<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:8333</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-29T11:00:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.281.109/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:8333">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:8333</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-29T08:06:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:8333 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 27-09-2022 / 200.281.109/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:8333:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Immateriële schade na gaswinning. Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:10717. In dat tussenarrest is overwogen dat aanspraak op smartengeld vanwege een aantasting in de persoon op andere wijze bestaat indien sprake is geweest van de vaststelling van (minimaal) tweemaal materiële schade door de aardgaswinning (zogenaamde A- of B-schade). In deze zaak verschillen NAM en een bewoner over de vraag of daarvan sprake is geweest. Bewoner ziet ervan af te bewijzen dat hij aanspraak heeft op tweemaal schade. Vordering afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:8333:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.281.109/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/109028)  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 27 september 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te 's-Gravenhage,</para>
      <para>appellante in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,<?linebreak?>bij de rechtbank: gedaagde,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">NAM</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. R. van Tricht, die kantoor houdt te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats1] ,</para>
      <para>geïntimeerde in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>appellante in het incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>bij de rechtbank: eiseres,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. P.W. Huitema, die kantoor houdt te Groningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure bij het hof </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 augustus 2020 hier over.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft ervan afgezien een akte te nemen. Zij heeft het hof laten weten niet verder te willen procederen voor de immateriële schade, maar wel de kosten voor gemist onstoffelijk voordeel vergoed te willen krijgen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vervolgens zijn de stukken opnieuw overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof een datum voor arrest bepaald.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>
      <?linebreak?>2.	Waar gaat het in deze zaak om?</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft samen met een aantal andere eigenaren en/of bewoners van een woning in (de omgeving van) het gebied waar aardgas wordt gewonnen een procedure aanhangig gemaakt tegen NAM. In deze procedure vorderden zij dat wordt vastgesteld dat zij recht hebben op vermogensschade vanwege het gemis aan een ongestoord woongenot en dat zij recht hebben op vergoeding van smartengeld (immateriële schade), onder meer vanwege die inbreuk op hun woongenot.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In een arrest van 17 december 2019<footnote-ref linkend="_88f88174-03aa-431b-ad28-863643762ca5" /> heeft het hof bepaald dat onder andere [geïntimeerde] haar vordering tot vergoeding van immateriële schade nog verder dient te onderbouwen. De Hoge Raad heeft op 15 oktober 2021<footnote-ref linkend="_31f338f8-3bc1-4f37-a03a-b386bc4b8261" /> het cassatieberoep tegen dat arrest verworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Nadat [geïntimeerde] en een aantal andere eisers hadden aangegeven hun vordering verder te willen onderbouwen, heeft het hof in een arrest van 4 augustus 2020 de procedure gesplitst, in die zin dat de vorderingen van ieder van deze eisers (of indien twee eisers een gezamenlijke woning hadden van deze beide eisers tezamen) verder zouden worden behandeld in een afzonderlijke procedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Na deze afsplitsing heeft [geïntimeerde] laten weten dat zij (toch) niet verder wil procederen over de immateriële schade. Het hof leidt daaruit af dat zij deze vordering niet verder wil onderbouwen. Het hof zal haar vordering tot vergoeding van immateriële schade afwijzen. Haar vorderingen betreffende het gemist woongenot zijn wel toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het hof zal deze beslissing hierna toelichten.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>
      <?linebreak?>3.	De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het hof heeft in het arrest van 17 december 2019 eisen gesteld aan de toewijsbaarheid van de vorderingen van (onder meer) [geïntimeerde] . Die eisen komen erop neer dat een vordering tot vergoeding van vermogensschade vanwege gemist woongenot toewijsbaar is indien aan de woning van eisers minimaal eenmaal fysieke schade veroorzaakt of verergerd door aardbevingen (zogenaamde A-schade of B-schade) is vastgesteld. Voor de toewijsbaarheid van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is vereist dat tenminste tweemaal A- of B-schade is vastgesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>In het arrest van 17 december 2019 heeft het hof alle eisers ingedeeld in categorieën.<?linebreak?>[geïntimeerde] is ingedeeld in categorie B1 (eisers van wie de vergoeding tot vermogensschade wegens gemist woongenot toewijsbaar is, maar van wie onduidelijk is of het smartengeld wel toewijsbaar is). Deze indeling was gebaseerd op de aan het hof voorgelegde gegevens over het aantal malen dat A- of B-schade aan de woningen van (onder meer) [geïntimeerde] was vastgesteld. Het hof zal in dit arrest uitgaan van wat het daarover in dat arrest heeft overwogen. <?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Omdat, volgens het genoemde arrest, bij de woning van [geïntimeerde] eenmaal, en niet tweemaal, A- of B-schade is vastgesteld en door haar geen aanvullende gegevens zijn aangevoerd, zullen haar vorderingen tot vergoeding van immateriële schade worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Voor de vorderingen tot vergoeding van schade vanwege gemist woongenot ligt dat anders. Voor degenen die door het hof zijn ingedeeld in categorie B1, zoals [geïntimeerde] , staat vast dat eenmaal sprake is geweest van A- of B-schade. Hun vordering tot vergoeding van vermogensschade vanwege gemist woongenot en de daarmee samenhangende vordering tot een verklaring voor recht zijn dan ook toewijsbaar. <?linebreak?>In het arrest 19 december 2019 overwoog het hof over de wijze van begroting van deze schade:<?linebreak?>‘<emphasis role="italic">De vermogensschade vanwege gemist woongenot moet worden begroot volgens de door de Hoge Raad in de uitspraak van 19 juli 2019 [hof: in rov. 2.12.4] gegeven maatstaf (…). Die komt erop neer dat de huurwaarde van een woning in een situatie zonder bodembewegingen (op basis van een marktconforme huur) moet worden vergeleken met de huurwaarde van dezelfde woning maar dan in de situatie met bodembewegingen. Het verschil tussen beide waardes is de schade. Die schade is verschuldigd in de periode dat het woongenot is gemist. </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Vanwege het verband tussen fysieke schade aan een woning en het ontstaan van het recht op schadevergoeding wegens gemist woongenot is het uitgangspunt dat deze periode begint op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vastgestelde A- of B-schade is ontstaan. Voor de keuze van het eindpunt van de periode geldt als uitgangspunt de laatste dag van de maand waarin de schade is hersteld en geheel financieel is afgewikkeld</emphasis>.’<?linebreak?>In de schadestaatprocedure zal de schade vanwege gederfd woongenot overeenkomstig deze maatstaf moeten worden begroot.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde] betreffende het gederfd woongenot toewijzen en die betreffende het smartengeld afwijzen. <?linebreak?>In het arrest van 19 december 2019 heeft het hof het vonnis van de rechtbank al vernietigd. Dat hoeft dus niet meer te gebeuren. Ook heeft het hof al beslist op de proceskosten tot dat moment. Nadien zijn partijen alleen griffierecht verschuldigd geworden. Omdat dat het gevolg is van de (aanvankelijke) keuze van [geïntimeerde] om door te procederen over het smartengeld, en [geïntimeerde] op dat punt in het ongelijk is gesteld, zal het hof haar in die kosten veroordelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>
      <?linebreak?>4.	De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart voor recht dat NAM onrechtmatig heeft gehandeld tegen [geïntimeerde] en aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW en 6:177 BW voor haar vermogensschade wegens gemist woongenot;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt NAM tot vergoeding van de vermogensschade wegens gemist woongenot, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van NAM die gemaakt zijn na de splitsing van de procedure en bepaalt deze kosten op € 716,- voor verschotten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;<?linebreak?></para>
      <para>wijst de andere vorderingen af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, R.E. Weening en M. Willemse en is op <?linebreak?>27 september 2022 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_88f88174-03aa-431b-ad28-863643762ca5" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2019:10717.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31f338f8-3bc1-4f37-a03a-b386bc4b8261" label="2">
    <para> ECLI:NL:HR:2021:1534.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>