<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:4195</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-23T13:08:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.306.952/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:4195">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:4195</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-23T13:08:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:4195 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-05-2022 / 200.306.952/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:4195:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep tegen kort geding vonnis waarbij de rechter had bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring bij het opmaken van een akte tot teruglevering. Hoger beroep is niet ingeschreven in het appellenregister en is om die reden niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:4195:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.306.952/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 209403)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 24 mei 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellant] ,</title>
    <parablock>
      <para>die woont in [woonplaats1] , en</para>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[appellante]</emphasis>,</para>
      <para>die woont in [woonplaats2] ,</para>
      <para>appellanten,</para>
      <para>bij de voorzieningenrechter: gedaagden,</para>
      <para>hierna gezamenlijk: <emphasis role="bold">[appellanten]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. E.T. van Dalen, die kantoor houdt in Groningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [geïntimeerde1] , en</title>
    <parablock>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[geïntimeerde2]</emphasis>,</para>
      <para>die wonen in [woonplaats3] ,</para>
      <para>geïntimeerden,</para>
      <para>bij de voorzieningenrechter: eisers,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerden]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. W.G. ten Have, die kantoor houdt in Winschoten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure bij de voorzieningenrechter</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 4 februari 2022 (het vonnis vermeldt abusievelijk het jaartal 2021) van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In de appeldagvaarding van 14 februari 2022 concluderen [appellanten] tot vernietiging van het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van 4 februari 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op de rol van 22 februari 2022 hebben [appellanten] een incidentele vordering opgeworpen, strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op grond van artikel 351 Rv.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [geïntimeerden] hebben een incidentele antwoordmemorie genomen op 8 maart 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        [appellanten] hebben op de rol van 22 maart 2022 de stukken aan het hof gegeven voor het wijzen van arrest in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Op 5 april 2022 heeft het hof geen arrest gewezen in het incident, maar de zaak terugverwezen naar de rol en [appellanten] gevraagd zich uit te laten over de vraag of het hoger beroep is ingeschreven in het register als bedoeld in art. 433 Rv (hierna: het rechtsmiddelenregister).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Bij akte van 12 april 2022 hebben [appellanten] laten weten dat het hoger beroep niet is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister en dat zij zich realiseren dat dit zal leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van hun hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Het hof zal vandaag arrest wijzen op het griffiedossier.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende. [appellanten] hebben op 19 september 2003 de woonboerderij met landerijen aan de [adres1] in [woonplaats3] (hierna: de woonboerderij) gekocht van [geïntimeerden] Na levering daarvan heeft het hof in Den Bosch bij arrest van 20 augustus 2019 (zaaknr. 200.231.343/01) de koopovereenkomst ontbonden. [geïntimeerden] zijn veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>In het kader van de afwikkeling van de over en weer bestaande verbintenissen hebben partijen geen overeenstemming bereikt over de (voorwaarden voor) teruglevering van de woonboerderij.  [geïntimeerden] hebben weliswaar een derde als koper gevonden voor de woonboerderij c.a., maar [appellanten] willen niet meewerken aan de verkoop en levering aan die derde indien niet aan al hun voorwaarden wordt voldaan, zodat [appellanten] aansturen op een executoriale verkoop van de woonboerderij.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Daarop hebben [geïntimeerden] in eerste aanleg in kort geding gevorderd dat [appellanten] worden veroordeeld tot medewerking aan de teruglevering aan [geïntimeerden] . en doorverkoop van de woonboerderij via een ABC-constructie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter [appellanten] veroordeeld mee te werken aan de nakoming van de ongedaanmakingsverbintenis, bestaande uit  teruglevering van de woonboerderij aan [geïntimeerden] en daarbij bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van [appellanten] in geval zij die medewerking niet verlenen. Het vonnis, waarbij [appellanten] tevens zijn veroordeeld tot betaling van de proceskosten, is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Het hof overweegt dat een rechter kan bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is (art. 3:300 lid 2 BW). Met de veroordeling van [appellanten] om mee te werken aan de nakoming van de ongedaanmakingsverbintenis tot teruglevering van de woonboerderij aan [geïntimeerden] heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof een dergelijke bepaling gegeven.  In art. 3:301 lid 2 BW is bepaald dat hoger beroep tegen een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte (als bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW) op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Art. 3:301 lid 2 BW strekt er volgens vaste rechtspraak toe de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de rechtszekerheid die ten aanzien van de verkrijging van registergoederen is vereist. Uit HR 27 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:538) volgt dat de eis van inschrijving in het rechtsmiddelenregister slechts geldt voor gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van de akte van levering is getreden of nog kan treden. Daarvan is in de onderhavige zaak sprake. De bepaling strekt niet ter bescherming van het belang van de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld. In het licht van de ook in dit opzicht beperkte strekking van art. 3:301 lid 2 BW leidt het niet of niet tijdig inschrijven van het rechtsmiddel in de registers slechts tot niet-ontvankelijkheid voor zover wordt opgekomen tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Het staat vast dat het hoger beroep van [appellanten] niet is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Het bestreden vonnis in deze zaak heeft geen bredere strekking dan de veroordeling van [appellanten] mee te werken aan de teruglevering van de woonboerderij aan [geïntimeerden] Dit betekent dat [appellanten] niet in hun hoger beroep kunnen worden ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>
        [appellanten] zullen als de in hoger beroep in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] (salaris advocaat: 1 punt in tarief II).</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De beslissing</emphasis>
        </para>
        <para>Het hof, rechtdoende in hoger beroep:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en stelt deze kosten aan de zijde van [geïntimeerden] vast op € 343,- aan verschotten (griffierecht) en op € 1.114,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>wijst af wat meer of anders is gevorderd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, J. Smit en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 mei 2022.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>