<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:8949</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-05T09:46:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21-000104-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:8949">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:8949</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-03T11:12:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:8949 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 03-11-2020 / 21-000104-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:8949:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:8949:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer:	21-000104-19 </para>
    <para>Uitspraak d.d.:	3 november 2020</para>
    <para>Tegenspraak</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Ontnemingszaak</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Verkort arrest</emphasis> van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 27 december 2018 met het parketnummer 18-730036-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, inzake</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonadres] , [woonplaats] , hierna te noemen: de betrokkene.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 20 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof dezelfde beslissing zal nemen als de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. A.L. van Onna, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing waartegen het hoger beroep is gericht</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de hierboven genoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, alsmede diens terugbetalingsverplichting, vastgesteld op een bedrag van € 379.877,13. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de beslissing van de rechtbank is niet de duur van de gijzeling opgenomen. Mede daarom dient het gerechtshof die beslissing thans te vernietigen en opnieuw recht te doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 379.877,13 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is bij arrest van dit gerechtshof van 3 november 2020 (parketnummer </para>
      <para>21-000103-19) veroordeeld tot straf ter zake van vier gevallen van gekwalificeerde verduistering (PGB-fraude).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het gerechtshof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 379.877,13. Het gerechtshof komt tot deze schatting op grond van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals nader weergegeven in de beslissing van de rechtbank. Deze berekening is in hoger beroep niet betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zake van genoemd bedrag is door de betrokkene en de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de betrokkene het geld niet heeft en dat hij als gevolg van medische beperkingen niet in staat is en zal zijn betaald werk te verrichten. In het verlengde daarvan is kwijtschelding, subsidiair vermindering van dat bedrag bepleit, onder verwijzing naar documenten ter onderbouwing van hetgeen is aangevoerd, die de verdediging heeft ingezonden naar het gerechtshof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenals de rechtbank heeft beslist en de advocaat-generaal heeft gevorderd, stelt het gerechtshof vast dat op dit moment niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie waarin al vast staat dat de betrokkene ook in de toekomst in het geheel niet zal kunnen terugbetalen. Op grond hiervan verwerpt het gerechtshof het gevoerde draagkrachtverweer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De verplichting tot betaling aan de Staat</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bovenstaande zal het gerechtshof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Gijzeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het door de verdediging op grond van artikel 6:6:25, zesde lid van het Wetboek van Strafvordering bepleite op nihil stellen van de gijzeling, alsmede de subsidiair door de verdediging bepleite matiging van de duur van de gijzeling tot één of meer dagen. Het gerechtshof bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 365 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijk wettelijk voorschrift</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift is toegepast zoals dit gold ten tijde van de procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € <emphasis role="bold">379.877,13 (driehonderdnegenenzeventigduizend achthonderdzevenenzeventig euro en dertien cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de betrokkene de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 379.877,13 (driehonderdnegenenzeventigduizend achthonderdzevenenzeventig euro en dertien cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 365 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door</para>
      <para>mr. O. Anjewierden, voorzitter,</para>
      <para>mr. G.A. Versteeg en mr. F. van der Maden, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,</para>
      <para>en op 3 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. Versteeg is buiten staat dit arrest te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>