<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:8440</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-07T10:55:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.306.097/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:8440">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:8440</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-07T10:55:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:8440 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 03-10-2022 / Wahv 200.306.097/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:8440:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Een bord dat sterk lijkt op een bord E4 uit het RVV 1990, heeft dezelfde juridische status. Wanneer bij een bord E4 een onderbord 'alleen in de vakken' is aangebracht, zijn zowel feitcode R397e als R397j van toepassing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:8440:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.306.097/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 237727215 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 3 oktober 2022</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank             Midden-Nederland van 8 november 2021, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding en om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt. </para>
      <para>De zaak is behandeld op de zitting van 19 september 2022. Namens de gemachtigde van de betrokkene is verschenen mr. O. van der Meer. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door       [naam1] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling</title>
    <para>1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid op andere dan aangegeven wijze (R397e)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 november 2020 om 22.56 uur op het 24 Oktoberplein in Utrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .</para>
    <para />
    <para>2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep primair aan dat de betrokkene niet strafbaar heeft gehandeld, omdat het ter plaatse aanwezige bord geen bord is als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en het dus geen juridisch geldend verkeersbord betreft. Subsidiair stelt de gemachtigde dat als de betrokkene al een bord zou hebben genegeerd, het bord nog het meest lijkt op een verkeersbord E4 als bedoeld in de bijlage 1 van het RVV 1990. In dat geval is niet feitcode R397e van toepassing, maar R397j. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde stelt voorts dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. De ambtenaar verklaart dat hij uit zijn dienstvoertuig is gestapt om de betrokkene aan te spreken en dat de betrokkene vervolgens direct wegreed. De ambtenaar had op dat moment direct een staandehouding kunnen verrichten, nu hij een dienstvoertuig voorzien van optische- en geluidssignalen én stoptekens tot zijn beschikking had.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het ter plaatse aanwezige bord een bord E4 is in de zin van bijlage 1 van het RVV 1990. Daartoe wordt onder verwijzing naar het arrest van het hof van 25 maart 2016 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:2449) aangevoerd dat van belang is hoe het bord zich voordoet aan de gemiddelde weggebruiker. In dat verband wordt nog opgemerkt dat de omstandigheid dat de ambtenaar het bord niet voor een bord E4 heeft aangezien, niet maakt dat er geen sprake is van een bord E4. </para>
    <para />
    <para>4. De onderhavige gedraging, met feitcode R397e, ziet op een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, ten tweede, van het RVV 1990, dat inhoudt:</para>
    <para>“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren: (…)</para>
    <para>d. op een parkeergelegenheid: (…)</para>
    <para>2°. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven; (…)”</para>
    <para />
    <para>5. Artikel 62 van het RVV 1990 bepaalt: “Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”</para>
    <para />
    <para>6. Uit hoofdstuk E van bijlage 1 van het RVV 1990 blijkt dat een parkeergelegenheid wordt aangeduid met bord E4.</para>
    <para />
    <para>7. De gedraging behorend bij feitcode R397j ziet op een overtreding van artikel 24, vierde lid, van het RVV 1990, dat inhoudt: </para>
    <para>“Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage I, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.”</para>
    <para />
    <para>8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.</para>
    <para />
    <para>9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: </para>
    <parablock>
      <para>“Ik, verbalisant, zag dat personenauto buiten de vakken stond geparkeerd. In verband met overlastgevende jeugd direct bekeurd. Bestuurder ging ervandoor toen hij ons zag. (…)</para>
      <para>Overtreden artikel: 24 lid 1 sub d RVV 1990 (…)</para>
      <para>Reden geen staandehouding: bestuurder reed weg toen hij ons uit zag stappen.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>10. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal overgelegd van </para>
    <parablock>
      <para>29 april 2022, waarin de ambtenaar - voor zover relevant - het volgende verklaart:</para>
      <para>“Ons was ambtshalve bekend dat bij de Esso aan het 24 Oktoberplein 1 te Utrecht, veel overlast meldingen binnen kwamen bij de politie. Via de wijkagenten kregen wij als basisteam het verzoek om het tankstation meerdere keren mee te nemen in de surveillance. (…)</para>
      <para>Omstreeks 22.56 uur, reden wij het terrein op van de Esso aan het 24 Oktoberplein 1. Ik zag toen dat er meerdere auto’s geparkeerd stonden op de parkeerplaats van de Esso. Ik zag toen dat de meerdere auto’s binnen de vakken waren geparkeerd op een na.</para>
      <para>Ik zag dat een grijze BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] , buiten de parkeervakken geparkeerd stond, naast de daartoe bestemde parkeervakken. Ik ben toen uit het dienstvoertuig gestapt om de bestuurder van deze grijze BMW staande te houden. Toen ik uit de auto stapte zag ik dat de grijze BMW meteen weg reed en vervolgens de weg opreed op de Weg der Verenigde Naties. (…)</para>
      <para>Betrokkene heeft verklaard dat hij aan het tanken was bij een tankstation. Toen ik en mijn collega ter plaatse kwamen stond betrokkene met zijn grijze BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] geparkeerd buiten de vakken naast de daartoe bestemde parkeervakken. Er was op dat moment geen sprake van tanken. (…)</para>
      <para>De betrokkene heeft ook verklaard dat hij niet begreep waarom hij niet is staande is gehouden. Daar kan ik het volgende over (het hof begrijpt: verklaren). Als de betrokkene was blijven staan en niet meteen was weggereden bij het zien van de politie, was hij staande gehouden door mij. Het is dan ook niet realistisch dat ik te voet de betrokkene in zijn voertuig staande had kunnen houden. Mijn eigen veiligheid gaat voorop als ik een voertuig of een betrokkene niet veilig kan staande houden.</para>
      <para>Ik heb betrokkene een bekeuring gegeven op grond van feitcode R397e, parkeren op parkeergelegenheid op andere dan aangegeven wijze. De aangegeven wijze is binnen de parkeervakken. Als er een E4 bord had gehangen dan had ik betrokkene wel een bekeuring gegeven op grond van feitcode R397j, parkeren buiten parkeervak bij één van de borden E4 tot en met E10, E12 of E13 v/d bijlage I van het RVV 1990. Hier was geen sprake van en daarom heb ik de keuze gemaakt voor feitcode R397e.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt </para>
    <para>geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.</para>
    <para />
    <para>12. Uit de verklaring blijkt dat de ambtenaar de betrokkene te voet benaderde en dat de betrokkene wegreed in de richting van een druk kruispunt bij het zien van de ambtenaar. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Aldus is de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.</para>
    <para />
    <para>13. De ambtenaar heeft een foto bijgevoegd van het bord dat ten tijde van de gedraging ter plaatse aanwezig was. Het hof heeft deze foto in het arrest opgenomen. Het betreft een rechthoekig blauwgekleurd bord. Aan de rechterzijde wordt door middel van een symbool en tekst aangegeven dat afval in de vuilnisbak dient te worden gedeponeerd, aan de linkerzijde van het bord is een wit vierkant afgebeeld voorzien van een blauwe P. Hieronder is de volgende tekst opgenomen: “het is niet meer toegestaan om te parkeren buiten de parkeervakken”.  </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="f13b1a96-2e54-4ac7-a653-24021c286f5b" depth="221" width="213" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para>14. Verder heeft de ambtenaar nog een luchtfoto bijgevoegd waarop het tankstation en het omliggende terrein zijn afgebeeld. Op het terrein zijn vier parkeervakken zichtbaar. De ambtenaar heeft met een zwarte balk aangegeven waar het voertuig van de betrokkene stond, te weten naast de parkeervakken en op enige afstand van de pompen.</para>
    <para />
    <para>15. Het hof is van oordeel dat op basis van de verklaring van de ambtenaar en de bijgevoegde afbeeldingen van de situatie ter plaatse kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene stond op het terrein van het tankstation dat is voorzien van vier parkeervakken en dat het voertuig van de betrokkene niet in een parkeervak stond. De enkele, niet onderbouwde stelling dat de betrokkene aan het tanken was, geeft het hof geen aanleiding om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen. </para>
    <para />
    <para>16. Voor zover de gemachtigde stelt dat uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat er in het geheel geen sprake was van parkeren, overweegt het hof dat artikel 1 van het RVV 1990 onder parkeren verstaat: “het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.”. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt weliswaar dat de betrokkene zich in zijn voertuig bevond en bij het zien van de ambtenaar is weggereden, maar de gemachtigde heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat voormelde uitzondering voor onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen, zich hier voordeed. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van parkeren. Vervolgens zal het hof beoordelen of parkeren was toegestaan op plek waar het voertuig stond.</para>
    <para />
    <para>17. Met betrekking tot de grond van de gemachtigde dat het ter plaatse aanwezige bord juridische werking ontbeert omdat het geen bord is als bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990, overweegt het hof dat voor de vraag of sprake is van - in dit geval - een bord E4, bepalend wordt geacht of het bord zich aan de gemiddelde weggebruiker voordoet als een bord E4 conform bijlage 1 van het RVV 1990. Daarbij staat het niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersteken overeenkomstig de voorschriften - daaronder te begrijpen: overeenkomstig een geldig verkeersbesluit - en terecht is geplaatst. Dat is slechts anders in het geval de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersteken betrekking heeft dat bij gevolg geven aan dat teken de veiligheid op de weg in gevaar zou worden gebracht. Daarvan is hier geen sprake.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>18. In het onderhavige geval gaat het om een rechthoekig blauwgekleurd bord, waarbij aan de linkerzijde een wit vierkant is afgebeeld voorzien van een blauwe P. Naar het oordeel van het hof vertoont het geplaatste bord dusdanige gelijkenis met het in de bijlage van het RVV 1990 opgenomen bord E4 (blauw bord met witte P) dat het bord zich daarmee aan de gemiddelde weggebruiker voordoet als een bord E4 en dat dit bord met een bord E4 moet worden gelijkgesteld. Het bord moet derhalve worden aangemerkt als een verkeersteken in de zin van de WVW 1994, waaraan iedere weggebruiker en dus ook de betrokkene gevolg diende te geven. Het hof is voorts van oordeel dat de tekst onder het bord met de witte P heeft te gelden als een onderbord in de zin van artikel 8 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. </para>
    <para />
    <para>19. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de gebruikte feitcode niet van toepassing is, omdat de tekst onder het bord E4 dat aangeeft dat in de vakken geparkeerd moet worden, niet kan gelden als het op aangegeven wijze van parkeren als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, ten tweede, van het RVV 1990. De overweging die daaraan ten grondslag ligt, is dat blijkens artikel 24, vierde lid, van het RVV 1990 op een met bord E4 aangeduide parkeergelegenheid altijd in de parkeervakken moet worden geparkeerd. Voormelde tekst impliceert aldus hetzelfde als het bord E4 en stelt dan ook geen beperking of voorwaarde aan het gebruik van de parkeergelegenheid. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal stelt - evenals de gemachtigde - voor om de feitcode en de omschrijving van de gedraging te wijzigen in R397j: “op een parkeergelegenheid parkeren buiten de aangegeven parkeervakken (borden E4 tot en met E10, E12 of E13 bijlage 1)”.</para>
    <para />
    <para>20. Het hof heeft bij uitspraak van 23 november 2017, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2017:10287, geoordeeld dat als sprake is van een bord E4 met onderbord ‘in de vakken’, deze tekst kan gelden als het op aangegeven wijze van parkeren als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, ten tweede, van het RVV 1990. Het hof ziet geen aanleiding thans anders te oordelen. Het staat de ambtenaar in dit geval vrij om te kiezen voor het opleggen van een sanctie voor feitcode R397e of voor feitcode R397j. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het  bedrag van de sanctie voor beide feitcodes gelijk is (ten tijde van de gedraging € 95,-). Het voorgaande brengt mee dat het hof niet zal overgaan tot wijziging van de feitcode en omschrijving van de gedraging. </para>
    <para />
    <para>21. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.</para>
    <para />
    <para>22. Dit leidt tot de volgende beslissing.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt de beslissing van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd dit arrest te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>