<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:7370</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-31T10:31:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.304.454/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:7370">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:7370</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-31T10:31:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:7370 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 25-08-2022 / 200.304.454/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:7370:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Anders dan de rechtbank verbindt het hof geen dwangsom aan nakoming van de zorgregeling door de moeder. De vader heeft hier niet om verzocht en de dwangsom heeft geen effect gehad.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:7370:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.304.454/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Overijssel 226213)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 25 augustus 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis> (de moeder),</para>
      <para>wonende te [woonplaats1] ,<?linebreak?>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>advocaat: voorheen: mr. N.C. Spermon-Ploegmakers te Maarssen, thans: geen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis> (de vader),</para>
      <para>wonende te [woonplaats2] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>advocaat: mr. R.R.J.A. Olie-Hallmans te Meppel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats/locatie Zwolle, van 1 mei 2019, 6 juni 2019, 19 maart 2020 en 27 september 2021 (de laatstgenoemde beschikking hierna verder te noemen: de bestreden beschikking).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het beroepschrift, ingekomen op 27 december 2021;</para>
      <para>- een journaalbericht namens de moeder van 11 januari 2022 met bijlage(n);</para>
      <para>- een journaalbericht namens de moeder van 20 januari 2022 met bijlage(n);</para>
      <para>- het verweerschrift met bijlage(n);</para>
      <para>- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) van 15 april 2022. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2010, heeft bij brief, bij het hof ingekomen op 28 juni 2022, aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling heeft op 21 juli 2022 in Zwolle plaatsgevonden. De moeder is verschenen. Ook is de vader verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">3.	De feiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Uit het - [in] 2019 door echtscheiding ontbonden - huwelijk van de ouders is [de minderjarige] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] . Sinds het feitelijk uiteengaan van de ouders eind 2016 woont [de minderjarige] bij de moeder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beschikking van 1 mei 2019 is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld (die de ouders zelf waren overeengekomen):</para>
        <para>de vader en [de minderjarige] hebben twee dagen in de maand op zaterdag of zondag (de dag in</para>
        <para>onderling overleg af te stemmen) onder begeleiding van de oudste zus van de moeder van</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>09.00</nr>
      <parablock>
        <para>uur tot 18.00 uur omgang met elkaar, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en</para>
        <para>haar weer terugbrengt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Bij beschikking van 19 maart 2020 heeft de rechtbank voornoemde voorlopige zorgregeling gewijzigd in die zin dat de vader en [de minderjarige] contact met elkaar zullen hebben onder begeleiding van [naam1] , op een door [naam1] aan te geven wijze en frequentie. Verder heeft de rechtbank de ouders in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling bij [naam1] en de begeleide zorgregeling bij [naam1] . </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Tussen de ouders is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende [de minderjarige] . Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:</para>
      <para>- de voorlopige zorgregeling gewijzigd en de volgende (definitieve) zorgregeling vastgesteld:</para>
      <para>de vader en [de minderjarige] hebben één dag (minimaal acht uur per omgangscontact) per veertien dagen omgang met elkaar in een weekend dat de vader in Nederland verblijft;</para>
      <para>- bepaald dat de moeder met ingang van de eerstvolgende maand vanaf de datum van de bestreden beschikking voor iedere keer dat zij voornoemde zorgregeling niet nakomt, aan de vader een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van bruto € 1.000,-, welk bedrag de vader per keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt, maandelijks mag verrekenen met de door hem te betalen partneralimentatie, tot een maximum totaalbedrag van € 25.000,- bruto.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de vader en [de minderjarige] contact met elkaar zullen hebben onder begeleiding, op een door de begeleiding aan te geven wijze en frequentie, welke regeling in onderling overleg tussen partijen, de begeleiding en de coach van [de minderjarige] kan worden uitgebreid, voor zover dat in het belang van [de minderjarige] wordt geacht, dan wel een zorgregeling vast te leggen zoals het hof die in het belang van [de minderjarige] meent te moeten vaststellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De vader voert verweer en hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de moeder af te wijzen.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag.  Deze regeling kan omvatten:<?linebreak?>a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;</para>
      <para>b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;</para>
      <para>c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;</para>
      <para>d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>In hoger beroep is gebleken dat de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling niet wordt uitgevoerd. De reden hiervan is mede gelegen in de omstandigheid dat de omgang onbegeleid diende plaats te vinden en dit was en is voor de moeder een stap te ver. De vader wil(de) niet iets forceren met de kans dat hij daarmee zichzelf in de vingers zou snijden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de stukken en wat de moeder ter zitting heeft gezegd, leidt het hof af dat de moeder vindt dat er wel omgang tussen [de minderjarige] en de vader dient plaats te vinden en dat zij hiertoe ook instanties heeft benaderd. Op grond van de stukken constateert het hof echter dat de moeder dit vaker heeft gedaan, maar dat deze hulpverleningstrajecten vervolgens niet daadwerkelijk van de grond zijn gekomen doordat de moeder uiteindelijk toch niet wilde meewerken. </para>
        <para>Voor de moeder is het belangrijkste dat er voor de veiligheid van [de minderjarige] altijd een derde aanwezig is bij de omgang. </para>
        <para>De vader is bereid tegemoet te komen aan (een deel van) de wensen van de moeder en [de minderjarige] en stelt zich flexibel op. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Het hof is niet gebleken van contra-indicaties voor (onbegeleide) omgang. De moeder heeft de door haar gestelde zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] onvoldoende onderbouwd. Het hof acht mede daarom professionele begeleiding van de omgang niet nodig. Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de moeder en [de minderjarige] het wenselijk vinden dat (in ieder geval de eerste keren) de moeder en/of de opa (vaderszijde) aanwezig is/zijn bij de omgang. De vader heeft hiermee ingestemd. Het hof acht dit - mede gelet op het feit dat [de minderjarige] en de vader de afgelopen jaren nauwelijks contact hebben gehad met elkaar - een geschikte optie voor de eerste vijf omgangsmomenten om de omgang weer tot stand te brengen. Het hof is van oordeel dat na afloop van deze vijf omgangsmomenten de omgang tussen de vader en [de minderjarige] voortaan onbegeleid kan plaatsvinden, één keer per veertien dagen gedurende een hele dag. Het hof acht daarom de volgende zorgregeling in het belang van [de minderjarige] :</para>
      <para>- eerst vijf omgangsmomenten gedurende een dagdeel per veertien dagen op neutraal terrein in het weekend dat de vader in Nederland verblijft, in onderling overleg door de ouders nader te bepalen. Opa (vaderszijde) en/of de moeder mogen – als zij dat zelf willen – aanwezig zijn bij deze omgangsmomenten;</para>
      <para>- vanaf daarna: één keer per veertien dagen onbegeleide omgang gedurende een hele dag in het weekend dat de vader in Nederland verblijft, in onderling overleg door de ouders nader te bepalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Met betrekking tot de eerste vijf omgangsmomenten, waarbij de moeder de keuze heeft al dan niet aanwezig te zijn bij het omgangsmoment, geeft het hof de moeder mee dat [de minderjarige] volgens de vader tegen hem heeft gezegd dat ze graag wil dat de moeder bij de omgang aanwezig is. De vader vindt dat ook goed. Het hof acht het daarom in het belang van [de minderjarige] aangewezen dat de moeder de wens van [de minderjarige] hierin volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>Het hof zal, anders dan de rechtbank, geen dwangsom verbinden aan de omgangsregeling. De vader heeft hierom niet verzocht. Uit het feit dat de ouders de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling niet hebben uitgevoerd, blijkt bovendien dat een dwangsom niet het door de rechtbank beoogde effect heeft gehad en eerder contraproductief lijkt te werken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, beschikkende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 27 september 2021, en opnieuw beschikkende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijzigt de bij beschikking van 19 maart 2020 vastgestelde voorlopige zorgregeling en stelt de volgende (definitieve) zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast:</para>
    </parablock>
    <para>- eerst vijf omgangsmomenten gedurende een dagdeel per veertien dagen op neutraal terrein in het weekend dat de vader in Nederland verblijft. Opa (vaderszijde) en/of de moeder mogen – als zij dat zelf willen – aanwezig zijn bij deze omgangsmomenten, in onderling overleg door de ouders nader te bepalen;</para>
    <para>- vanaf daarna: één keer per veertien dagen onbegeleide omgang gedurende een hele dag in het weekend dat de vader in Nederland verblijft, in onderling overleg door de ouders nader te bepalen;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders verzochte af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, R. Feunekes en J.G. Knot, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 25 augustus 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>