<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:6049</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:55:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">PIJ P20/0136</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2021/5</rdf:li>
          <rdf:li>FJR 2021/38.5</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:6049">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:6049</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-30T15:31:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:6049 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-07-2020 / PIJ P20/0136</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:6049:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beslissing ter zake van (vordering tot) verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de maatregel). Rechtbank heeft beslist tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, nadat meer dan een jaar is verstreken sinds de maatregel voorwaardelijk is geëindigd. Hof vernietigt beslissing rechtbank en wijst vordering af. Uit art. 77ta.2 Sr vloeit voort dat de maatregel een jaar nadat deze voorwaardelijk is geëindigd, van rechtswege onvoorwaardelijk eindigt. Dit artikel bepaalt dat verlenging van de voorwaardelijke beëindiging mogelijk is. Het regelt echter niet dat de voorwaardelijke beëindiging voortduurt in de periode dat een vordering tot verlenging aanhangig is. Art. 6:6:32.1 Sv verklaart art. 6:6:11 Sv niet van overeenkomstige toepassing. Ook anderszins acht het hof artikel 6:6:11 Sv niet van overeenkomstige toepassing op de verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. De wetsgeschiedenis noch de systematiek van de wet geeft hiervoor aanknopingspunten. Verlenging van die termijn wordt hierdoor weliswaar moeilijk, maar niet onmogelijk. Dat van overeenkomstige toepassing verklaren een wens is geweest van de wetgever die door een vergissing niet in de wettekst is opgenomen, wordt weersproken door het gegeven dat de wetgever sinds de inwerkingtreding van de regeling van voorwaardelijke beëindiging per 1 juli 2011 geen stappen heeft gezet om deze vermeende omissie te herstellen. Herstel daarvan valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter. Hier is de wetgever aan zet. Gelet hierop dient doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de tekst van artikel 77ta, tweede lid, Sr, inhoudende dat de maatregel op de gegeven datum onvoorwaardelijk eindigt. Nadat een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen onvoorwaardelijk is geëindigd, ontbreekt voor de rechter een grondslag voor verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging. Dat dit ongewenste maatschappelijke consequenties kan hebben, is mede gelet op het stilzitten van de wetgever onvoldoende om een ruimere uitleg te geven aan de wet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:6049:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">PIJ P20/0136 </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beslissing d.d. 30 juli 2020</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [jeugdige]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,</para>
    <para>ingeschreven op het adres [woonplaats] .</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2020, houdende verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de maatregel) met een termijn van een jaar en een aanvulling van de bijzondere voorwaarden.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof heeft gelet op de stukken genoemd in de tussenbeslissing van 25 juni 2020 en op het proces-verbaal van de zitting van het hof van 11 juni 2020.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof heeft ter zitting van 11 juni 2020 gehoord de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J. de Bruijn, advocaat te ’s-Gravenhage, en de advocaat-generaal, mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit. Op die zitting heeft het hof tevens als deskundige gehoord S. Emmerich, reclasseringswerker. Het hof heeft bij tussenarrest  van 25 juni het onderzoek heropend. Het hof heeft ter zitting van 16 juli 2020 gehoord de raadsman en de advocaat-generaal voornoemd.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para>In de tussenbeslissing van 25 juni 2020 heeft het hof de vraag gesteld of een beslissing tot verlenging van de proeftijd die is verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, nog kan worden gegeven na afloop van die proeftijd. Het hof heeft het onderzoek heropend om partijen gelegenheid te geven hierover een standpunt in te nemen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van het openbaar ministerie</emphasis>
      </para>
      <para>Hier is sprake van een lacune in de wet. Uit contacten met de afdeling wetgeving van het ministerie van Justitie en Veiligheid is gebleken dat het geen bewuste keuze van de wetgever is geweest om in deze gevallen niet artikel 6:6:11, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van overeenkomstige toepassing te verklaren. Deze laatste wetsbepaling regelt dat een maatregel van kracht blijft totdat onherroepelijk is beslist over de vordering tot verlenging daarvan. Deze lacune in de wet is ongewenst omdat het daardoor niet goed mogelijk is een verlenging van de proeftijd te bewerkstelligen. Vorderingen tot verlenging dienen in dat geval, in verband met de behandeling door de rechtbank en een eventueel volgend hoger beroep bij het hof, lang voor het einde van de proeftijd te worden ingediend, waarbij de tijdige afdoening afhankelijk is van factoren waarop het openbaar ministerie en de rechter onvoldoende vat hebben. Voor dit hiaat in de wet heeft het openbaar ministerie al meermaals aandacht gevraagd bij de afdeling wetgeving, maar dit heeft tot op heden niet geleid tot (een voornemen tot) aanpassing van de wet. Het niet kunnen verlengen van de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel zou in dit geval ook tot zeer ongewenste maatschappelijke consequenties leiden, namelijk een groot gevaar voor herhaling van ernstige zedendelicten ten aanzien van minderjarige slachtoffers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>Volgens vaste rechtspraak is het niet mogelijk een proeftijd bij een voorwaardelijke straf te verlengen na afloop van die proeftijd. Datzelfde geldt voor de verlenging van de proeftijd die is verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. In dit geval is verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel dus niet meer mogelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van het hof</emphasis>
      </para>
      <para>Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel gelden voorwaarden die de vrijheid van de jeugdige in aanzienlijke mate kunnen beperken. Een overtreding van deze voorwaarden kan daarnaast de basis zijn voor vrijheidsbeneming van de jeugdige door terugplaatsing van de jeugdige in een inrichting (artikel 6:6:32, derde lid, onder c, Sv). Door de verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke beëindiging duren deze inbreuken op de vrijheden van de jeugdige voort. Dit vereist een afdoende wettelijke grondslag voor die verlenging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 77ta, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vloeit voort dat de maatregel een jaar nadat deze voorwaardelijk is geëindigd, van rechtswege onvoorwaardelijk eindigt. Dit artikel bepaalt dat verlenging van de voorwaardelijke beëindiging mogelijk is. Het regelt echter niet dat de voorwaardelijke beëindiging voortduurt in de periode dat een vordering tot verlenging aanhangig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft reeds in zijn tussenbeslissing overwogen dat artikel 6:6:32, eerste lid, Sv niet artikel 6:6:11 Sv van overeenkomstige toepassing verklaart. Ook overigens is deze bepaling, die ziet op de procedure tot verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling, niet van toepassing. Omdat de maatregel voorwaardelijk is geëindigd, loopt de termijn van de maatregel immers niet (artikel 6:2:22, tweede lid, onder c, Sv; zie ook Hoge Raad 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2297). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook anderszins acht het hof artikel 6:6:11 Sv niet van overeenkomstige toepassing op de verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel. De wetsgeschiedenis noch de systematiek van de wet geeft hiervoor aanknopingspunten. Verlenging van die termijn wordt hierdoor weliswaar moeilijk, maar niet onmogelijk. Dat van overeenkomstige toepassing verklaren een wens is geweest van de wetgever die door een vergissing niet in de wettekst is opgenomen, wordt weersproken door het gegeven dat de wetgever sinds de inwerkingtreding van de regeling van voorwaardelijke beëindiging per 1 juli 2011 geen stappen heeft gezet om deze vermeende omissie te herstellen. Herstel daarvan valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter. Hier is de wetgever aan zet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop dient doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de tekst van artikel 77ta, tweede lid, Sr, inhoudende dat de maatregel op de gegeven datum onvoorwaardelijk eindigt. Nadat een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen onvoorwaardelijk is geëindigd, ontbreekt voor de rechter een grondslag voor verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging. Dat dit ongewenste maatschappelijke consequenties kan hebben, is mede gelet op het stilzitten van de wetgever onvoldoende om een ruimere uitleg te geven aan de wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing van de rechtbank is gegeven nadat de maatregel onvoorwaardelijk was geëindigd. Het hof zal daarom de beslissing waarvan beroep vernietigen en de vordering tot verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel alsnog afwijzen. Daarmee is de vordering tot wijziging van de voorwaarden niet meer aan de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vernietigt</emphasis> de beslissing waarvan beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wijst af</emphasis> de vordering tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van de jeugdige,<emphasis role="bold">[jeugdige]</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M.E. van Wees, voorzitter,</para>
      <para>mr. G. Mintjes en mr. E.A.K.G. Ruys, raadsheren, </para>
      <para>dr. R.A. Graaff en dr. J. Lucieer, raden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,</para>
      <para>en op 30 juli 2020 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. Van Wees en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>