<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2021:9711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-18T08:22:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21-005642-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:9711">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:9711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-18T08:11:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2021:9711 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-10-2021 / 21-005642-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2021:9711:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beperkt hoger beroep. Vrijspraak ter zake van mishandeling. De beleving van de gebeurtenissen die aangever en getuige in hun verklaringen beschrijven, geeft een ander beeld van de situatie dan hetgeen het hof zelf heeft waargenomen op de beeld- en geluidsopname. Hierdoor is bij het hof gerede twijfel ontstaan over de toedracht van het ontstaan van het letsel van aangever en is het hof er niet van overtuigd dat daadwerkelijk sprake is geweest van mishandeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2021:9711:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer:	21-005642-18 </para>
    <para>Uitspraak d.d.:	8 oktober 2021</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 15 oktober 2018 met parketnummer 18-720179-18 in de strafzaak tegen</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] , [woonadres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter met aanvulling van de bewijsmiddelen en tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 dagen, waarvan 29 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen tot een bedrag van € 200,00. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, </para>
      <para>mr. C.H.J. van Dooijeweert, naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij vonnis van 15 oktober 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte van het onder 1 en 4 ten laste gelegde vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake van het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 49 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Als bijzondere voorwaarden heeft de rechtbank een meldplicht, een verplichting om in een instelling voor begeleid wonen te verblijven, een behandelverplichting, een drugs- en alcoholverbod en een locatieverbod opgelegd. De rechtbank heeft de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Omvang van het beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de akte rechtsmiddel van 16 oktober 2018, waaruit blijkt dat het hoger beroep onbeperkt is ingesteld. Uit de herstelakte rechtsmiddel van 16 oktober 2018 blijkt dat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op het onder 5 ten laste gelegde. Het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is daarom beperkt tot feit 5.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal, overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering, de straf ten aanzien van de in eerste aanleg onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten bepalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.<?linebreak?>hij op of omstreeks 20 juni 2018, te [plaats] , een persoon, genaamd, [naam1] heeft mishandeld door een deur vast te pakken en deze met volle kracht dicht te slaan, waarbij die [naam1] werd geraakt tegen zijn hoofd en/of arm.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vrijspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat weliswaar voldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is, maar dat daaruit niet de overtuiging kan worden bekomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Daaraan heeft mede bijgedragen de aan het dossier toegevoegde en ter terechtzitting getoonde beeld- en geluidsopname van het betreffende incident. De beleving van de gebeurtenissen die aangever [naam1] en getuige [getuige] in hun verklaringen beschrijven, geeft een ander beeld van de situatie dan hetgeen het hof zelf heeft waargenomen op de beeld- en geluidsopname. Gelet op het voorstaande is bij het hof gerede twijfel ontstaan over de toedracht van het ontstaan van het letsel van aangever en is het hof er niet van overtuigd dat daadwerkelijk sprake is geweest van mishandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals door de advocaat-generaal gevorderd, ziet het hof mede gezien de vrijspraak geen grond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepassing van artikel 423, vierde lid, Wetboek van Strafvordering</title>
    <para>Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het onder 5 ten laste gelegde, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf bepalen ten aanzien van de onder 2 en 3 bewezenverklaarde misdrijven, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen onvoorwaardelijk met aftrek van het voorarrest.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door</para>
      <para>mr. M.C. Fuhler, voorzitter,</para>
      <para>mr. M.B. de Wit en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. N.E. Renders, griffier,</para>
      <para>en op 8 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. H.K. Elzinga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>