<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:8756</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-03T10:31:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.298.400/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:8756">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:8756</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-03T10:31:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:8756 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-10-2022 / 200.298.400/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:8756:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Procesrecht. Ontvankelijkheid in hoger beroep?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:8756:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden, afdeling civiel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.298.400/01</para>
      <para>zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, 8671108 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 11 oktober 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>die woont in [woonplaats1]  </para>
      <para>die hoger beroep heeft ingesteld </para>
      <para>en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie</para>
      <para>hierna <emphasis role="bold">[appellant]</emphasis> te noemen </para>
      <para>vertegenwoordigd door mr. L. Barou </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de vereniging Vereniging van eigenaars Complex Landstraat Nood-Brinklaan te Bussum,</emphasis>
      </para>
      <para>die is gevestigd in Hilversum</para>
      <para>en bij de kantonrechter optrad als eiseres in conventie en verweerder in reconventie</para>
      <para>hierna de <emphasis role="bold">VVE</emphasis> te noemen</para>
      <para>vertegenwoordigd door mr. A.J.M. van Kooten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>
        [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 21 april 2021 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding in hoger beroep van 20 juli 2021</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenarrest van 28 september 2021 waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van die op 16 november 2021 gehouden mondelinge behandeling</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van grieven van 8 maart 2022</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord van 17 mei 2022.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Een voorvraag: heeft [appellant] tijdig hoger beroep ingesteld?</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In haar memorie van antwoord wijst de VVE erop dat zij pas op 2 augustus 2021, via een herstelexploot, kennis heeft gekregen van het door [appellant] ingestelde hoger beroep, omdat het exploot van 20 juli 2021 is gericht aan een onjuist adres en haar niet heeft bereikt binnen de beroepstermijn, en overigens ook nog niet ten tijde van het opstellen van de memorie van antwoord. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Volgens de VVE heeft [appellant] aldus niet tijdig, te weten uiterlijk drie maanden na 21 april 2021, hoger beroep ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het hof constateert dat in het procesdossier, dat door de VVE is overgelegd voor het geven van een uitspraak door het hof, als procesinleiding in hoger beroep alleen het herstelexploot zit van 2 augustus 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen om op 25 oktober 2022  bij akte de op 20 juli 2021 uitgebrachte dagvaarding, die wel bij de griffie van het hof is ingediend, in geding te brengen en in die akte te reageren op het beroep van de VVE over de overschrijding van de beroepstermijn. </para>
        <para>De VVE mag zich daarover vervolgens eveneens bij akte uitlaten bij akte van twee weken later.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>In afwachting hiervan wordt de beoordeling van het inhoudelijke geschil aangehouden.	</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 25 oktober 2022 voor akte van [appellant] zoals bedoeld in overweging 2.4, waarna de VVE daarop bij akte op de rol van 8 november 2022 mag reageren;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, J.H. Kuiper en J. Smit, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>11 oktober 2022. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>