<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:9335</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-07T12:48:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.279.207</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:9335">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:9335</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-07T12:47:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:9335 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 03-11-2022 / 200.279.207</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:9335:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 1:251a BW, moeder met gezag belast. Artikel 1:377a BW, geen omgangsregeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:9335:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.279.207</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Gelderland 358456)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 3 november 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats1] ,</para>
      <para>verzoeker in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>verweerder in het incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat: mr. D.A.J. Spierings te Nijkerk,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [woonplaats2] ,</para>
      <para>verweerster in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>verzoekster in het incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de moeder, </para>
      <para>advocaat: mr. R.R. Wijnakker te Arnhem.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Voor het verloop van het geding tot 22 december 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Het verdere verloop blijkt uit:</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Spierings van 19 april 2022 met bijlage;</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Wijnakker van 22 april 2022 met producties;</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Wijnakker van 3 oktober 2022 met productie;</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Spierings van 10 oktober 2022 met productie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Op 11 oktober 2022 is de mondelinge behandeling voortgezet. Daarbij waren aanwezig:</para>
      <para>- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk;</para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;</para>
      <para>- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).</para>
      <para>Aan een ambulante begeleider van de moeder is bijzondere toegang verleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>
        [naam1] is in de loop van deze procedure meerderjarig geworden. Dit betekent dat zij niet in de beoordeling van de verzoeken zal worden betrokken.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 22 december 2020, voor zover hierna niet anders wordt overwogen en beslist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Bij tussenbeschikking van 22 december 2020 heeft het hof partijen verwezen naar [naam2] voor hulpverlening met betrekking tot de communicatie tussen de ouders en voor contactbegeleiding, waarbij ook de kinderen dienen te worden betrokken. In afwachting van de voltooiing van het traject is iedere beslissing aangehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Uit een door de moeder overgelegd bericht van [naam2] van april 2022 blijkt dat voorgaand traject nooit is gestart. In het bericht wordt aangegeven dat de vader het kennismakingsgesprek meerdere keren heeft afgezegd en vervolgens heeft aangegeven pas vanaf 20 mei 2022 weer te kunnen. Bij bericht van 29 juni 2022 heeft [naam2] aan de moeder laten weten dat [naam2] genoodzaakt is de opdracht terug te geven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gezag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:</para>
        <para>a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat het de ouders niet lukt om te overleggen over gezagsbeslissingen en dat de moeder wordt belemmerd in de uitoefening van het ouderlijk gezag. Sinds de tussenbeschikking zijn verschillende gezagskwesties voorgelegd aan de vader waarop de vader niet of met onnodige vertraging heeft gereageerd. Zo heeft de vader niet gereageerd op het verzoek om toestemming te verlenen voor de inschrijving van [de minderjarige1] op de middelbare school, noch op het voornemen van de moeder om naturalisatie aan te vragen voor de kinderen. Als gevolg hiervan was het voor [de minderjarige1] lang onduidelijk of hij ingeschreven kon worden op de middelbare school van zijn keuze en is het tot op heden niet gelukt om naturalisatie voor de kinderen aan te vragen. Hiernaast heeft het maanden geduurd voordat de vader toestemming verleende voor een voor [de minderjarige2] benodigd hulpverleningstraject. Het hof is met de raad van oordeel dat gezamenlijk gezag in deze situatie tot een onaanvaardbaar risico leidt dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Nu het traject bij [naam2] - gericht op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders - niet van de grond is gekomen en de communicatie tussen de ouders sinds de tussenbeschikking niet is verbeterd, is het naar het oordeel van het hof niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zal komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en haar alleen te belasten met het gezag over de kinderen en bepalen dat het gezag over (nu nog) de kinderen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] vanaf de datum van deze beschikking alleen aan de moeder zal toekomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Omgangsregeling </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <parablock>
        <para>De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.<?linebreak?>Ingevolge 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:<?linebreak?>a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van </para>
        <para>    het kind, of<?linebreak?>b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of<?linebreak?>c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang </para>
        <para>    met zijn ouder heeft doen blijken, of<?linebreak?>d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <parablock>
        <para>Gebleken is dat de moeder en de kinderen sinds de tussenbeschikking hard hebben gewerkt en dat zij zich hebben ingezet voor de door het hof beoogde hulpverlening. Zo blijkt uit de berichten van [naam2] dat de moeder beschikbaar is geweest voor het traject Ouderschap Blijft en heeft er een hulpverleningstraject voor [de minderjarige2] plaatsgevonden waarbij zowel de moeder als [naam1] betrokken zijn geweest.</para>
        <para>Hoewel het de vader is die omgang met zijn kinderen verzoekt, is niet gebleken dat hij zich heeft ingezet om omgang met zijn kinderen in de toekomst mogelijk te maken. Uit de berichten van [naam2] blijkt dat de vader het kennismakingsgesprek voor het traject Ouderschap Blijft verschillende keren afgezegd als gevolg waarvan het traject maanden is vertraagd en uiteindelijk is geannuleerd. Hoewel de vader (uiteindelijk) toestemming heeft gegeven voor het hulpverleningstraject voor [de minderjarige2] en een doel van dit traject was omgang tussen de vader en [de minderjarige2] in de toekomst mogelijk te maken, heeft de vader niet deelgenomen aan dit traject. Dit acht het hof onbegrijpelijk.</para>
        <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad aangegeven niet te weten wat nog ingezet kan worden om omgang tussen de vader en de kinderen mogelijk te maken. Het hof is met de raad van oordeel dat hulpverlening inmiddels een gepasseerd station is. Het nogmaals inzetten van een hulpverleningstraject zou opnieuw veel vergen van de moeder en de kinderen, terwijl het nog maar de vraag is of de vader er dit keer wel aan zou meewerken. Dat is niet in hun belang. Het hof is van oordeel dat de vader meer dan genoeg kansen heeft gehad om te werken aan het tot stand komen van omgang met zijn kinderen en dat de kinderen en de moeder op dit moment gebaat zijn bij rust en duidelijkheid. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande acht het hof het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en kinderen in de gegeven omstandigheden in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen, zodat het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen zal bekrachtigen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 februari 2020, ten aanzien van het gezag over de kinderen, en in zoverre opnieuw beschikkende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat het gezag over de minderjarige kinderen van partijen</para>
    </parablock>
    <para>- [de minderjarige1] , geboren [in] 2007 te [plaats1] ,</para>
    <para>- [de minderjarige2] , geboren [in] 2014 te [plaats1] ,</para>
    <para>- [de minderjarige3] , geboren [in] 2017 te [woonplaats1] ,</para>
    <para>met ingang van heden alleen aan de moeder toekomt;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 februari 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, P.B. Kamminga en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 3 november 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>