<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2021:6740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-27T12:01:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.271.638/01 en 200.271.645/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:6740">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:6740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-27T12:00:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2021:6740 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-07-2021 / Wahv 200.271.638/01 en 200.271.645/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2021:6740:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 5 Wahv. Wanneer de ambtenaar ten tijde van het constateren van de gedraging een andere, zwaardere overtreding door een andere bestuurder waarneemt, mag hij die prioriteit geven en er van afzien de eerste bestuurder staande te houden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2021:6740:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummers </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.271.638/01 en 200.271.645</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummers </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 222782914 en 222782922</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 13 juli 2021</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op de hoger beroepen inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissingen van de kantonrechter van de rechtbank </para>
      <para>Den Haag van 5 december 2019 en 12 december 2019, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>gevestigd te [vestigingsplaats] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissingen van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft in beide zaken het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft verweerschriften ingediend. </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen de beroepen schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling</title>
    <para>1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 222782914 een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 januari 2019 om 13.36 uur op de Rijksweg A4 in Schipluiden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .</para>
    <para />
    <para>2. Verder is aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 222782922 een sanctie opgelegd van van € 323,- voor: “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 33 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht met hetzelfde voertuig en op dezelfde locatie, maar dan om 13.37 uur. </para>
    <para />
    <para>3. De gemachtigde van de betrokkene heeft in beide zaken aangevoerd dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering. Bij de officier van justitie is onder meer aangevoerd dat de beschikking ten onrechte met toepassing van artikel 5 van de Wahv is opgelegd. De officier van justitie is in het geheel niet ingegaan op dit verweer en maakt daarmee niet inzichtelijk waarom de aangevoerde argumenten geen doel treffen. De kantonrechter heeft dit miskend en had de beslissingen van de officier van justitie moeten vernietigen.</para>
    <para>4. Ingevolge artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient de beslissing op het beroep te berusten op een deugdelijke motivering.</para>
    <para />
    <para>5. In beide zaken heeft de officier van justitie zijn beslissing - voor zover relevant - als volgt gemotiveerd:</para>
    <para>“In de wet is geregeld dat als er geen reële mogelijkheid was om staande te houden, de sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder. Uit de beschikbare informatie blijkt dat die mogelijkheid er niet was. (…)”</para>
    <para />
    <para>6. Het hof is van oordeel dat de beslissingen van de officier van justitie op een deugdelijke motivering berusten. De officier van justitie heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door de gemachtigde aangevoerde grond geen doel treft en was niet gehouden om hierop in verdergaande mate te responderen dan hij heeft gedaan. Het verweer faalt.</para>
    <para />
    <para>7. De bezwaren richten zich verder tegen de opgelegde sancties.</para>
    <para />
    <para>8. De gemachtigde voert in beide zaken aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Hij voert daartoe aan dat de enkele verklaring van de ambtenaar dat een ander voertuig gevolgd moest worden, onvoldoende is om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid bestond tot het staandehouden van de bestuurder. In het onderhavige geval was er kennelijk wel een mogelijkheid om tot staandehouding van de bestuurder over te gaan, maar heeft de ambtenaar daar bewust van afgezien, omdat hij een ander voertuig wilde volgen. Daarbij is de situatie niet nader geschetst door de ambtenaar. Het is volgens de gemachtigde niet ondenkbaar dat twee voertuigen staande kunnen worden gehouden als ze zich vlakbij elkaar bevinden door eerst het ene voertuig een stopteken te geven en vervolgens het andere voertuig. </para>
    <para />
    <para>9. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Hierbij merkt het hof op dat, anders dan de gemachtigde veronderstelt, de mogelijkheid om af te zien van staandehouding niet beperkt is tot de voorbeelden die in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5 van de Wahv worden genoemd. Deze voorbeelden behelzen geen limitatieve opsomming (vgl. het arrest van het hof van 22 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6657). </para>
    <para />
    <para>10. In het zaakoverzicht staat vermeld dat de ambtenaren niet tot staandehouding van de betrokkene zijn overgegaan in verband met het volgen van een ander voertuig. In een aanvullend proces-verbaal van 29 april 2019 is voorts verklaard dat de bestuurder niet is staandegehouden, omdat een ander doelvoertuig met hogere snelheid passeerde en de ambtenaren verder zijn gegaan met dit subject.</para>
    <para />
    <para>11. Uit de verklaring van de ambtenaren kan worden afgeleid dat staandehouding wellicht feitelijk wel mogelijk was, maar dat is besloten om daarvan af te zien, omdat de ambtenaren zich tijdens de rit geconfronteerd zagen met een snelheidsovertreding die volgens de ambtenaren van hogere prioriteit was, omdat dit een zwaardere overtreding betrof dan de (snelheids)overtreding die de betrokkene op dat moment beging. Het hof is van oordeel dat dit voldoende grond vormt voor het oordeel dat er geen reële mogelijkheid was tot staandehouding van de bestuurder. Hierbij merkt het hof op dat het is voorbehouden aan ambtenaren om (ter plaatse) in te schatten en af te wegen aan welke gedraging zwaardere prioriteit moet worden gegeven. De sanctie is dan ook terecht met toepassing van het bepaalde in artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>12. In de zaak met Wahv-nummer 200.271.638 zijn verder geen gronden aangevoerd tegen de beslissing van de kantonrechter. Die beslissing zal dan ook worden bevestigd. Aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding in deze zaak is er niet.</para>
    <para />
    <para>13. De gemachtigde heeft in de zaak met Wahv-nummer 200.271.645 nog aangevoerd dat op grond van de Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen een minimale afstand tussen de locatie van het gebod en de meetlocatie in acht moet worden genomen. Uit het dossier blijkt niet dat dit is gebeurd. </para>
    <para />
    <para>14. In het zaakoverzicht staat het volgende, voor zover hier relevant, vermeld: </para>
    <parablock>
      <para>“De werkelijke gemiddelde snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte mobiele trajectsnelheidsmeter op basis van de factoren tijd en afstand.</para>
      <para>Afgelegde wegafstand: 1087 m</para>
      <para>Gebruikte tijd 28,20</para>
      <para>Gemeten (afgelezen) snelheid: 138 km/u.</para>
      <para>Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 133 km/u.</para>
      <para>Toegestane snelheid: 100 km/u.</para>
      <para>Overschrijding met: 33 km/u.</para>
      <para>Tussenafstand start meting: 57,00 m</para>
      <para>Tussenafstand einde meting: 50,0 m</para>
      <para>Soort meting: trajectmeting </para>
      <para>Soort meetmiddel: mobiele trajectsnelheidsmeter. (…)</para>
      <para>De werkelijke (gecorrigeerde) gemiddelde snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid. </para>
      <para>Overtreden artikel: 62 jo. bord A1 RVV 1990. (…).”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. In het eerder aangehaalde aanvullend proces-verbaal van 29 april 2019, verklaart de ambtenaar het volgende:</para>
    <para>“De meting heeft plaatsgevonden op genoemde locatie de Rijksweg A4 rechts ter hoogte van hmp 58.7 was volledig binnen het snelheid gebied van 100 km/h, welke staat aangegeven middels bord A1 (genoemd in bijlage 1 RVV 1990). Er is niet afgeweken van de instructie.”  </para>
    <para />
    <para>16. In de ten tijde van de onderhavige gedraging geldende Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen (hierna: de Aanwijzing) is bepaald - voor zover hier van belang - dat de snelheid van voertuigen moet zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere snelheid gaat gelden. Om discussies te voorkomen over een te korte afstand tussen de plaats waarop de lagere maximumsnelheid ingaat en de snelheidsmeting wordt een minimumafstand in acht genomen tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetlocatie. Bij een snelheid van 100 kilometer per uur dient een minimale afstand van 280 meter in acht te worden genomen tussen de plaats waarop de lagere maximumsnelheid ingaat en de meetlocatie.</para>
    <para />
    <para>17. Volgens de gemachtigde is niet gebleken dat de minimale afstand tussen het gebod en de meetplaats in acht is genomen. Nog daargelaten dat dit slechts wordt gesteld door de gemachtigde en niet van enige onderbouwing is voorzien, blijkt uit het zaakoverzicht dat de ambtenaren het voertuig van de betrokkene hebben gevolgd over een afstand van 1087 meter, daar waar de toegestane snelheid 100 km/h bedroeg. Gelet op deze informatie acht het hof het niet aannemelijk dat de minimale afstand van 280 meter tussen de bebording en de meetlocatie niet in acht is genomen. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>18. Tot slot overweegt het hof dat de grond betreffende de verwijzing naar de vervallen Aanwijzing door de gemachtigde reeds in vele zaken aan het hof voorgelegd en inmiddels ook vele malen verworpen. Het hof volstaat daarom in casu met het verwerpen van dit verweer (vgl. o.a. het arrest van het hof van 8 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10206).</para>
    <para />
    <para>19. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing genomen door de beroepen ongegrond te verklaren. Het hof zal deze beslissingen dan ook bevestigen. Er is geen aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt de beslissingen van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>