<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:3348</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-30T08:12:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.298.192/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:3348">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:3348</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-30T08:12:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:3348 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-04-2022 / Wahv 200.298.192/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:3348:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rijbewijs niet op eerdere vordering tonen. Het wettelijk voorschrift dat is overtreden, is ten onrechte niet vermeld. Het hof verbindt daaraan geen consequenties, omdat de betrokkene aan de hand van wel vermelde informatie eenvoudig kon achterhalen welk wetsartikel het betrof.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:3348:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.298.192/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 235037086 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 26 april 2022</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2021, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
      <para>De zaak is behandeld op de zitting van 13 april 2022. De gemachtigde van de betrokkene is, zoals aangekondigd, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling</title>
    <para>1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “K150C -niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven”. Deze gedraging, zo wordt in hoger beroep niet betwist, is verricht op 16 juli 2020 om 15:23 uur op de Stadhouderskade in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .</para>
    <para />
    <para>2. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte en op onjuiste gronden het verweer heeft verworpen dat de betrokkene in zijn verdedigingsbelangen is geschaad doordat naast de feitcode K150C geen overtreden wetsartikel is genoemd en het overtreden artikel volgens het zaakoverzicht zijn grondslag vindt in “Pl.V”. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van het hof van 11 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6948, waarin het gebrek leidde tot vernietiging van de beschikking. De kantonrechter overwoog dat de betrokkene is staande gehouden en wist wat hem verweten werd. Er is geen reden waarom bij een staandehouding plots wel volstaan mag worden met “Pl.V.” De wettelijke grondslag moet er zijn, zodat de betrokkene weet wat hem wordt verweten. De inleidende beschikking dient alsnog te worden vernietigd. </para>
    <para>3. Artikel 4, eerste lid, van de Wahv houdt in:</para>
    <para>“De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van de beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen.”</para>
    <para />
    <para>4. Artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie (hierna: de Regeling), die krachtens artikel 4, eerste lid, van de Wahv is vastgesteld, houdt, voor zover hier van belang, in:</para>
    <parablock>
      <para>“Het model van de beschikking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vermeldt in ieder geval:</para>
      <para>(…) b. de gedraging, alsmede het overtreden voorschrift”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Artikel 4, eerste lid, van de Wahv beoogt te verzekeren dat het een betrokkene, aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, redelijkerwijs duidelijk is op welke gedraging die sanctie is gebaseerd en, als hij daar aanleiding voor ziet, waartegen hij zich heeft te verdedigen. De bepaling in de Regeling dat de beschikking ook het overtreden voorschrift moet bevatten, is een nadere uitwerking van dat uitgangspunt.</para>
    <para />
    <para>6. Bij beantwoording van de vraag wat de consequenties van het niet vermelden van het overtreden voorschrift in een inleidende beschikking moeten zijn, is van belang of de betrokkene hierdoor is geschaad in zijn rechtens te erkennen belangen. Die belangen bestaan in het zich tijdig en adequaat kunnen verweren tegen de opgelegde sanctie, in het bijzonder op het punt of en onder welke omstandigheden de (vermeende) gedraging strijd oplevert met een in artikel 2, eerste lid, van de Wahv bedoeld voorschrift. </para>
    <para />
    <para>7. De gemachtigde van de betrokkene heeft geen kopie van de inleidende beschikking overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling. </para>
    <para />
    <para>8. Het zaakoverzicht vermeldt als toelichting van de ambtenaar onder meer dat staandehouding heeft plaatsgevonden mede ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde bepalingen, dat de betrokkene geen gehoor gaf aan de vordering van de ambtenaar om het rijbewijs ter inzage af te geven en dat bij onderzoek is gebleken dat aan de betrokkene wel een voor het besturen van dit voertuig vereist geldig rijbewijs B was afgegeven. Als overtreden artikel is vermeld: “PL.V.” Uit het zaakoverzicht blijkt dus ook niet welk voorschrift zou zijn overtreden. </para>
    <para />
    <para>9. In de bijlage bij de Wahv, te vinden op www.overheid.nl en ook opgenomen in de Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en muldergedragingen, te vinden op www.om.nl en via de site van het CJIB, is bij feitcode K150C als overtreden artikel vermeld: 160 lid 1 sub b WVW 1994. Aldus blijkt uit eenvoudig te achterhalen informatie welk specifiek voorschrift is overtreden (vgl ov. 12 van het onder 2 genoemde arrest). Ook als het overtreden voorschrift in dit geval niet in de inleidende beschikking zou zijn vermeld, kan niet worden geoordeeld dat de betrokkene daardoor in zijn rechtens te erkennen belangen is geschaad. De inleidende beschikking hoeft niet te worden vernietigd. </para>
    <para />
    <para>10. De enkele omstandigheid dat de betrokkene is staande gehouden en (na ontvangst van de inleidende beschikking) weet dat hem wordt verweten dat hij niet op eerste vordering behoorlijk zijn rijbewijs ter inzage heeft gegeven, brengt op zichzelf niet mee dat een betrokkene zich kan verweren op het punt of en onder welke omstandigheden de (vermeende) gedraging strijd oplevert met een in artikel 2, eerste lid, van de Wahv bedoeld voorschrift. Er is in zoverre sprake van een </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>motiveringsgebrek in de beslissing van de kantonrechter. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen met verbetering van gronden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>