een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Een schriftelijke aanwijzing is een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Schriftelijke aanwijzingen moeten daarom voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Concreet moet hierbij - onder andere - gedacht worden aan het zorgvuldig voorbereiden van de beschikking (zorgvuldigheidsbeginsel, artikel 3:2 Awb) en het deugdelijk motiveren van de beschikking (motiveringsbeginsel, artikel 3:46 Awb). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>Ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep is het hof gebleken dat er sinds de bestreden beschikking veel is veranderd rondom [de minderjarige] . Zo is de overstap van [de minderjarige] naar groep drie een te grote belasting gebleken en is besloten hem terug te zetten naar groep twee. Ook is het zorgelijke gedrag van [de minderjarige] in de afgelopen maanden verergerd en is zijn ontwikkeling gestagneerd. Als gevolg van deze ontwikkelingen wordt inmiddels zelfs gekeken naar de houdbaarheid van de plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders. Verder is ook de omgang van [de minderjarige] met zijn vader aanzienlijk verminderd en in overeenstemming gebracht met de verminderde draagkracht van [de minderjarige] . </para>
        <para>De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat het gezien voorgaande ontwikkelingen voor haar duidelijk is dat er de komende periode rust moet komen voor [de minderjarige] en dat van een uitbreiding van de omgang voorlopig geen sprake kan zijn. Wel heeft de moeder verzocht de door de GI vastgestelde omgangsregeling te wijzigen in die zin dat de omgang in de toekomst niet langer zal plaatsvinden in aanwezigheid van de pleegmoeder, maar in aanwezigheid van haar zus, de tante van [de minderjarige] . </para>
        <para>Hoewel de moeder zich meer op haar gemak zou voelen als de omgang door haar zus begeleid wordt, verzet het belang van [de minderjarige] zich naar het oordeel van het hof tegen toewijzing van dit verzoek. Het hof is met de GI van oordeel dat het gezien de trauma- en hechtingsproblematiek van [de minderjarige] van belang dat er een veilig en vertrouwd hechtingsfiguur aanwezig is tijdens de omgangsmomenten. Voor [de minderjarige] is dat de pleegmoeder. De aanwezigheid van de pleegmoeder bij de omgangsmomenten zorgt ervoor dat [de minderjarige] zich veilig voelt waardoor de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] betekenisvol kan zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, beschikkende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 augustus 2022;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders verzochte af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en R. Krijger, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 14 februari 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>