<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:8623</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-10T12:46:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.243.972/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:8623">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:8623</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-10T12:46:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:8623 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-10-2020 / Wahv 200.243.972/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:8623:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De bestuurder die niet op eerste vordering zijn rijbewijs toont, heeft geen recht op een termijn om dat alsnog te doen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:8623:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.243.972/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 210178819 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 23 oktober 2020</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank <?linebreak?>Zeeland-West-Brabant van 17 april 2018, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [A] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft wel aanvullende stukken overgelegd. Deze zijn (in kopie) doorgestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene, die daar schriftelijk op heeft gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De beoordeling</title>
    <para>1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 augustus 2017 om 01.55 uur op de Rijksweg A58 in Gilze met het voertuig met het kenteken <?linebreak?>[YY-YY-00] .</para>
    <para />
    <para>2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de betrokkene de gedraging betwist. Het enkel vragen om het rijbewijs is onvoldoende grondslag om over te gaan tot het opleggen van een sanctie. Uit het dossier blijkt niet dat de verbalisant ondubbelzinnig het rijbewijs heeft gevorderd. Na ontvangst van het door de advocaat-generaal overgelegde proces-verbaal wijst de gemachtigde er nog op dat in het zaakoverzicht is vermeld dat de betrokkene geen gebruik maakte van de mogelijkheid om binnen de gestelde termijn alsnog aan te tonen in het bezit te zijn van een rijbewijs, maar dat uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat direct een proces-verbaal is gegeven. Nu de betrokkene wel het recht had om binnen een gestelde termijn alsnog zijn rijbewijs te tonen, maar deze mogelijkheid niet heeft gehad, kan de inleidende beschikking niet in stand blijven, aldus de gemachtigde. </para>
    <para>3. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Deze bepaling luidt:</para>
    <parablock>
      <para>“Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen</para>
      <para>behoorlijk ter inzage af te geven:</para>
    </parablock>
    <para>b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs:”</para>
    <para />
    <para>4. Artikel 160 van de WVW 1994 regelt het toezicht dat, of de controle die, wordt verricht om na te gaan of de regels gesteld bij of krachtens de WVW 1994 worden nageleefd. In dit kader is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht om bij een controle het rijbewijs af te geven, zodat op eenvoudige wijze kan worden gecontroleerd of de bestuurder het voertuig mag besturen. Met de term 'op eerste vordering' wordt beoogd weggebruikers duidelijk te maken dat aan de desbetreffende vordering onverwijld gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbrenging van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de opsporingsambtenaar tot herhaling van zijn vordering zou worden genoopt (vgl. Hoge Raad 4-5-1965, NJ 1965, 294).</para>
    <para />
    <para>5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: </para>
    <para>“Gedragingsgegevens: betrokkene maakte geen gebruik van de geboden gelegenheid om binnen een gestelde termijn alsnog aan te tonen in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Voor het besturen van dit motorrijtuig was vereist een rijbewijs B. Bij onderzoek is gebleken dat aan betrokkene een geldig rijbewijs voor de onderhavige categorie(en) was afgegeven. (…)”</para>
    <para />
    <para>6. Door de advocaat-generaal is een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2018 overgelegd, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:</para>
    <para>“Op zondag 20 augustus 2017 (…) zag ik genoemde bestuurder slingerend over de A58 rijden. Ter controle gaf ik een stopteken waaraan hij voldeed. (…) Ter controle van zijn rijbewijs vorderde ik deze bij Atif. Atif gaf mij te kennen dat deze ingenomen was door de politie. Hierop heb ik de politiesystemen geraadpleegd waaruit bleek dat: </para>
    <para>- Er geen melding bekend was die het verhaal van Atif bevestigde</para>
    <para>- Dat Atif wel in het bezit was van een geldig rijbewijs.</para>
    <para>Hierop heb ik (…) Atif een proces-verbaal gegeven voor het niet op eerste vordering tonen van zijn rijbewijs.”</para>
    <para />
    <para>7. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen dat is gevorderd het rijbewijs te tonen. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt voorts dat de betrokkene aan deze vordering niet onverwijld gevolg heeft gegeven. Daarmee is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Met de gemachtigde moet worden vastgesteld dat de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht afwijkt van die in het aanvullend proces-verbaal op het punt of de betrokkene in de gelegenheid is gesteld om binnen een bepaalde termijn aan te tonen in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Het hof houdt het er met de gemachtigde voor dat deze gelegenheid niet is geboden. Dat betekent echter niet dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Zoals het hof heeft bepaald in het arrest van <?linebreak?>10 juni 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2015:4255, moet de bepaling van artikel 160 van de WVW 1994 niet zo worden uitgelegd dat de belanghebbende een termijn moet worden geboden om aan de vordering te voldoen. </para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>9. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt de beslissing van de kantonrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>