<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2021:10785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-09T10:49:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.249.044</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:10785">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2021:10785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-09T10:49:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2021:10785 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-11-2021 / Wahv 200.249.044</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2021:10785:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 5 Wahv. Uitgangspunt is dat bij constatering van een gedraging de bestuurder wordt staandegehouden. Als niet blijkt waarom daarvan is afgezien, behoort de officier van justitie, bij een verweer, navraag te doen bij de ambtenaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2021:10785:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.249.044/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 211550393 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 22 november 2021</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2018, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling</title>
    <para>1. De gemachtigde van de betrokkene wijst er in hoger beroep onder meer op dat de officier van justitie de grond inzake het uitblijven van een staandehouding niet adequaat heeft behandeld, hetgeen door de kantonrechter niet is onderkend.  </para>
    <para />
    <para>2. In artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat dat een beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.</para>
    <para />
    <para>3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde zich in administratief beroep op het standpunt heeft gesteld dat ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden, waarbij is aangevoerd dat de vermelding dat sprake was van een statische post op zichzelf bezien geen reden is om niet staande te houden. Bovendien moet de ambtenaar zich volgens de gemachtigde dicht bij het voertuig hebben bevonden, aangezien kentekenplaten van bromfietsen erg klein zijn.</para>
    <para />
    <para>4. De officier van justitie heeft ten aanzien van dit verweer overwogen dat de gemachtigde, eventueel met behulp van bewijsmiddelen en/of getuigenverklaringen, aannemelijk moet maken dat een staandehouding wel mogelijk was. Nu dit niet is gebeurd, faalt het verweer volgens de officier van justitie.</para>
    <para>5. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.  </para>
    <para />
    <para>6. Het uitgangspunt, zoals dat uit voormeld artikel en daarop gebaseerde jurisprudentie volgt, is aldus dat een staandehouding plaatsvindt. Het verweer van de gemachtigde in administratief beroep had voor de officier van justitie dan ook aanleiding moeten zijn nadere informatie in te winnen bij de betreffende ambtenaar. Door te overwegen dat de gemachtigde aannemelijk had moeten maken dat een staandehouding wel mogelijk was, heeft de officier van justitie voormeld uitgangspunt niet onderkend. Diens beslissing kan derhalve geen stand houden vanwege de daaraan ten grondslag liggende, ondeugdelijke motivering. De kantonrechter heeft dit miskend. </para>
    <para />
    <para>7. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Hetgeen resteert, is de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking.</para>
    <para />
    <para>8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van <?linebreak?>€ 160,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 oktober 2017 om 19:12 uur op de Willemsparkweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .</para>
    <para />
    <para>9. De gemachtigde vraagt zich af of het voertuig van de betrokkene is waargenomen. Kentekenplaten op bromfietsen zijn door hun geringe omvang moeilijk leesbaar en de voertuigkenmerken zijn overduidelijk uit het kentekenregister overgenomen. Het is volgens de gemachtigde volstrekt onbegrijpelijk dat de ambtenaar verklaart zeker te weten dat de gedraging met voormeld voertuig is verricht, terwijl hij tegelijkertijd verklaart zich de gedraging niet te kunnen herinneren. Er heeft bovendien ten onrechte geen staandehouding plaatsgevonden, terwijl de ambtenaar gelet op de omvang van een dergelijke kentekenplaat erg dicht in de buurt moet zijn geweest van het voertuig. De vermelding ‘statische post’ is geen reden om niet staande te kunnen houden, waarbij de gemachtigde zich nog afvraagt of niet eenvoudigweg een stopteken had kunnen worden gegeven.</para>
    <para />
    <para>10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.</para>
    <para />
    <para>11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: </para>
    <parablock>
      <para>“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat deze ongeveer 30 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. (…)</para>
      <para>Opgaven verbalisant</para>
      <para>Merk van voertuig: Piaggio</para>
      <para>Type van voertuig: Vespa Sprint (…)</para>
      <para>Reden geen staandehouding: i.v.m. statische post.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. In hoger beroep is een op 3 december 2018 daterende verklaring van de ambtenaar overgelegd. Uit die verklaring kan worden afgeleid dat de ambtenaar zich de gedraging en de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden niet meer kan herinneren, evenals of de ambtenaar op dat moment in operationeel uniform of onopvallend gekleed was. Uit die verklaring kan voorts worden afgeleid dat de ambtenaar ten tijde van de gedraging werkzaam was als hoofdagent bij de politie Amsterdam, Flexteam Zuid, waarbij zowel opvallende als onopvallende dienstverrichtingen werden uitgevoerd. Ten slotte is in die verklaring het volgende opgenomen: “Zoals in mijn proces-verbaal aangegeven, had ik op het moment van constatering een bijzondere taak en was ik niet in de gelegenheid om een staandehouding te doen, aangezien ik dienst deed op dat moment als statische post.”</para>
    <para />
    <para>13. Het verweer van de gemachtigde geeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de waarneming van de ambtenaar dat de onderhavige gedraging is verricht met een bromfiets van het merk Piaggio, type Vespa Sprint, voorzien van kenteken [kenteken] , en dat daarbij goed zicht op het verkeerslicht was. De betrokkene is kentekenhouder van dit voertuig, hetgeen verder niet wordt betwist. Dat de ambtenaar meer dan een jaar na dato verklaart zich de gedraging en de specifieke details niet meer te kunnen herinneren, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. </para>
    <para />
    <para>14. Met betrekking tot het verweer inzake het uitblijven van een staandehouding overweegt het hof dat, anders dan de gemachtigde meent, de omstandigheid dat sprake is van een statische roodlichtcontrole (waarbij een staandehouding misschien feitelijk wel mogelijk was) niet per definitie betekent dat een reële mogelijkheid bestaat om bestuurders staande te houden. De - voor de mogelijkheid van staandehouding van belang zijnde - keuze van de ambtenaar voor de wijze waarop een verkeerscontrole wordt uitgevoerd, leent zich slechts voor een uiterst marginale toetsing door de rechter. Het hof is van oordeel dat de door de ambtenaar opgegeven reden voldoende grond vormt voor de conclusie dat er geen reële mogelijkheid was tot staandehouding van de bestuurder. De sanctie is derhalve terecht met toepassing van het bepaalde in artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd.  </para>
    <para />
    <para>15. Voorgaande betekent dat vaststaat dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene en dat daarvoor terecht aan hem als kentekenhouder een sanctie is opgelegd. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook ongegrond verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beslissing van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>