<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2021:5834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-17T08:01:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.284.527</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:5834">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:5834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-16T10:09:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2021:5834 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 15-06-2021 / 200.284.527</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2021:5834:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep; afgebroken opdracht autorijlessen; tekortkoming rijinstructeur; met het oog op zijn persoon gesloten overeenkomst; gevolgen ontbinding voor de toekomst; ongedaanmakingsverplichtingen. </para>
      <para />
      <para>Artikelen 6:265, 270, 271 en 7:404 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2021:5834:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.284.527</para>
      <para>(zaaknummer kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 8140403)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 15 juni 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellante]</title>
    <parablock>
      <para>2	<emphasis role="bold">[appellant]</emphasis>, </para>
      <para>beiden wonende te [A] ,</para>
      <para>appellanten,</para>
      <para>in eerste aanleg: eisers,</para>
      <para>hierna: [appellanten] c.s.,</para>
      <para>advocaat: mr. Y. Wong,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>voorheen handelend onder de naam: <emphasis role="bold">Rijschool [geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>thans wonende te [B] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagde,</para>
      <para>hierna: [geïntimeerde] ,</para>
      <para>niet in hoger beroep verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 8 juli 2020 dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, tussen partijen heeft gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding in hoger beroep van 5 oktober 2020 met grieven (en het vonnis als productie),</para>
      <para>- de verstekverlening op 20 oktober 2020,</para>
      <para>- de schriftelijke conclusie van eis in hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Vervolgens hebben [appellanten] c.s. de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waar deze zaak over gaat.</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het gaat hier over afgebroken autorijlessen.</para>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft van [appellanten] c.s., beiden toen ongeveer 16,5 jaar oud, opdracht gekregen om hen een pakket autorijlessen te geven. Daarvoor heeft hij bij factuur van 16 februari 2018<footnote-ref linkend="_c558fca8-4ca2-4c89-ae04-685389dd10e2" /> aan hen tezamen vooruit in rekening gebracht:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">”2x Inschrijvingsgeld CBR (…) 		€    163,50</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2x Tussen Tijdste Toets (…)		€    360,00</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2x Praktijkexamen (…) 			€    490,00</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">50x Lesuren (…) (Mike &amp; Samantha)	€ 1.875,00</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">1x Borg theorieboeken (…) 		</emphasis>
          <emphasis role="underline italic">€      75,00</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">subtotaal (…) 				€ 2.449,17</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">21% btw 				</emphasis>
          <emphasis role="underline italic">€    514,33</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">totaal 					€ 2.963,50</emphasis>
          <emphasis role="italic">”</emphasis>.</para>
        <para>
          [appellanten] c.s. hebben dit totaalbedrag vooruitbetaald. Zij hebben een aantal (in ieder geval 2 x 13) rijlessen en theorielessen bij [geïntimeerde] gevolgd. De uitvoering van de autorijlessen heeft vertraging opgelopen. Op de woensdag vóór 13 mei 2019, op maandag 13 mei 2019 en op vrijdag 7 juni 2019<footnote-ref linkend="_3c4052db-d0f8-4457-b4b7-6ef2e610d32d" /> hebben partijen met elkaar geappt over de voortgang<footnote-ref linkend="_69425c9a-8dd0-418f-be4f-1d04a5228fae" />. Die is er niet gekomen. Op 21 september 2019 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] c.s. gemeld dat hij door zijn ziekte (verslaving) bezig was met een herstelperiode en door de medicatie (tijdelijk) (ziek gemeld) uit de rijschoolbranche was gestapt. Daarna hebben [appellanten] c.s. hem op 7 en 24 oktober 2019 in gebreke gesteld<footnote-ref linkend="_d7c026eb-dfbc-42b7-b003-81498cdce837" />. Daarop heeft [geïntimeerde] per e-mail van 24 oktober 2019 afwijzend gereageerd<footnote-ref linkend="_278a1aaa-6ca2-4d3a-b22e-340c9ac613ed" />.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Bij dagvaarding van 29 oktober 2019 hebben [appellanten] c.s. vervolgens veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot betaling van € 2.397,71 met wettelijke rente en exploot- en proceskosten. Dit bedrag is samengesteld uit € 1.825 aan hoofdsom, € 241,47 wegens rente tot de dagvaarding en € 331,24 voor incassokosten. Naar de kantonrechter heeft begrepen en [appellanten] c.s. in hoger beroep niet hebben bestreden, is de hoofdsom van € 1.825 opgebouwd uit het vooruitbetaalde bedrag van € 2.963,50, verminderd met (26 lessen x € 37,50 =) € 975 en verminderd met € 163,50 wegens inschrijvingsgeld CBR.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter het gevorderde afgewezen op de grond dat [appellanten] c.s. onweersproken hebben gelaten dat zij in verband met de nog openstaande rijlessen niets meer met [geïntimeerde] te maken wilden hebben en zij zodoende in schuldeisersverzuim zijn geraakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Daartegen richten [appellanten] c.s. hun grieven 1 en 2. Grief 3 keert zich tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten en grief 4 tegen de proceskostenveroordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De motivering van de beslissing in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het verweer van [geïntimeerde] klopt wel voor zover het inhoudt dat [appellanten] c.s. op een gegeven moment aan hem te kennen hebben gegeven dat de rijlesovereenkomst voortijdig werd beëindigd. Maar dit was niet zomaar een beëindiging; daaraan is wel het nodige voorafgegaan. Dit wordt hierna besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>Op herhaalde vragen van [appellante] over de voortgang heeft [geïntimeerde] terug geappt<footnote-ref linkend="_7f9782b7-6d51-4186-9286-8053db5efa6b" />:</para>
        <para>-op woensdag 8 mei 2019: <emphasis role="italic">“(…) wacht op mijn Herkeuring, als ik daar definitief ant van krijg weten we meer. Hangt van CBR af. omdat er oa AHDH is geconstateerd meot ik</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">herkeurd worden.”</emphasis>,</para>
        <para>-in antwoord op de opmerking van [appellante] dat [appellanten] c.s. hun theorie-examen hadden gehaald en de vraag of ze binnenkort verder konden lessen, op maandag 13 mei 2019: <emphasis role="italic">“(…) Alleen ik zit nu ff zo druk met de agenda en me auto is ook nog eens stuk gegaan dus alles loopt een beetje in de knoop.”</emphasis> en</para>
        <para>-op vrijdag 7 juni 2019: <emphasis role="italic">”(…) Mijn auto is uitgevallen zoals je weet. We hebben nou 2 agendas samengevoegd tot na de zomer. Ik ga het voor de zomervakantie niet meer redden helaas. We gaan zelf ook nog op vakantie (collega sukru en ik). Als me auto niet was uitgevallen, had ik jullue over 3 weken kunnen laten beginnen maar we zitten enorm vol. Er is al een wachtlijst maar k heb jullue wel bovenin.. er zijn ook 13examens tot september dus jullie zijn een van de eerste die worden gebeld”</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Nu is het wel zo dat [appellante] hierbij steeds afwachtend en begripvol heeft gereageerd, maar dit werd anders toen [appellanten] c.s. op 21 september 2019 van [geïntimeerde] begrepen dat hij door zijn ziekte (verslaving) bezig was met een herstelperiode en door de medicatie (tijdelijk) (ziek gemeld) uit de rijschoolbranche was gestapt. Ze hebben hem toen in oktober 2019 tweemaal in gebreke gesteld. Uit de noodzaak van een herkeuring van [geïntimeerde] bij het CBR, zijn geneesmiddelengebruik in verband met verslaving, zijn ziekmelding, zijn vertrek uit de rijschoolbranche, de (mogelijk tijdelijke) uitval van zijn auto en zijn weigering te voldoen aan de ingebrekestellingen in oktober 2019, mochten [appellanten] c.s. afleiden dat [geïntimeerde] niet binnen een redelijke termijn in staat was om de autorijlessen naar de praktijkexamens toe te hervatten. Aldus is [geïntimeerde] tekortgeschoten en na de ingebrekestellingen in verzuim geraakt<footnote-ref linkend="_6757f953-8d07-42be-96de-32dc3016295f" />. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van deze tekortkoming hebben [appellanten] c.s. de overeenkomst van opdracht terecht voor de toekomst ontbonden verklaard<footnote-ref linkend="_b9070f9b-8aff-498b-9df3-4d768dabc11d" />. In zoverre is voor [geïntimeerde] een verbintenis ontstaan tot ongedaanmaking, dat wil zeggen: terugbetaling van de reeds door hem ontvangen gelden waartegenover hij geen prestaties heeft verricht<footnote-ref linkend="_dcb9a09a-a355-4e96-aa02-4c6e08b778d2" />. </para>
        <para>Volgens [appellanten] c.s. hebben zij geen praktijkexamen afgelegd en samen slechts 26 rijlessen gekregen. [geïntimeerde] erkent dat het praktijkexamen (voor € 490 exclusief btw) niet is afgelegd; hij zou hebben aangeboden te proberen dit via een collega te regelen. Maar de rijlesovereenkomst met [geïntimeerde] impliceert dat deze is gesloten met het oog op zijn persoon, zodat [appellanten] c.s., die vertrouwen willen hebben in een rijschoolinstructeur, geen genoegen met zo’n (overigens vage) oplossing behoefden te nemen<footnote-ref linkend="_33b4fcfa-55db-4025-915a-709136f896d9" />. [geïntimeerde] zal dus € 592,90 inclusief btw moeten terugbetalen. </para>
        <para>Naar de mening van [geïntimeerde]<footnote-ref linkend="_eb171de9-44ff-46a0-8585-aa0eca93fb72" /> hebben [appellanten] c.s. wel 2 × 20 lesuren afgenomen, gecombineerd met theorielessen. Volgens hem zijn [appellanten] c.s. verder (2 x ?) 4,5 uren niet op lessen komen opdagen. In dit laatste verweer leest het hof niet en daaruit behoefden [appellanten] c.s. ook niet te begrijpen dat [geïntimeerde] aldus 49 of 44,5 lesuren heeft willen verantwoorden. [geïntimeerde] heeft dus (50 – 40 =) 10 lesuren van € 37,50 per lesuur plus btw niet gegeven en is daarom € 453,75 inclusief btw verschuldigd aan [appellanten] c.s. Voor de resterende (40 – 26 =) 14 lesuren rustte op [appellanten] c.s., die ongedaanmaking van de daarvoor gedane betalingen verlangen, de stelplicht en bewijslast<footnote-ref linkend="_bf55f720-132d-48c6-8e00-cdf39cc56eb7" /> dat zij deze niet hebben gekregen. In dat kader mocht van hen worden verwacht dat zij zouden opgeven wanneer en welke soort lessen zij wel hebben gehad, waarna ook [geïntimeerde] daarop meer concreet had moeten reageren. Uit de app-correspondentie is wel duidelijk geworden en [appellanten] c.s. hebben in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden dat zij behoorlijk wat problemen hebben gehad met de theorie, waarmee zij onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken dat [geïntimeerde] een aantal rijlesuren heeft overgeheveld naar (een combinatie met) theorie-uren. Daarom zit er op dit punt voor [appellanten] c.s. niet meer in dan € 453,75.</para>
        <para>
          [geïntimeerde] moet dus aan [appellanten] c.s. tezamen betalen (€ 592,90 + € 453,75 =) € 1.046,65.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>De buitengerechtelijke incassokosten worden gerelateerd aan deze hoofdsom van € 1.046,65 en bedragen<footnote-ref linkend="_b342e5dd-e234-4424-870d-a25f0f91d7bc" /> 15% daarvan, ofwel afgerond € 157. Dit bedrag is toewijsbaar. De explootkosten van € 99,53 worden als nodeloos aangewend afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>De wettelijke rente over de hoofdsom gaat pas in 15 dagen na de bezorging op 7 oktober 2019 van de ingebrekestelling van 1 oktober 2019, dus met ingang van 23 oktober 2019. [appellanten] c.s. hebben deze echter gevorderd met ingang van 24 oktober 2019, zodat het hof van die laatste ingangsdatum uitgaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Na het voorgaande hebben [appellanten] c.s. geen belang meer bij toewijzing van de ook door hen gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] in de nakoming van zijn verplichtingen als rijinstructeur is tekortgeschoten. Deze vordering wordt afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Partijen hebben geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Daarom wordt aan hun bewijsaanbiedingen voorbijgegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De slotsom</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het vonnis zal worden vernietigd en het door [appellanten] c.s. gevorderde zal beperkt worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Als niet weersproken zal het hof wel de gevorderde nakosten met de wettelijke rente daarover toewijzen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende in hoger beroep bij verstek:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 juli 2020 en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellanten] c.s. tezamen van € 1.046,65, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 24 oktober 2019 tot de dag der algehele voldoening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellanten] c.s. tezamen van € 157 wegens buitengerechtelijke kosten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 163, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85 in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, C.M.E. Lagarde en V. van der Kuil, is door de voorzitter ondertekend en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c558fca8-4ca2-4c89-ae04-685389dd10e2" label="1">
    <para> productie 2 bij inleidende dagvaarding</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c4052db-d0f8-4457-b4b7-6ef2e610d32d" label="2">
    <para> Waar [appellanten] c.s. spreken over 2018 betreft dit een kennelijke vergissing in plaats van 2019. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_69425c9a-8dd0-418f-be4f-1d04a5228fae" label="3">
    <para> productie 5 bij inleidende dagvaarding</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d7c026eb-dfbc-42b7-b003-81498cdce837" label="4">
    <para> producties 3 en 4 bij inleidende dagvaarding</para>
  </footnote>
  <footnote id="_278a1aaa-6ca2-4d3a-b22e-340c9ac613ed" label="5">
    <para> productie 6 bij inleidende dagvaarding</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f9782b7-6d51-4186-9286-8053db5efa6b" label="6">
    <para> productie 5 bij inleidende dagvaarding</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6757f953-8d07-42be-96de-32dc3016295f" label="7">
    <para> op grond van én artikel 6:82 lid 1 BW én artikel 6:83, aanhef en onder c. BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b9070f9b-8aff-498b-9df3-4d768dabc11d" label="8">
    <para> zie de artikelen 6:265 lid 1 en 270 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dcb9a09a-a355-4e96-aa02-4c6e08b778d2" label="9">
    <para> zie artikel 6:271 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33b4fcfa-55db-4025-915a-709136f896d9" label="10">
    <para> zie artikel 7:404 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eb171de9-44ff-46a0-8585-aa0eca93fb72" label="11">
    <para> schriftelijk antwoord, vijfde alinea</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf55f720-132d-48c6-8e00-cdf39cc56eb7" label="12">
    <para> zie de hoofdregel van artikel 150 Rv</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b342e5dd-e234-4424-870d-a25f0f91d7bc" label="13">
    <para> volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>