<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:2577</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-07T08:01:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.253.262</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBMNE:2018:4705" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:4705, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:2577">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:2577</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-06T11:34:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:2577 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 05-04-2022 / 200.253.262</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:2577:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2020:10667 na prejudiciële beslissing ECLI:NL:HR:2021:1720; het Kadaster is voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende in de zin van artikel 25 lid 3 Wet op het notarisambt op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening, mits …; veroordeling beheerder notariële kwaliteitsrekening; in verband met principieel gelijk gemotiveerde proceskostencompensatie.</para>
      <para />
      <para>Artikelen 3:89 en 260 BW; 237, 393 en 394 Rv; 25, derde lid, van de Wet op het notarisambt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:2577:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.253.262</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 445059)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 5 april 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de publiekrechtelijke rechtspersoon </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Dienst voor het Kadaster en de openbare registers,</emphasis>
      </para>
      <para>zetelend te Apeldoorn,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>in eerste aanleg: eiser,</para>
      <para>hierna: het Kadaster,</para>
      <para>advocaat: mr. D.J. Posthuma,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>in eerste aanleg: (naast faillissementscurator mr. H. Dulack mede-)gedaagde,</para>
      <para>hierna: [geïntimeerde] ,</para>
      <para>advocaat: mr. I.R. Köhne.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 december 2020 hier over<footnote-ref linkend="_874688be-6927-4498-baac-276319f0a7b3" />. Daarin heeft het hof aan de Hoge Raad een rechtsvraag gesteld ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>In zijn prejudiciële beslissing van 19 november 2021 heeft de Hoge Raad de prejudiciële vraag beantwoord<footnote-ref linkend="_1782ed28-4355-4fbb-a3a2-b1207445af3b" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Vervolgens hebben partijen de aanvullende stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Het hof heeft partijen nog<footnote-ref linkend="_1fbb0f3e-774f-4837-a909-efec87fbbbdb" /> verzocht of zij de zaak niet op basis van de prejudiciële beslissing onderling konden afwikkelen met doorhaling op de rol. [geïntimeerde] heeft zich daartoe bereid verklaard<footnote-ref linkend="_389a2585-7f81-4708-b5e9-db67ecf26033" />, maar het Kadaster heeft gepersisteerd bij zijn vraag om arrest<footnote-ref linkend="_5660d329-9ce2-48ad-8f8c-c5e807c08217" />.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 22 december 2020. Zoals daarin vermeld, hebben partijen op de mondelinge behandeling in hoger beroep van 16 november 2020 ingestemd met het stellen van de volgende prejudiciële vraag: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“is het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">rechthebbende in de zin van artikel 25, derde lid, van de Wet op het notarisambt op (een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aandeel in) de kwaliteitsrekening(-en) van een notaris?”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>In (rov. 3.7 van) zijn prejudiciële beslissing van 19 november 2021 heeft de Hoge Raad de prejudiciële vraag aldus beantwoord:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“dat het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende is in de zin van art. 25 lid 3 Wna op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening, indien een partij bij de overdracht van of de vestiging van een beperkt recht op een registergoed in direct verband met die rechtshandeling een geldbedrag ten behoeve van deze vorderingen van het Kadaster op die kwaliteitsrekening heeft bijgeschreven of heeft laten bijschrijven.”</emphasis>
        </para>
        <para>De gevorderde verklaring voor recht kan dus met inachtneming hiervan worden toegewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Op de mondelinge behandeling in hoger beroep van 16 november 2020 zijn partijen verder overeengekomen:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“2. Indien in rechte komt vast te staan dat het Kadaster ter zake van de inschrijvings- en/of recherchekosten kwalificeert als rechthebbende in de zin van artikel 25 Wna zal het thans nog aanwezige saldo op de kwaliteitsrekening (het bedrag van € 6.225,51 als genoemd in productie 7 bij de memorie van antwoord) met inachtneming van de aanspraak van het Kadaster pro rata over de dan nog aanwezige rechthebbenden worden verdeeld, en zal het Kadaster op het meerdere geen aanspraak maken en geen verdere vorderingen instellen.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Naar tussen partijen vaststaat, heeft het Kadaster vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten. Daarvoor is het Kadaster rechthebbende in de zin van artikel 25 lid 3 Wet op het notarisambt op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening indien een partij bij de overdracht van of de vestiging van een beperkt recht op een registergoed in direct verband met die rechtshandeling een geldbedrag ten behoeve van deze vorderingen van het Kadaster op die kwaliteitsrekening heeft bijgeschreven of heeft laten bijschrijven. Onder die (met <emphasis role="italic">“indien”</emphasis> aanvangende) voorwaarde is de verdelingsvordering toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De slotsom</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis (waarin de vordering van het Kadaster werd afgewezen) zal worden vernietigd en het gevorderde zal, aangepast en beperkt, worden toegewezen zoals hieronder vermeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Enerzijds heeft het Kadaster in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad principieel gelijk gekregen. Anderzijds wordt op zijn aanvankelijke primaire vordering van € 63.626,90 in hoofdsom maximaal € 6.225,51 toewijsbaar geoordeeld. Partijen hebben ten slotte op de mondelinge behandeling in hoger beroep van 16 november 2020 de overeenkomst gesloten zoals hiervoor onder 2.3 vermeld. Zij worden over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld. In dit alles ziet het hof aanleiding de kosten van beide instanties en de door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing begrote kosten die partijen ingevolge artikel 393 Rv hebben gemaakt aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 oktober 2018<footnote-ref linkend="_31e7439b-c888-4d8e-b435-74ec0e943aed" /> en doet opnieuw recht:</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>verklaart voor recht dat het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende is in de zin van artikel 25 lid 3 Wet op het notarisambt op een aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening, indien een partij bij de overdracht van of de vestiging van een beperkt recht op een registergoed in direct verband met die rechtshandeling een geldbedrag ten behoeve van deze vorderingen van het Kadaster op die kwaliteitsrekening heeft bijgeschreven of heeft laten bijschrijven;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>veroordeelt [geïntimeerde] als beheerder van de kwaliteitsrekening om er aan mee te werken dat het thans nog aanwezige saldo op de kwaliteitsrekening (het bedrag van € 6.225,51 als genoemd in productie 7 bij de memorie van antwoord) met inachtneming van de aanspraak van het Kadaster, zoals hiervoor omschreven onder 2.4, pro rata over de nog aanwezige rechthebbenden worden verdeeld;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt van beide instanties en van de door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing begrote kosten die partijen ingevolge artikel 393 Rv hebben gemaakt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, A.W. Steeg en M.A.M. Vaessen, is door de voorzitter ondertekend en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_874688be-6927-4498-baac-276319f0a7b3" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2020:10667</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1782ed28-4355-4fbb-a3a2-b1207445af3b" label="2">
    <para> ECLI:NL:HR:2021:1720</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1fbb0f3e-774f-4837-a909-efec87fbbbdb" label="3">
    <para> bij brief van 8 maart 2022</para>
  </footnote>
  <footnote id="_389a2585-7f81-4708-b5e9-db67ecf26033" label="4">
    <para> bij brief van 11 maart 2022 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5660d329-9ce2-48ad-8f8c-c5e807c08217" label="5">
    <para> bij brief van 14 maart 2022</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31e7439b-c888-4d8e-b435-74ec0e943aed" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2018:4705</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>