<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2022:10334</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-05T10:20:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.311.392</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:10334">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2022:10334</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-05T10:20:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2022:10334 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 01-12-2022 / 200.311.392</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2022:10334:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>1:253c BW. </para>
        <para>Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind dragen en dat alleen wanneer sprake is van ernstige contra-indicaties hiervan kan worden afgeweken. Volgens vaste rechtspraak betekent het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van (één van) de in artikel 1:253c lid 2 BW genoemde gronden.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2022:10334:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.311.392</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Gelderland 394520)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 1 december 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats1] ,<?linebreak?>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. E.R.T. Tromp te Nijmegen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats2] ,</para>
      <para>verweerder in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat: mr. L.L.A. Cox te Nijmegen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 maart 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 mei 2022;</para>
      <para>- het verweerschrift met producties.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2022 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:</para>
      <para>- de moeder, met haar advocaat; </para>
      <para>- de vader, met mr. L.D.M. Rubens-Snijders te Nijmegen als waarnemer van mr. Cox;</para>
      <para>- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben een relatie gehad met elkaar. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2020 te [woonplaats2] (verder ook te noemen: [de minderjarige] ). De vader heeft [de minderjarige] erkend. Sinds de bestreden beschikking hebben partijen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking is onder meer bepaald dat de ouders gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van dit deel van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarin is bepaald dat de vader en de moeder gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag, en het verzoek van de vader dat daarop betrekking heeft alsnog af te wijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De vader voert verweer. Hij vraagt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel dat verzoek af te wijzen, en - zo begrijpt het hof - de bestreden beschikking te bekrachtigen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien: </para>
      <para>a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of </para>
      <para>b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind dragen en dat alleen wanneer sprake is van ernstige contra-indicaties hiervan kan worden afgeweken. Volgens vaste rechtspraak betekent het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Dat is slechts zo als is voldaan aan (één van) de gronden, zoals vermeld in artikel 1:253c lid 2 BW. Net als de rechtbank en op dezelfde gronden die het hof na eigen onderzoek over neemt, is het hof van oordeel dat hiervan geen sprake is, zodat het verzoek van de vader om samen met de moeder het gezag uit te oefenen over [de minderjarige] dient te worden toegewezen. Het hof volgt daarmee ook het advies dat de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft gegeven en legt zijn beslissing hierna verder uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder stelt dat de ouders eerst moeten werken aan de verbetering van hun communicatie, voordat sprake kan zijn van gezamenlijk gezag. Uit de processtukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof gebleken dat de ouders al geruime tijd - zowel onderling door middel van e-mail en telefoon als via de ouders van de moeder - met elkaar communiceren. Dat de ouders niet in staat zijn om op constructieve wijze met elkaar over [de minderjarige] te communiceren - zoals de moeder stelt en de vader betwist - blijkt volgens het hof  niet. Aan de stelling van de moeder dat zij (en haar familie) is of wordt lastig gevallen door de vader gaat het hof voorbij, nu deze stelling door de vader gemotiveerd is betwist en het waarheidsgehalte daarvan voor de beslissing van het hof niet van doorslaggevende betekenis is. </para>
        <para>Het hof overweegt dat ook sinds de bestreden beschikking niet is gebleken dat de ouders niet in staat zijn om samen beslissingen in het kader van de uitoefening van het gezamenlijke gezag te maken. Integendeel, er is sindsdien zelfs sprake van een positieve ontwikkeling: de ouders hebben samen de zorgregeling uitgebreid. Ook vindt het hof het van belang dat beide ouders hebben verklaard dat het goed gaat met [de minderjarige] . </para>
        <para>Het hof benadrukt dat het belangrijk is dat de ouders het SCHIP-traject, waaraan zowel de moeder als de vader bereid is deel te nemen, gaan starten. Het hof vindt het met de raad van belang dat de ouders een gelijkwaardige rol hebben gedurende dit traject. Het gezamenlijk gezag draagt daaraan bij. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, beschikkende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 maart 2022, voor zover het de beslissing onder 7.1 betreft waarin de ouders gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2020 te [woonplaats2] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. I.M. Redert als griffier, en is op 1 december 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>