<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2021:7068</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-13T11:18:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.273.048/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:7068">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:7068</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-13T11:17:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2021:7068 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-07-2021 / Wahv 200.273.048/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2021:7068:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 6:6 Awb. Met de enkele mededeling van de officier van justitie dat de ontbrekende gronden tijdens de hoorzitting kunnen worden aangevoerd, is niet een adequate gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2021:7068:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.273.048/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 223154532 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 22 juli 2021</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank </para>
      <para>Oost-Brabant van 19 november 2019, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [betrokkene] (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling</title>
    <para>1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat hij niet op behoorlijke wijze in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het administratief beroep in te dienen. </para>
    <para />
    <para>2. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie van 25 april 2019, waarin staat dat de gemachtigde tijdens een hoorzitting de gelegenheid krijgt om de gronden van beroep aan te vullen.</para>
    <para />
    <para>3. Het hof stelt vast dat het administratief beroepschrift geen gronden bevat. Dit betreft een verzuim in de zin van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Uit het dossier blijkt niet dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het beroep in te dienen door middel van een brief waarin wordt gewezen op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet herstellen van het verzuim. Enkel aangeven dat de gronden tijdens de hoorzitting kunnen worden aangevoerd, is niet voldoende. Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb en mocht de officier van justitie het beroep niet niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van gronden. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, ook de beslissing van de officier van justitie vernietigen. De overige tegen deze beslissingen aangevoerde gronden behoeven derhalve geen bespreking meer. </para>
    <para>4. Vervolgens staat het beroep tegen de inleidende beschikking ter beoordeling. Bij inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden of lossen van goederen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 januari 2019 om 20:22 uur op de Stationsweg in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .</para>
    <para />
    <para>5. De gemachtigde stelt dat de betrokkene aan het laden en lossen was voor het Supreme Café. Helaas heeft hij hier geen bewijs van, omdat de ambtenaar geen aankondiging van beschikking heeft achtergelaten. Anders had de betrokkene direct foto’s gemaakt van de producten die hij heeft gelost voor het café daar. De betrokkene wordt benadeeld in zijn verdedigingsbelang. Het gaat ter plaatse juist om een laad- en losplek voor de winkels daar. </para>
    <para />
    <para>6. Ten aanzien van de grond dat de betrokkene door het niet op het motorrijtuig achterlaten van een aankondiging van een beschikking in zijn verdediging is geschaad, overweegt het hof het volgende. </para>
    <para />
    <para>7. Artikel 4, derde lid, van de Wahv bepaalt dat een aankondiging van beschikking kan worden uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt of kan worden achtergelaten in of aan het motorrijtuig. Deze bepaling geeft de ambtenaar de mogelijkheid om een aankondiging van beschikking achter te laten, maar verplicht hem daartoe niet. Nu de inleidende beschikking ruimschoots binnen de daarvoor geldende termijn aan de betrokkene is toegezonden, kan niet worden vastgesteld dat hij in zijn verdedigingsbelang is geschaad door het niet ter plaatse achterlaten van de aankondiging van de beschikking. De inleidende beschikking bevat voldoende informatie voor de betrokkene om zich op een adequate wijze daartegen te kunnen verdedigen.</para>
    <para />
    <para>8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: </para>
    <para>“Ik heb gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit rond het voertuig waargenomen in de vorm van het laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen.”</para>
    <para />
    <para>9. In een op 22 maart 2019 opgemaakt proces-verbaal van bevindingen heeft de ambtenaar nog het volgende verklaard:</para>
    <para>“Ik zag daar toen dat een auto stond bij een parkeergelegenheid met het bord voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen met als onderbord motor uitzetten. Met twee pijlen erbij, om aan te geven dat er twee gereserveerde parkeervakken zijn voor het onmiddellijk laden- en lossen. Na geruime tijd (10 minuten) toezicht te hebben gehouden en geen activiteiten te hebben waargenomen in en om het voertuig in de vorm van het laden- en lossen van goederen dan wel het in of uit laten stappen van personen, heb ik het voertuig voorzien van een proces-verbaal.”</para>
    <para />
    <para>10. Voorts bevinden zich in het dossier een foto’s waarop het voertuig van betrokkene is te zien. In of bij het voertuig zijn geen personen waar te nemen.</para>
    <para />
    <para>11. Niet betwist is dat het voertuig van de betrokkene stond op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen. Gelet op het gevoerde verweer dient te worden beoordeeld of sprake was van parkeren.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>12. Artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 definieert parkeren als het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760). Het ligt op de weg van een betrokkene om aannemelijk te maken dat van laden of lossen - als uitzondering op parkeren - sprake is (vgl. het arrest van het hof van 3 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3877).</para>
    <para />
    <para>13. De betrokkene stelt rechtmatig gebruik te hebben gemaakt van de laad- en losplaats. De betrokkene dan wel zijn gemachtigde licht dat verder niet toe. In het hoger beroepschrift vermeldt de gemachtigde alleen dat de betrokkene producten heeft gelost bij het Suprême Café. Om welke producten het ging is verder niet vermeld en het hof ziet ook niet in waarom er, ondanks dat er geen aankondiging van beschikking zou zijn achtergelaten, geen nadere beschrijving van de producten zou kunnen worden gegeven. Niet kan worden vastgesteld dat de geloste producten goederen zijn die niet of bezwaarlijk anders dan per auto ter plaatse kunnen worden gebracht. Dat leidt ertoe dat al op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat geen sprake was van laden- en lossen maar van parkeren.</para>
    <para />
    <para>14. De bezwaren treffen geen doel. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom ongegrond verklaren. </para>
    <para />
    <para>15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beslissing van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>