<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:4937</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-24T12:50:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21-005027-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:4937">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:4937</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-24T11:04:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:4937 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-06-2022 / 21-005027-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:4937:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verstekvonnis in eerste aanleg; het Hof wijst de zaak terug omdat de raadsman geen afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg heeft ontvangen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:4937:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer:	21-005027-20 </para>
    <para>Uitspraak d.d.:	25 mei 2022</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,</para>
    <para>gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 12 november 2020 met parketnummer 08-131205-19 in de strafzaak tegen</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. L.A.R. Newoor, naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft verdachte bij verstek voor het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest en met de oplegging van algemene voorwaarden en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [benadeelde] . Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij <?linebreak?> toegewezen tot een bedrag van € 22.624,87. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft het hof verzocht om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, omdat de zaak in eerste aanleg ten onrechte bij verstek is behandeld en de procedure in eerste aanleg derhalve nietig is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van het openbaar ministerie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de zaak zal terugverwijzen naar de rechtbank om aldaar te worden berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van het hof</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt dat uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat de raadsman van verdachte, mr. L.A.R. Newoor, op 4 september 2020 per e-mail aan het Openbaar Ministerie kenbaar heeft gemaakt zich als raadsman te stellen in deze zaak. Uit het proces-verbaal van de zitting van 29 oktober 2020, het vonnis van de Rechtbank Overijssel en een e-mail van een medewerker van de rechtbank blijkt dat de stelbrief van de raadsman niet is verwerkt. De zaak is vervolgens op 29 oktober 2020 bij verstek behandeld. In het proces-verbaal van die zitting is opgenomen dat ‘mr. P.L.M. Krauth, advocaat te Rotterdam’ niet is verschenen. Uit dit proces-verbaal blijkt verder niet dat de rechtbank nader onderzoek heeft verricht naar de afwezigheid van de raadsman. Verder heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep geen omstandigheid voorgedaan waaruit blijkt dat de raadsman bekend was met de dag en het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de raadsman geen afschrift van de dagvaarding heeft ontvangen en dat verder ook niet vast te stellen is dat hij op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg. Voorts had het op de weg van de rechtbank gelegen om nader onderzoek te verrichten naar de afwezigheid van een raadsman en had de rechtbank zonder dergelijk onderzoek niet aan de behandeling van de zaak toe mogen komen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het onderzoek in eerste aanleg nietig is. Dit brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd. Het hof zal de zaak ingevolge artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terugverwijzen naar de rechtbank, teneinde de zaak op de uitgebrachte inleidende dagvaarding verder te berechten in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het tijdstip van het uitroepen der zaak op de zitting in eerste aanleg van 29 oktober 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door</para>
      <para>mr. G. Mintjes, voorzitter,</para>
      <para>mr. R.G.J. Welbergen en mr. J. Corthals, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,</para>
      <para>en op 25 mei 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>