<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2021:8671</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-16T08:00:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.288.767/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBNNE:2020:3365" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2020:3365, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:8671">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:8671</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-15T10:15:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2021:8671 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-09-2021 / 200.288.767/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2021:8671:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overmaking gelden derdenrekening na gelegd beslag. Geen strijd met wettelijke regels beslagrecht of onrechtmatige handelen stichting derdengelden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2021:8671:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.288.767/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/195701) </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 14 september 2021 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>appellante</para>
      <para>bij de rechtbank: eiseres,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellante]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. E.Tj. van Dalen, die kantoor houdt te Groningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de stichting</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Beheer Derdengelden Bout Advocaten</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Groningen,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>bij de rechtbank: gedaagde,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">de stichting</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. M.R. Lauxtermann, die kantoor houdt te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure bij de rechtbank </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van </para>
      <para>29 januari 2020 en 30 september 2020 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank), heeft gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de appeldagvaarding van </para>
        <para>29 december 2020, de memorie van grieven van 4 mei 2021 en de memorie van antwoord van 15 juni 2021. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en daartoe de stukken aan het hof </para>
        <para>overgelegd. Daarna heeft het hof een datum voor arrest bepaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waar gaat deze procedure over?</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Deze zaak gaat over een overmaking aan derden ( [de derden] c.s.) van € 41.013,21 die de stichting heeft gedaan in weerwil van een (mede) door [appellante] gelegd derdenbeslag onder de stichting. [appellante] vindt dat de stichting door dat te doen in strijd heeft gehandeld met de wettelijke regels van het beslagrecht en verplicht is dit bedrag aan [appellante] te voldoen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het hof oordeelt dat van strijd met de wettelijke regels van het beslagrecht geen sprake is en dat de stichting niet gehouden is tot voldoening van genoemd bedrag aan [appellante] . Het hof zal dit toelichten na een bespreking van de feiten en de beslissing van de rechtbank. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De vaststaande feiten<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        [broer1] (hierna: [broer1] ) en [broer2] (hierna: [broer2] ) zijn broers van elkaar. [appellante] is hun zus. Gezamenlijk zijn zij de erfgenamen van hun [in] 2013 overleden moeder, mevrouw [de erflaatster] (hierna: [de erflaatster] ). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        [broer2] heeft in 2011 twee bedragen van in totaal € 80.000,- aan [broer1] geleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>
        [broer1] heeft eind mei 2013 bij onderhandse geregistreerde akte zijn aandeel in de nalatenschap aan [broer2] verpand tot zekerheid voor de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de door [broer2] aan hem verstrekte geldleningen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <parablock>
        <para>
          [broer1] is in 2014 - onherroepelijk - veroordeeld tot betaling van een bedrag van </para>
        <para>€ 41.013,21 aan [de derden] (hierna: [de derden] c.s.). [de derden] c.s. hebben voor deze vordering op [broer1] op 4 juni 2014 beslag doen leggen op het aandeel van [broer1] in de nalatenschap van [de erflaatster] . Tot de nalatenschap behoorde een woning.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 1 juli 2015 heeft mr. A.C. Winter, de advocaat van [de derden] c.s., het</para>
        <para>volgende aan de advocaat (mr. D.J. Kap) van [broer2] en [broer1] geschreven:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Partijen, de heren [broer1] en [broer2] en cliënten, twisten over de vraag aan wie</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de opbrengst (althans het aandeel van aan de heer [broer1] toekomt) van de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verkoop van de onroerende zaak in de nalatenschap van mevrouw [de erflaatster]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">toekomt. Cliënten hebben een vordering op de heer [broer1] en hebben</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">executoriaal beslag gelegd op het aandeel in de nalatenschap van mevrouw</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [de erflaatster] waaronder ook valt de onroerende zaak. Cliënten stellen dan ook dat de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opbrengst (ter hoogte van hun vordering) aan hen toekomt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De heren [broer1] en [broer2] stellen dat er een pandrecht is gevestigd ten gunste</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van de heer [broer2] , zodat het uit te keren bedrag aan de heer [broer1]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan hem moet worden overgemaakt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De woning is verkocht en de levering dient plaats te vinden op donderdag</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2juli a.s. De notaris heeft cliënten verzocht de gelegde beslagen op te heffen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Cliënten hebben terzake een voorstel gedaan aan uw cliënten. Partijen hebben</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">overeenstemming bereikt. De volgende afspraken zijn gemaakt:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Op de derdenrekening van mijn kantoor zal een bedrag van € 41.013,21 worden</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">gestort. Dit bedrag is gelijk aan de vordering zoals deze geldt op 1 juli 2015.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Het beslag op een deel van het aandeel van de heer [broer1] in de</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">nalatenschap van mevrouw [de erflaatster] , namelijk op de onroerende zaak, zal worden</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">doorgehaald. Doorhaling zal pas plaatsvinden nadat de notaris mij uitdrukkelijk</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">heeft meegedeeld dat bovengenoemd bedrag uit de betaalde koopsom vanaf zijn</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">derdenrekening op mijn derdenrekening zal worden uitbetaald. Voor de goede</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">orde: het beslag op het aandeel in de nalatenschap wordt niet opgeheven. Op de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(eventuele) overige vermogensrechten/goederen blijft het executoriale beslag</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">liggen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Ik zal opdracht geven aan de Stichting Derdengelden van mijn kantoor op het</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">bedrag dat op de derdenrekening is overgemaakt uit te keren indien:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">a. tussen partijen overeenstemming wordt bereikt aan wie het bedrag dient</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">te worden uitgekeerd of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">b. uit in kracht van gewijsde gegaan vonnis, of arrest (en niet zoals door u</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">aangegeven een uitvoerbaar bij voorraad gewezen vonnis) duidelijk is aan wie het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bedrag toekomt.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Mr. Winter is werkzaam voor het advocatenkantoor Bout Advocaten te Groningen. De stichting beheert de derdengeldrekening van dat kantoor. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Overeenkomstig de in genoemde brief neergelegde afspraken heeft de notaris die de tot de nalatenschap van [de erflaatster] behorende woning heeft getransporteerd, op 10 juli 2015 een bedrag van € 41.013,21 aan de stichting overgemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>
        [appellante] heeft in 2016 een bedrag van € 45.000,- aan [broer1] geleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen [broer2] en [de derden] c.s. is een procedure gevoerd. Hierin heeft</para>
        <para>
          [broer2] gevorderd voor recht te verklaren dat het door hem in mei 2013 verkregen</para>
        <para>pandrecht een geldige titel geeft strekkende tot verhaal op het aandeel van [broer1] in de nalatenschap van [de erflaatster] . Bij arrest van dit hof van 14 mei 2019<footnote-ref linkend="_189da717-63f5-4f24-b549-4fb3e7343612" /> is [broer2] in het ongelijk gesteld. Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>Op 9 mei 2019 hebben [broer2] en [appellante] (hierna samen: [appellante en broer2] c.s.) voor de vorderingen uit hoofde van de onder 4.3 en 4.9 genoemde geldleningen beslag doen leggen op al hetgeen de stichting onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of verschuldigd is en/of zal worden aan [broer1] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <parablock>
        <para>Bij verstekvonnis van 3 juli 2019 is [broer1] - onherroepelijk - veroordeeld</para>
        <para>tot betaling van een bedrag van € 45.000,- aan [appellante] en een bedrag</para>
        <para>van € 80.000,- aan [broer2] , vermeerderd met rente en kosten. Het vonnis is op </para>
        <para>19 juli 2019 aan de stichting overbetekend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>De stichting heeft op 16 augustus 2019 het in juli 2015 door haar ontvangen bedrag van € 41.013,21 aan [de derden] c.s. overgemaakt. Op diezelfde dag heeft de stichting in een "Formulier als bedoeld in art. 475 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering" verklaard "dat er tussen ondergetekende [opm. hof: de stichting] en de schuldenaar [opm. hof: [broer1] ] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van ondergetekende had te vorderen, nu heeft te vorderen of nog te vorderen kan krijgen”.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing van de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellante en broer2] c.s. hebben bij de rechtbank, kort samengevat, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de stichting te veroordelen om aan hen een bedrag te betalen van </para>
        <para>€ 41.013,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van de stichting in de kosten van het geding, de nakosten daaronder mede begrepen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante en broer2] c.s. afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellante] vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis van de rechtbank van </para>
        <para>30 september 2020 (hierna: het vonnis) zal vernietigen en de stichting zal veroordelen aan [appellante] te betalen een bedrag van € 41.013,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2019 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van de stichting in de kosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        [appellante] is met een tweetal grieven opgekomen tegen het vonnis. De stichting heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>Het hof zal de grieven van [appellante] hierna bespreken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heeft de stichting in strijd gehandeld met wettelijke regels van beslagrecht?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4</nr>
      <para>Centraal in het betoog van [appellante] staat de stelling dat het op de derdenrekening van stichting gestorte bedrag van € 41.013,21 (hierna: het bedrag) steeds tot het vermogen van [broer1] is blijven horen. Omdat het bedrag [broer1] toebehoorde, heeft de stichting, door in weerwil van het door [appellante en broer2] c.s. gelegde beslag, het bedrag aan [de derden] c.s. over te maken, in strijd gehandeld met de wettelijke regels van het beslagrecht en is zij verplicht dit bedrag aan [appellante] te voldoen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5</nr>
      <para> Deze stelling strandt op wat de Hoge Raad in een reeks van uitspraken heeft overwogen over het karakter van een derdenrekening zoals die door notarissen, accountants en (in dit geval) advocaten plegen te worden aangehouden met het oog op het ontvangen van voor derden bestemde gelden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6</nr>
      <para> In zijn arrest van 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441 heeft de Hoge Raad overwogen dat uit artikel 25 van de Wet op het Notarisambt (Wna) volgt dat de notaris als lasthebber van de gerechtigden tegenover de kredietinstelling bij uitsluiting bevoegd is tot het beheer en de beschikking over de kwaliteitsrekening, dat rechthebbenden op het saldo van die rekening degenen zijn ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden, en dat tussen deze rechthebbenden met betrekking tot die gelden een gemeenschap bestaat als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW. In zijn arrest van 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat overeenkomstige toepassing van artikel 25 Wna (en artikel 19 Gerechtsdeurwaarderswet) mogelijk is op de rekeningen die door advocaten en accountants worden aangehouden met het oog op het ontvangen van voor derden bestemde gelden. In een later arrest van 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139 <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2017/436 heeft de Hoge Raad verder overwogen dat het aandeel van iedere rechthebbende in het vorderingsrecht ter zake van het saldo van de derdenrekening wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op die rekening is gestort.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7</nr>
      <para>
        [appellante] betwist op zichzelf niet dat de in rov. 4.6 geciteerde brief van mr. Winter de destijds over het bedrag gemaakte afspraken bevat (memorie van grieven, rn. 55). Zij meent evenwel dat die brief er niet aan in de weg staat dat het op de derdenrekening van de stichting gestorte bedrag steeds tot het vermogen van [broer1] is blijven horen en dat de stichting niet gerechtigd is geweest het door [appellante en broer2] c.s. gelegde beslag te negeren en tot overmaking van dit bedrag aan [de derden] c.s. over te gaan. Het hof volgt [appellante] daarin niet. Uit genoemde brief laat zich in redelijkheid niets anders afleiden dan dat partijen in 2015 zijn overeengekomen dat het bedrag op de derdenrekening zou worden gestort om [broer2] en [de derden] c.s. onder elkaar uitsluitende (spiegelbeeldige) voorwaarden tot (een evenredig deel van) het saldo van de derdenrekening gerechtigd te doen zijn. Nergens blijkt uit dat de in de brief van mr. Winter vervatte afspraken mede behelsden om ook [broer1] (voorwaardelijk) rechthebbende tot het saldo van de derdenrekening te maken of dat het hier slechts om (voorlopige of niet-bindende) “werkafspraken” zou gaan. Dat in de brief van mr. Winter van 1 juli 2015 met “hem” in de zinsnede “zodat het uit te keren bedrag aan de heer [broer1] aan hem moet worden overgemaakt” [broer1] (in plaats van [broer2] , zoals de rechtbank heeft aangenomen) zou (kunnen) zijn bedoeld is in het licht van de verdere inhoud en strekking van die brief bepaald onaannemelijk. Het hof is het dan ook met de stichting eens dat voor zover [broer1] al enige aanspraak op het bedrag heeft gehad, hij na overmaking daarvan (met zijn instemming) naar de derdenrekening van de stichting geen rechthebbende op het bedrag meer was: het vorderingsrecht ter zake van het saldo van een derdenrekening behoort volgens de hiervoor genoemde rechtspraak van de Hoge Raad immers slechts toe aan degenen ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8</nr>
      <para>Omdat niet in geschil is dat de in 2015 overeengekomen voorwaarden voor uitbetaling aan [de derden] c.s. waren vervuld op de datum van overmaking van het bedrag door de stichting aan [de derden] c.s. moet de slotsom luiden dat de stichting niet in strijd met enige wettelijke regel van het beslagrecht heeft gehandeld door het bedrag aan [de derden] c.s. over te maken respectievelijk niet gehouden is tot voldoening van genoemd bedrag aan [appellante] . </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onrechtmatige daad?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.9</nr>
      <para>Aangezien [appellante] niet heeft toegelicht waaruit het subsidiair door haar gestelde onrechtmatig handelen van de stichting anders zou bestaan dan uit de schending van haar wettelijke verplichtingen als derde-beslagene - waarvan blijkens het voorgaande geen sprake is -, moet de vordering ook op die subsidiaire grondslag sneuvelen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.10</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande kan wat partijen verder hebben aangevoerd onbesproken blijven. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De grieven falen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en [appellante] als in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten daarvan (wat betreft het salaris voor de advocaat conform het liquidatietarief, tariefgroep IV, 1 punt). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, rechtdoende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 30 september 2020;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de stichting vastgesteld op € 2.106,- voor verschotten en op € 2.031,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, H. de Hek en J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_189da717-63f5-4f24-b549-4fb3e7343612" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHARL:2019:4217.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>