<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:1530</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-08T10:49:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.301.718/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:1530">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:1530</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-08T10:48:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:1530 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-02-2022 / 200.301.718/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:1530:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ouders gaan voorbij aan de zorgen die er waren in de opvoedsituatie thuis en hebben niet de kans gegrepen die hen is geboden. De GI heeft de ouders tijdige en passende interventie aangeboden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:1530:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.301.718/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 178994)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 24 februari 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis> (de moeder),</para>
      <para>wonende te [woonplaats1] , en </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] </emphasis>(de vader),</para>
      <para>wonende te [woonplaats2] ,<?linebreak?>verzoekers in hoger beroep,</para>
      <para>verder gezamenlijk te noemen: de ouders,</para>
      <para>advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de gecertificeerde instelling </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Regiecentrum Bescherming en Veiligheid</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Leeuwarden,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de pleegouders]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende op een geheim te houden adres,</para>
      <para>verder te noemen: de pleegouders.</para>
      <para>In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de raad voor de kinderbescherming </emphasis>(de raad),</para>
      <para>regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 juli 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 18 oktober 2021;</para>
      <para>- een brief van de GI van 19 november 2021 met bijlage(n); </para>
      <para>- een brief van de GI van 12 januari 2022 met bijlage(n);</para>
      <para>- een brief van de GI van 17 januari 2022 met bijlage(n).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling heeft op 28 januari 2022 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de GI zijn verschenen </para>
        <para>
          [naam1] en [naam2] van het Landelijk Expertise Team (LET) en [naam3] . </para>
        <para>Mr. Nijenhuis heeft pleitaantekeningen overgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Uit de relatie van de ouders zijn drie kinderen geboren, te weten:</para>
      <para>- [de minderjarige1] [in] 2014;</para>
      <para>- [de minderjarige2] [in] 2015, en</para>
      <para>- [de minderjarige3] [in] 2017.</para>
      <para>De moeder had tot 3 februari 2021 alleen het ouderlijk gezag over de kinderen. Sindsdien hebben de ouders samen het gezag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>De kinderen staan vanaf 7 augustus 2019 onder toezicht van de GI. De</para>
        <para>ondertoezichtstelling geldt tot 7 augustus 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beschikking van 22 januari 2020 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd de</para>
        <para>kinderen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging is steeds verlengd. Bij de bestreden beschikking is dit voor het laatst gebeurd tot 7 augustus 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven sinds 24 januari 2020 samen bij de pleegouders. [de minderjarige3] is toen in een ander pleeggezin geplaatst. Sinds augustus 2021 woont [de minderjarige3] ook bij de pleegouders. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Sinds september 2021 heeft de GI de uitvoering van de ondertoezichtstelling uit veiligheidsoverwegingen ondergebracht bij het LET.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De raad heeft de rechtbank op 17 november 2021 verzocht het gezag van de ouders over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen. De rechtbank heeft daarover nog geen beslissing genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>De ouders zijn in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 juli 2021. De grieven zien op de uithuisplaatsing. De ouders verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar</para>
        <para>bij voorraad:</para>
      </parablock>
      <para>a. de beschikking van 16 juli 2021 te vernietigen waar het gaat om de verlenging van</para>
      <para>de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , en</para>
      <para>b. het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>De GI voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">5.	De motivering van de beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Het hof vindt dat de kinderrechter een goede beslissing heeft genomen over de uithuisplaatsing en deze duidelijk heeft gemotiveerd. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] moet volgens het hof blijven gelden. Daarom neemt het hof, na eigen onderzoek, de beslissing en motivering van de kinderrechter over de uithuisplaatsing over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog als volgt.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>Kort na de bestreden beschikking heeft het hof de vorige verlenging van de uithuisplaatsing (over de periode van 7 februari 2021 tot 7 augustus 2021) bekrachtigd. </para>
        <para>Het hof verwijst daarvoor naar zijn beschikking van 3 augustus 2021 (zaaknummer 200.293.197/01). Afgezien van het inmiddels door de raad gedane verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders, hebben zich sindsdien geen relevante wijzigingen voorgedaan. </para>
        <para>Daarom vindt het hof de inhoud van die beschikking ook in deze verlengingsprocedure (over de periode van 7 augustus 2021 tot 7 augustus 2022) nog van belang, met name het volgende:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“5.6	Bij de beschikking van 2 februari 2021 heeft het hof geoordeeld dat de verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen op dat moment noodzakelijk was. Het hof sloot zich aan bij de conclusies uit de psychodiagnostische onderzoeken van de kinderen dat plaatsing bij de ouders niet in hun belang moest worden geacht, omdat er nog te veel risicofactoren waren die onduidelijkheid en onveiligheid veroorzaakten. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uit de psychodiagnostische onderzoeken komt naar voren dat de kinderen tot de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">uithuisplaatsing zijn opgegroeid in een emotioneel onveilige en ontoereikende</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opvoedsituatie. De kinderen laten signalen zien van een onveilige, ambivalente gehechtheid</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">en [de minderjarige1] laat signalen zien van parentificatie. De kinderen hebben meerdere traumatische</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gebeurtenissen meegemaakt en laten in een verhoogde mate alertheid, agressie en angst</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">( [de minderjarige1] ), alertheid, dissociatie en angst ( [de minderjarige2] ) en dissociatie en aanhankelijkheid ( [de minderjarige3] )</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zien. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] laten ook signalen zien van een verstoorde seksuele ontwikkeling.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof heeft in de beschikking van 2 februari 2021 overwogen dat een gezinsopname de aangewezen weg is om een goede afweging te kunnen maken of terugplaatsing in het belang van de kinderen is en dat dit te meer geldt omdat deze ouders nooit eerder in gezinsverband hebben samengeleefd met de kinderen.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof sluit ook nu aan bij bovenstaande overwegingen. Hoewel de ouders</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aanvankelijk open stonden voor een gezinsopname bij de [naam4] in [plaats1] , hebben zij</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">na het intakegesprek in januari 2021 besloten toch niet aan dit traject mee te doen. De ouders stellen dat van hen niet kan worden verlangd dat zij kiezen voor een gezinsopname bij de [naam4] in [plaats1] , juist nu de moeder - zoals door de GI van haar werd gevraagd -</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">werk heeft gevonden. Het hof is het echter met de GI eens dat een gezinsopname nodig is om</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voldoende zicht te krijgen op de mogelijkheden van de ouders om te zorgen voor de - door</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">hun belaste voorgeschiedenis - kwetsbare kinderen. De ouders vinden dat ook door middel</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van ambulante hulpverlening voldoende zicht kan worden verkregen op hun mogelijkheden</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">om voor de kinderen te zorgen, bijvoorbeeld door video-interactiebegeleiding tijdens de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">omgangsmomenten, maar het hof is het daar niet mee eens. Uit de stukken blijkt dat de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">moeder juist als zij stress ervaart, niet altijd goed met de kinderen omgaat. Het hof volgt</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gelet hierop de Gl in haar standpunt dat het nodig is om gedurende langere tijd, 24 uur per</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">dag, te observeren hoe de ouders omgaan met de kinderen, ook in stressvolle situaties. Het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de ouders ter zitting hebben verklaard dat de vader</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">op dit moment niet meer bij de moeder woont, omdat er spanningen waren binnen hun</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">relatie, en dat de moeder nog ongeveer 2 à 3 keer per week wiet nodig heeft/gebruikt voor</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">haar innerlijke rust. Ambulante begeleiding/observatie is gelet op het vorenstaande naar het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">oordeel van het hof ontoereikend.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>De ouders vinden dat zij geen eerlijke kans hebben gekregen om te laten zien dat zij zelf weer voor de kinderen kunnen zorgen. Zij vinden dat extra moeilijk omdat de kinderen volgens hen slechts tijdelijk ergens anders zouden worden ondergebracht, zodat de moeder aan haar persoonlijke problematiek kon gaan werken. Dat heeft de moeder al lang gedaan (EMDR-therapie) en toch zijn de kinderen nog altijd niet terug, aldus de ouders ter zitting. Zij verwijten de GI haar afspraken niet te zijn nagekomen. Dat maakt hen boos en verdrietig. Het hof begrijpt die gevoelens van de ouders, maar vindt hun verwijten aan de GI in dit verband niet terecht. De uithuisplaatsing was aanvankelijk inderdaad met name gegrond op de persoonlijke/medische problematiek van de moeder. Zij had destijds (eind 2019/begin 2020) ook nog alleen het ouderlijk gezag over de kinderen. Zoals beschreven staat in de beschikking van het hof van 28 juli 2020 (200.277.662/01), waarbij de eerste termijn van de uithuisplaatsing is bekrachtigd (voor de periode van 22 januari 2020 tot 7 augustus 2020), waren de zorgen in de thuissituatie bij de moeder ernstig. </para>
        <para>Vervolgens hebben de ouders hun (knipperlicht)relatie direct na de uithuisplaatsing hersteld en zijn zij gaan samenwonen. Omdat er eerder sterke signalen waren van huiselijk geweld tussen de ouders in het bijzijn van de kinderen (de moeder heeft meerdere aangiftes tegen de vader gedaan), kwamen er tijdens de uithuisplaatsing al gauw nieuwe veiligheidszorgen bij. De moeder had tot haar hereniging met de vader begin 2020 zeker een jaar geen contact tussen de vader en de kinderen toegestaan uit vrees voor hun veiligheid. </para>
        <para>Daar bovenop kwamen in augustus 2020 nog de zorgelijke uitkomsten van de psychodiagnostische onderzoeken naar de kinderen. </para>
        <para>Sinds mei 2021 wonen de ouders niet meer samen. Zij hebben nu een LAT-relatie.</para>
        <para>De ouders gaan volledig voorbij aan deze veelheid aan zorgen en ook aan de intensieve hulpverlening die de moeder thuis nodig had toen de kinderen nog bij haar woonden. Volgens de ouders is er niets met hen en/of de kinderen aan de hand, en als er wel iets aan de hand is, dan komt dat door de schade die zij door de uithuisplaatsing als zodanig hebben opgelopen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <parablock>
        <para>De ouders uiten veel kritiek op de wijze waarop de GI haar taak heeft uitgeoefend. Zij verwijten de GI onvoldoende te hebben gedaan om de kinderen weer thuis te plaatsen. Namens de ouders is ter zitting verwezen naar en geciteerd uit de conclusie van een onderzoek van Defence for Children Nederland (project “Terug naar huis”). Daarin worden grote zorgen geuit over het functioneren van het Nederlandse jeugdbeschermingsstelsel, met name wat betreft de beschikbaarheid van tijdige en passende hulp aan gezinnen. Wat daar verder ook van zij, het hof vindt dat de GI de ouders in dit geval tijdig een passende interventie heeft geboden. De ouders wisten al vanaf halverwege 2020 dat een gezinsopname nodig was om te bekijken of terugplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] mogelijk was. Zowel de GI, de kinderrechter als het hof hebben de ouders de noodzaak van een dergelijk traject bij herhaling voorgehouden. Het hof vindt nog steeds dat de Gl op goede gronden van de ouders heeft gevraagd om zich met de kinderen ter observatie op te laten nemen in [plaats1] . Het grote aantal risicofactoren in deze zaak rechtvaardigt een bijzonder voorzichtige aanpak. Vanuit haar taak als jeugdbeschermer heeft de GI [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] terecht niet willen blootstellen aan een traject (tot terugplaatsing) dat niet met voldoende waarborgen omkleed was. Een gezinsopname was daarom de aangewezen weg. Dat heeft het hof in zijn beschikking van 2 februari 2021, waarbij de tweede termijn van de uithuisplaatsing is bekrachtigd (voor de periode van 7 augustus 2020 tot 7 februari 2021), ook al overwogen. </para>
        <para>Het lag op de weg van de ouders om daaraan uitvoering te geven. Dat hebben zij om hen moverende redenen niet gedaan. Zodoende hebben de ouders de kans bij uitstek om te laten zien dat zij zelf (weer) voor de kinderen kunnen zorgen laten liggen. Dat de GI vervolgens relatief snel daarna bij de raad een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel heeft ingediend kunnen de ouders haar nu niet tegenwerpen. In een situatie waarin niet meer wordt gewerkt aan thuisplaatsing, is een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing immers niet meer de juiste maatregel van kinderbescherming. Via een gezinsopname had zicht moeten ontstaan op de opvoedkundige vaardigheden van de ouders voor deze kinderen met een verzwaarde opvoedvraag, de invloed van de persoonlijke problematiek van de moeder op haar handelen als opvoeder, en de relatie van de ouders onderling. Nu dat niet is gebeurd is en blijft thuisplaatsing een onverantwoord experiment.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>De ouders hebben nog verzocht om op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een onderzoek door een deskundige te gelasten. Zij willen dat een deskundige gaat onderzoeken of via een alternatieve route zicht gekregen kan worden op de mogelijkheden van de ouders om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] weer op zich te nemen. Het hof zal dat verzoek afwijzen. Met de GI vindt het hof een dergelijk onderzoek in strijd met de belangen van de kinderen. Uit het vorenstaande blijkt dat de kinderen veel hebben meegemaakt. De kinderen hebben nooit met beide ouders in gezinsverband samengewoond en zij wonen nu al ruim twee jaar niet meer bij de moeder. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (net 8 respectievelijk 6 jaar) wonen al die tijd al bij de pleegouders. Zij ontwikkelen zich daar inmiddels naar omstandigheden goed. In het begin was extra ondersteuning nodig voor de pleegouders, omdat de meisjes forse gedragsproblemen lieten zien. [de minderjarige3] woont sinds een half jaar ook bij de pleegouders. Dat heeft weer een andere dynamiek in het pleeggezin gebracht. [de minderjarige3] vraagt veel aandacht van de pleegouders. De kinderen en de pleegouders zijn druk bezig om daarin met elkaar opnieuw een balans te vinden. Dat valt niet mee, helemaal niet omdat de ouders de pleegzorgplaatsing openlijk bij de kinderen ter discussie stellen. De kinderen raken daardoor in verwarring en voelen zich verscheurd tussen hun gevoelens van loyaliteit voor enerzijds de ouders en anderzijds de pleegouders. Door al deze onrust zijn de kinderen nog niet toegekomen aan het verwerken van trauma’s en het volgen van therapie. Zowel [de minderjarige1] , [de minderjarige2] als [de minderjarige3] heeft behandeling gericht op trauma en hechting nodig. [de minderjarige1] is onlangs gestart met speltherapie van [naam5] . De kinderen hebben nu vooral duidelijkheid en rust nodig. Dat zou worden doorkruist met een nieuw onderzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen bekrachtigt het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, beschikkende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 juli 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para>wijst het meer of anders verzochte af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, J.W. Keuning en H. Mollema-De Jong, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 24 februari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>