<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2021:3496</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T11:10:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/01208</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2021/990</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2021/30.29.37</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2021-1350</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2021042308</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:3496">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:3496</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-20T12:12:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2021:3496 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-04-2021 / 19/01208</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2021:3496:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>VPB. Immateriële schadevergoeding, griffierecht, proceskosten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2021:3496:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN</emphasis>
  </para>
  <para>locatie Arnhem</para>
  <para>nummer 19/01208</para>
  <para>uitspraakdatum: 13 april 2021</para>
  <parablock>
    <para>Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>op het hoger beroep van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [X] B.V., </emphasis>gevestigd in [Z] (hierna: belanghebbende),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 5 augustus 2019, nummer AWB 19/1199, ECLI:NL:RBGEL:2019:3549, in het geding tussen belanghebbende en </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst </emphasis>(hierna: de inspecteur),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>betreffende na te noemen verliesvaststellingsbeschikking.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Ontstaan en loop van het geding</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.1.	Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.2.	Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.3.	Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.4.	De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 250 en in de proceskosten van € 512.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.5.	Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.6.	De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.7.	Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.8.	Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2020 via een videoverbinding. Aan deze digitale zitting hebben deelgenomen [A] , bestuurder van belanghebbende, bijgestaan door gemachtigde [B] , alsmede, namens de inspecteur [C] .</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.9.	Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota toegezonden aan de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.10.	Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.11.	Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld de jaarstukken en een deel van de administratie ter inzage aan de inspecteur te verstrekken.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.12.	Bij brief met dagtekening 1 maart 2021 heeft belanghebbende aan het hof meegedeeld dat zij het hoger beroep intrekt omdat zij met de inspecteur een compromis heeft bereikt.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.13. Bij emailbericht en bij brief met dagtekening 18 maart 2021 heeft de inspecteur de intrekking van het hoger beroep door belanghebbende en het bereikte compromis bevestigd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.14.	Het hof dient slechts nog uitspraak te doen ten aanzien van de vergoeding van het griffierecht, proceskostenvergoeding en ten aanzien van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.15.	Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen.<footnote-ref linkend="_b27a4cd4-7d64-42e0-b83f-03b61207ebae" /> Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure niet is overschreden. Er bestaat geen recht op een immateriële schadevergoeding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Ten aanzien van het griffierecht</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het hof ziet aanleiding te bepalen dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van € 345 en € 519 vergoedt, omdat de inspecteur gedeeltelijk aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoetgekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Ten aanzien van de proceskosten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het hof ziet aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vast op 2 (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) x € 534 x 1 (factor gewicht van de zaak) = € 1.068.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para>- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 864 vergoedt;</para>
    <para>- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.068.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Gladpootjes, voorzitter, mr. J.M. van der Vegt en mr. J.W. de Tombe, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Flutsch als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op 13 april 2021 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,					De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. P.A. Flutsch				mr. T.A. Gladpootjes</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het aanwenden van een rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad </emphasis><emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis>Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie <emphasis role="bold underline">www.hogeraad.nl</emphasis>). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
      <para>Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      <para>(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
      <para>Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      <para>de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>de dagtekening;</para>
      <para>een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para>de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b27a4cd4-7d64-42e0-b83f-03b61207ebae" label="1">
    <para> Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>