<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:7031</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:03:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.278.373</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RBP 2020/86</rdf:li>
          <rdf:li>NTHR 2020, afl. 6, p. 307</rdf:li>
          <rdf:li>TVA 2021/20</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:7031">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:7031</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-09T13:03:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:7031 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-09-2020 / 200.278.373</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:7031:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 1022 lid 1 Rv. Beroep op arbitragebeding moet voor alle weren. Is in eerste aanleg verweer gevoerd dan kan dat beroep niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:7031:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.278.373 </para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Gelderland NL 18.16833 )</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 8 september 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het incident in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>hierna: [verzoeker] ,</para>
      <para>advocaat: mr. B.J. Stuiver ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [kind1] ,</title>
    <para>wonende te [B] ,</para>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>voor zichzelf;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>als bewindvoerder van <emphasis role="bold">[kind2] ,</emphasis> wonende te [A] ,</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>2. <emphasis role="bold">[kind3] ,</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>wonende te [C] ,</para>
      <para>hierna samen: de kinderen,</para>
      <para>advocaat: mr. D. van der Wal .</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Waar gaat het over?</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>
        [verzoeker] is de vader van [kind1] , [kind2] en [kind3] . Hij was in gemeenschap van goederen gehuwd met [D] (hierna: [D] ), moeder van de kinderen. Het huwelijk van [verzoeker] en [D] is door echtscheiding geëindigd [in] 1995 . Zij hebben de ontbonden huwelijksgemeenschap gedeeltelijk verdeeld. Zij hebben de gemeenschap ten aanzien van bedrijfspanden met bovenwoningen en een winkelpand in [A] (hierna: de panden) onverdeeld gelaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Op 1 januari 1996  zijn [verzoeker] en [D] samen begonnen met de exploitatie van een cateringbedrijf, gevestigd in een van de panden die zij onverdeeld hebben gelaten. In een notariële akte van 5 december 1996  hebben zij afspraken gemaakt over de exploitatie en het beheer van de panden. Zij hebben ook afgesproken dat de <emphasis role="italic">‘bij deze akte in het leven geroepen rechtsverhouding’</emphasis> eindigt bij overlijden van een deelgenoot. Zij hebben ook afgesproken dat het aandeel van de overleden deelgenoot zal verblijven aan de andere deelgenoot tegen vergoeding van de overwaarde aan de erfgenamen van de overleden deelgenoot. Die vergoeding is pas opeisbaar bij het overlijden van de andere (overblijvende) deelgenoot. Om dit verblijvingsbeding te effectueren hebben zij elkaar een onherroepelijke volmacht gegeven. Ten slotte hebben zij bepaald:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“10. Alle geschillen welke tussen partijen mochten opkomen betreffende de uitleg van de bepalingen van deze overeenkomst, zullen worden voorgelegd aan een onpartijdig persoon. Deze zal worden benoemd door partijen in onderling overleg en bij geschil door de kantonrechter, binnen wiens ambtsgebied partijen hun woonplaats hebben.”  </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>
        [D] is [in] 2016  overleden met achterlating van de kinderen als haar enige erfgenamen. [verzoeker] heeft in een notariële akte van 23 februari 2017  het verblijvingsbeding uitgevoerd en het bedrag vastgesteld dat hij nog verschuldigd is aan de kinderen als erfgenamen van [D] . Dat is een vergoeding van de overwaarde van € 737.893 , waarvan na aftrek van een vordering van [verzoeker] op [D] resteert € 118.928 , die opeisbaar is bij overlijden van [verzoeker] .  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De kinderen vinden dat [verzoeker] hun een bedrag van € 453.410,50  of € 428.410,50  moet betalen en hun zekerheid moet geven voor de betaling daarvan. Zij willen ook dat [verzoeker] hun een kopie van de administratie van de panden geeft over de laatste zeven respectievelijk vijf jaar voor het overlijden van [D] . Zij hebben de rechtbank gevraagd [verzoeker] daartoe te veroordelen. [verzoeker] heeft dat bestreden en op zijn beurt tegenvorderingen ingesteld jegens de kinderen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>De rechtbank heeft de vordering van de kinderen op [verzoeker] vastgesteld op € 419.297,50  en hem veroordeeld zakelijke zekerheid te geven voor die vordering op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft de andere vorderingen van de kinderen en de tegenvorderingen van [verzoeker] afgewezen (vonnis rechtbank Gelderland van 26 november 2019 ).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De rechtszaak bij het hof </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [verzoeker] is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en alsnog zijn tegenvorderingen toewijst. Hij heeft zijn bezwaren (grieven) tegen de beslissing van de rechtbank nog niet kenbaar gemaakt. In dit incident zegt hij dat de rechtbank en ook het hof niet bevoegd zijn om kennis te nemen van dit geschil tussen hem en de kinderen. Volgens [verzoeker] moet het hof zich onbevoegd verklaren. De kinderen vinden dat het hof wel bevoegd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:</para>
      <para>- de stukken van de rechtszaak bij de rechtbank;</para>
      <para>- de dagvaardingen in hoger beroep;</para>
      <para>- de memorie van grieven houdende incidentele vordering;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord in incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Wat beslist het hof</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoeker] doet een beroep op de afspraak die hij met [D] heeft gemaakt in onderdeel 10 van de notariële akte van 5 december 1996 (zie 1.2). Deze afspraak is een overeenkomst tot arbitrage. De kinderen zijn als erfgenamen van [D] ook gebonden aan deze afspraak. In artikel 1022 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover zo’n overeenkomst tot arbitrage is gesloten zich onbevoegd verklaart. Hij doet dat alleen als een partij zich <emphasis role="underline">voor alle weren</emphasis> op het bestaan van deze overeenkomst beroept. [verzoeker] heeft in de procedure bij de rechtbank verweer gevoerd en had zich toen al moeten beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank. Dat heeft hij niet gedaan. Hij kan dat niet nu nog in hoger beroep doen. Dat is te laat. Het hof zal de vorderingen in het incident van [verzoeker] afwijzen en verder beslissen als volgt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vorderingen van [verzoeker] af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak in hoger beroep:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt verder iedere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, H.L. Wattel en D.M.I. de Waele en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>