<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2021:9935</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-09T11:11:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.270.560/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:9935">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:9935</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-09T11:11:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2021:9935 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-10-2021 / Wahv 200.270.560/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2021:9935:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De officier van justitie heeft beslist zonder te beschikken over noodzakelijke schouwrapporten. Daarom slaagt de klacht dat zijn beslissing ondeugdelijk gemotiveerd is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2021:9935:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.270.560/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 223741024 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 21 oktober 2021</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 7 november 2019, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [betrokkene] (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling</title>
    <para>1. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene niet (op correcte wijze) is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter.</para>
    <para />
    <para>2. Het hof stelt vast dat de stukken van het geding een aan de gemachtigde gerichte oproep bevatten van 12 september 2019 voor de zitting van de kantonrechter van 24 oktober 2019. De ontvangst hiervan is door de gemachtigde in het hoger beroepschrift niet betwist. De gemachtigde stelt daarin slechts dat de betrokkene niet correct is opgeroepen voor een zitting.</para>
    <para />
    <para>3. Het hof is van oordeel dat met de uitnodiging van de gemachtigde is voldaan aan de uit artikel 12, eerste lid, van de Wahv voortvloeiende verplichting om de betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. De gemachtigde dient, gelet op artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de betrokkene op de hoogte te stellen van deze uitnodiging. De klacht faalt derhalve.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>4. De gemachtigde stelt zich voorts op het standpunt dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd, nu het betoog omtrent de controle van de bebording op ontoereikende gronden - en met een standaardmotivering - is gepasseerd. Anders dan de officier van justitie tot uitgangspunt neemt, kan het betoog van de betrokkene niet anders worden weerlegd dan door middel van schouwrapporten. Dergelijke schouwrapporten had de officier van justitie niet tot zijn beschikking bij de beoordeling van en beslissing op het administratief beroep. </para>
    <para />
    <para>5. In artikel 7:26, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.</para>
    <para />
    <para>6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep de plaatsing van de juiste bebording heeft betwist.</para>
    <para />
    <para>7. De motivering van de beslissing van de officier van justitie houdt onder meer in:</para>
    <para>“De toegestane maximumsnelheid werd voor het eerst aangegeven bij hectometerpaal A79 0,4 II en herhaald bij hectometerpaal 252,2 en 254,2.(…) Op grond van de bebording wordt iedere weggebruiker geacht op de hoogte te zijn van de geldende maximumsnelheid. De bebording wordt regelmatig gecontroleerd op juistheid en zichtbaarheid voor het verkeer. Voor de officier van justitie staat vast dat de situatie ter plaatse voldoende duidelijk was.”</para>
    <para />
    <para>8. Het hof stelt vast dat ten tijde van de beslissing van de officier van justitie geen specifieke informatie over de aanwezigheid van de betreffende bebording in het dossier aanwezig was, terwijl dat voor het vaststellen van de gedraging wel vereist is. Voor het eerst in hoger beroep zijn door de advocaat-generaal schouwrapporten overgelegd. Dit brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee niet aan de eis van artikel 7:26, eerste lid, van de Awb voldoet. </para>
    <para />
    <para>9. Door de beslissing in stand te laten heeft de kantonrechter dit miskend. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.</para>
    <para />
    <para>10. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 13 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 februari 2019 om 08:29 uur op de A2 rechts (trajectcontrole) in Maastricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .</para>
    <para />
    <para>11. Namens de betrokkene wordt bestreden dat ter plaatse een maximumsnelheid van 100 km/h gold. Uit het dossier is niet gebleken dat (kort) voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd. De betrokkene betwist uitdrukkelijk dat de juiste bebording is geplaatst. </para>
    <para />
    <para>12. Op basis van de informatie in het dossier stelt het hof vast dat naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens de gegevens in het zaakoverzicht kort samengevat inhouden dat is gemeten dat met het voertuig met voormeld kenteken een (gecorrigeerde) snelheid is gereden van 113 km per uur op de onder 10. genoemde datum, tijd en plaats. Dit is vastgesteld door middel van een voor de meting getest, goedgekeurd en op voorgeschreven wijze gebruikt trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.</para>
    <para />
    <para>13. Uit de door de advocaat-generaal overgelegde processen-verbaal van schouw, met als bijlage schouwrapporten, blijkt dat op 10 februari 2019, (dertien dagen voor de gedraging) en <?linebreak?>24 februari 2019 (één dag na de gedraging) de bebording op het betreffende traject op de A2 is gecontroleerd en dat is gebleken dat onder meer ter hoogte van de hectometerpalen A79 0,4 Li, 252,2 en 254,2 (dus voorafgaand aan en ten tijde van het traject van de controle van hectometerpaal 254,8 tot hectometerpaal 257,5) borden A1 stonden met de aangegeven snelheid 100 stonden. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit op de dag van de constatering ook het geval was.</para>
    <para />
    <para>14. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden om aan voormelde gegevens te twijfelen. Uit de schouwrapporten blijkt dat er voorafgaand aan en tijdens het traject borden met de maximum toegestane snelheid van 100 km per uur waren geplaatst. Dat de aanwezigheid van de borden de bestuurder - om welke reden dan ook - mogelijk is ontgaan, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen.</para>
    <para />
    <para>15. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dit betekent dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond zal worden verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beslissing van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>