<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:10973</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-26T13:46:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.307.799</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:10973">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:10973</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-26T13:46:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:10973 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 20-12-2022 / 200.307.799</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:10973:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Is het opeisensbedig in de kredietovereenkomst met een consument oneerlijk. Art. 33 aanhef en onder c, sub 1 Wck en richtlijn 93/13/EEG.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:10973:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem, afdeling civiel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.307.799</para>
      <para>zaaknummer rechtbank 8189164</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 20 december 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DEFAM B.V.</emphasis>
      </para>
      <para>die is gevestigd in Bunnik  </para>
      <para>die hoger beroep heeft ingesteld </para>
      <para>en bij de kantonrechter optrad als eiser</para>
      <para>hierna: Defam  </para>
      <para>advocaat: mr. A. Robustella </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [geïntimeerde1]</title>
    <parablock>
      <para>die woont in [woonplaats1]  </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [geïntimeerde2]</emphasis>
      </para>
      <para>die woont in [woonplaats1]  </para>
      <para>die bij de kantonrechter optraden als gedaagden</para>
      <para>hierna: samen [geïntimeerden]  </para>
      <para>niet verschenen </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Defam heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 15 december 2021 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:</para>
        <para>- de dagvaarding in hoger beroep, met grieven en producties. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [geïntimeerden] zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Hierna heeft Defam het hof gevraagd arrest te wijzen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De kern van de zaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Defam en [geïntimeerden] hebben in november 1999 een doorlopende kredietovereenkomst gesloten (hierna: de kredietovereenkomst). Daarbij werd een kredietfaciliteit verleend tot een bedrag van maximaal € 14.067,19 (destijds in guldens </para>
        <para>f 31.000,--). Op de kredietovereenkomst zijn de “Voorwaarden rente krediet DEFAM Financieringen BV” van toepassing. In artikel 7 van deze algemene voorwaarden (hierna AV) staat het volgende: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“DEFAM zal opnamen door de kredietnemer kunnen weigeren. Het aan DEFAM verschuldigde zal terstond en in zijn geheel opeisbaar zijn indien de kredietnemer:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic"> na in gebreke te zijn gesteld in verband met achterstalligheid in de betaling van tenminste twee maanden, nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen;</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Defam heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld om aan Defam te betalen: </para>
        <para>- een bedrag van € 10.512,65, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 0,655% per maand, met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding (op grond van artikel 7:76 lid 2 Burgerlijk wetboek (hierna BW) dan wel artikel 35 lid 1 Wet op het consumentenkrediet (oud) (hierna WCK (oud)), vanaf 16 november 2019, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Defam heeft haar vordering erop gebaseerd dat op grond van artikel 7 AV het saldo van het krediet in zijn geheel opeisbaar is geworden. Defam stelt dat [geïntimeerden] ten minste twee maanden achterstallig waren in de betaling van een vervallen termijnbedrag en dat zij, na in gebreke zijn gesteld, nalatig zijn gebleven in de volledige nakoming van hun verplichtingen. Ook nadat Defam, na herhaalde aanmaning, haar vordering uit handen had gegeven, heeft geen betaling plaatsgevonden, aldus Defam. In haar bij de rechtbank genomen akte<footnote-ref linkend="_ed6b30af-85a8-4ccd-9082-228df7a22da9" /> heeft Defam zich op het standpunt gesteld dat het opeisingsbeding van artikel 7 AV niet als oneerlijk beding in de zin van de Europese Richtlijn 93/13/EEG kan worden beschouwd, omdat artikel 7 AV tekstueel gelijkluidend is aan het bij artikel 7:77 lid 1 aanhef en onder c, sub 1◦ BW en  artikel 33 aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud) toegestane opeisingsbeding.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft de vorderingen van Defam afgewezen. De kantonrechter heeft zijn afwijzing, kort gezegd, gebaseerd op de volgende overwegingen:</para>
      <para>- de kredietovereenkomst is een krediettransactie als bedoeld in artikel 1 van de WCK (oud) zoals die gold tot 25 mei 2011 en valt niet buiten het toepassingsgebied van de WCK (oud);</para>
      <para>- de kantonrechter moet, zo nodig ambtshalve, beoordelen of voldaan is aan de dwingendrechtelijke bepalingen die gelden ten aanzien van krediettransacties als bedoeld in artikel 1 WCK (oud);</para>
      <para>- partijen zijn volgens de kantonrechter in artikel 7 AV geen opeisingsbeding overeengekomen dat voldoet aan de wet (waarmee de kantonrechter doelt op artikel 33 aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud), opm. hof). </para>
      <parablock>
        <para>In rechtsoverweging 2.6 van het vonnis van 15 december 2021 heeft de kantonrechter daartoe overwogen:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“De eisende partij grondt haar vordering op artikel 7 van de algemene voorwaarden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De kantonrechter is van oordeel dat partijen in dit artikel geen opeisingsbeding zijn</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">overeengekomen dat voldoet aan de wet. In artikel 7 van de algemene voorwaarden is</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">immers niet opgenomen dat de ten minste twee maanden bestaande betalingsachterstand </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">één</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">vervallen termijnbedrag</emphasis>
          <emphasis role="italic"> moet betreffen. De formulering van artikel 7 is te ruim. Het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opeisingsbeding is daarom nietig. De kredietovereenkomst loopt, onder dezelfde</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voorwaarden, nog steeds door. De vordering van de eisende partij wordt dan ook afgewezen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Een andere grondslag van de vordering is niet gesteld en/of gebleken.” </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het oordeel van het hof</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van Defam niet slaagt. Het hof baseert zijn oordeel op de volgende overwegingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Met grief I richt Defam zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat partijen geen opeisingsbeding zijn overeengekomen dat voldoet aan de wet, althans dat het opeisingsbeding van artikel 7 AV nietig is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Uit de toelichting op grief I<footnote-ref linkend="_2bc72be8-3ce1-4651-9135-99f7ecf37f6f" /> leidt het hof af dat Defam de toepasselijkheid van artikel 33, aanhef en onder c WCK (oud) op de kredietovereenkomst niet bestrijdt. De kern van het bezwaar van Defam betreft het oordeel van de kantonrechter dat artikel 7 AV niet voldoet aan artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof deelt echter het oordeel van de kantonrechter. </para>
        <para>Artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud) bepaalt dat een overeenkomst dan wel een bepaling nietig is als daarin vervroegde opeisbaarheid van het door de kredietnemer verschuldigde wordt bedongen, tenzij dit wordt overeengekomen voor het geval dat “<emphasis role="italic">de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen.”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Zoals Defam zelf in de memorie van grieven<footnote-ref linkend="_8c74e354-594e-47a6-a092-cc51399330cf" /> ook aangeeft kunnen hieruit vier vereisten voor een geldig opeisingsbeding worden afgeleid, te weten:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>achterstalligheid in de betaling van een vervallen termijnbedrag;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>gedurende tenminste twee maanden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vooraf in gebreke zijn gesteld;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>nalatig blijven in de nakoming van de verplichtingen.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Volgens Defam is niet vereist dat deze vier onderdelen als zodanig expliciet staan opgenomen in het opeisingsbeding zelf. Defam stelt<footnote-ref linkend="_a7af855a-167d-43b9-b660-5b1a977d96bd" /> dat het feit dat artikel 7 AV niet expliciet vermeldt dat het gaat om een betalingsachterstand van één vervallen termijnbedrag, niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van het opeisingsbeding. Volgens Defam wordt met de zinsnede <emphasis role="italic">“achterstalligheid in de betaling”</emphasis> immers gedoeld op de betalingsverplichting, dan wel de verplichting tot betaling van vervallen termijnen van de kredietnemer. Deze betalingsverplichting omvat volgens Defam - het hof begrijpt: in dit geval - uitsluitend een maandelijkse kredietvergoeding, te weten de verschuldigde rente over het openstaande krediet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Het hof is echter van oordeel dat het niet vermelden in artikel 7 AV dat er gedurende twee maanden sprake moet zijn van achterstalligheid in de betaling van één termijn Defam de ruimte laat om het verschuldigde ook in één keer op te eisen als er sprake is van een achterstand van (veel) minder dan één termijnbedrag/maandtermijn. Daarmee biedt de tekst van artikel 7 AV Defam de mogelijkheid om in meer situaties dan bedoeld in artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud) het verschuldigde in één keer op te eisen. De kantonrechter heeft terecht overwogen dat de formulering van artikel 7 AV om deze reden te ruim is. Het hof verwerpt de stelling van Defam dat artikel 7 AV moet worden gelezen in het licht van artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud) en dat dan duidelijk is wat is bedoeld. Het moet de consument op grond van de algemene voorwaarden duidelijk zijn in welke situatie(s) het verschuldigde in zijn geheel opgeëist kan worden. Van een consument hoeft niet verwacht te worden dat hij voor de uitleg van artikel 7 AV te rade gaat bij de WCK (oud); de desbetreffende algemene voorwaarde moet zelf voldoen aan de eisen van artikel 33, aanhef en onder c, sub 1◦ WCK (oud).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof merkt nog op dat de Hoge Raad in een arrest van 3 juni 2005<footnote-ref linkend="_c2c77aa4-941c-4e11-9b8b-4026eb10d9df" /> heeft geoordeeld dat Defam op grond van (een gelijkluidend beding als) artikel 7 AV het verschuldigde mocht opeisen. In die procedure en in dat arrest spitste de discussie zich echter toe op de vraag of het hof het begrip “maanden” in artikel 7 AV op de juiste wijze had uitgelegd. De Hoge Raad oordeelde:<footnote-ref linkend="_94fc4536-4dfd-4900-bd4d-a6d5a178f178" /> "<emphasis role="italic">De onderdelen 1, 2 en 3, eerste zin, klagen terecht dat het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het hof, dat "maanden" als "maandtermijnen" heeft uitgelegd, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. In de voorwaarden wordt immers, waar een maandtermijn wordt bedoeld, ook uitdrukkelijk het woord "maandtermijn" (art. 6 onder c) of "termijnbedrag" (art. 6 onder b) gebezigd. Daarbij komt dat aannemelijk is dat de voorwaarden beogen aan te sluiten bij art. 33, aanhef en onder c, onder 1, WCK alwaar sprake is van achterstalligheid in de betaling gedurende twee maanden.”</emphasis></para>
        <para>In het arrest is niet aan de orde gesteld of gekomen dat artikel 7 AV niet expliciet vermeldt dat er sprake moet zijn van een achterstand (van twee maanden) in de betaling van één vervallen termijnbedrag. Om die reden ziet het hof in het arrest van de Hoge Raad geen grond om anders te oordelen dan hiervoor (in rechtsoverweging 3.7) is overwogen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Op de hiervoor genoemde gronden is het hof van oordeel dat grief I niet slaagt. De grieven II en III hebben geen zelfstandige betekenis; zij slagen daarom evenmin.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Dit alles leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. Omdat Defam in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Defam tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Omdat [geïntimeerden] niet zijn verschenen begroot het hof deze kosten op nihil.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 december 2021; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt Defam tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerden] en begroot deze kosten op nihil;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, B. J. Engberts en M.P.M. Hennekens en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_ed6b30af-85a8-4ccd-9082-228df7a22da9" label="1">
    <para> Akte, randnummer 16.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2bc72be8-3ce1-4651-9135-99f7ecf37f6f" label="2">
    <para> Memorie van grieven, randnummer 27 en verder.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8c74e354-594e-47a6-a092-cc51399330cf" label="3">
    <para> Memorie van grieven, randnummer 28.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a7af855a-167d-43b9-b660-5b1a977d96bd" label="4">
    <para> Memorie van grieven, randnummer 31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c2c77aa4-941c-4e11-9b8b-4026eb10d9df" label="5">
    <para> ECLI:NL:HR:2005:AS7017 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_94fc4536-4dfd-4900-bd4d-a6d5a178f178" label="6">
    <para> In r.o. 3.4 van het arrest.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>