<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:4753</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-29T10:02:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-06-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.277.767/02</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:4753">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:4753</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-29T10:02:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:4753 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-06-2020 / 200.277.767/02</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:4753:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Schorsingsverzoek (en voorlopige voorzieningen). Voor schorsing geen plaats. Beschikking waarin het provisioneel bewind wordt ingesteld van aanvang af kracht van gewijsde; uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet nodig. 1:434 BW, 1:380 lid 1 BW, 360 lid 2 Rv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:4753:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers gerechtshof 200.277.764/02, 200.277.764/03, 200.277.767/02 en 200.277.767/03 </para>
      <para>(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 8355513 en 8417721)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 23 juni 2020 op de verzoeken tot schorsing en op de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker1]
        </emphasis>, wonende te [A] , verzoeker, verder te noemen: [verzoeker1] ,</para>
      <para>en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker2] , </emphasis>wonende te [B] , verzoeker, verder te noemen: [verzoeker2] , gezamenlijk te noemen: broers [verzoekers] ,advocaat: mr. H.E. Brokers-van Dijk te Vleuten, gemeente Utrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster]
        </emphasis>, wonende te [C] , verweerster,</para>
      <para>verder te noemen: [verweerster] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [D] en [E] , </emphasis>beiden wonende te [F] , </para>
      <para>verder te noemen: de vader respectievelijk de moeder en gezamenlijk te noemen: de ouders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de bewindvoerder] B.V. </emphasis>gevestigd te [G] ,</para>
      <para>verder te noemen: de provisionele bewindvoerder,</para>
      <para>advocaat: mr. T.E. van der Bent.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 april 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Bij deze beschikkingen heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, beslist dat met ingang van 1 april 2020 [de bewindvoerder] B.V. tot provisionele bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de vader en de moeder wordt benoemd en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.	Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot de verzoeken tot schorsing en op de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de beroepschriften tevens verzoeken tot schorsing en tot het treffen van een provisionele </para>
      <para>  voorziening met producties, ingekomen op 1 mei 2020;</para>
      <para>- een brief van mr. Brokers-van Dijk van 4 mei 2020;een brief van mr. Brokers-van Dijk van</para>
      <para>6 mei 2020 met bijlagen, en het verweerschrift van mr. Van der Bent van 4 juni 2020 met </para>
      <para>  producties.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn: [verzoeker1] en [verzoeker2] , bijgestaan door hun advocaat. Voorts is verschenen [verweerster] vergezeld van haar echtgenoot [H] .</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Aan de orde zijn de verzoeken van [verzoeker1] en [verzoeker2] schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikkingen, voor zover het de onder 1 genoemde beslissingen betreft, en de verzoeken om ex artikel 223 Rv bij wege van provisionele voorziening de broer [verzoeker1] tot tijdelijk bewindvoerder en de broer [verzoeker2] tot tijdelijk mentor te benomen over de ouders.</para>
        <para>
          [verweerster] voert hiertegen gemotiveerd verweer. De bewindvoerder refereert zich aan het oordeel van het hof.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, Rv kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. Voor een dergelijke schorsing is geen plaats in een geval als het onderhavige. Artikel 1:380 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vermeldt immers, onder andere, dat de beschikking waarin Zeker tot professioneel bewindvoerder is benoemd het tijdstip vermeldt waarop de provisionele bewindvoering in werking treedt, in dit geval 1 april 2020. Dit betekent dat voor de aanvang van het provisioneel bewind - kennelijk ter bescherming van de onder bewind gestelde - de beschikking waarin het provisioneel bewind wordt ingesteld, van aanvang af kracht van gewijsde heeft en dat  een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking niet nodig is (zie ook Tekst &amp; Commentaar Burgerlijk Wetboek, artikel 1:434 BW, aantekening 2). Schorsing van een beschikking op de voet van artikel 360 lid 2 Rv is slechts mogelijk als het gaat om een door de rechter in een beschikking uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Daarvan is het onderhavige geval geen sprake nu de kantonrechter de beschikking weliswaar uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, maar dit gelet op het bepaalde in artikel 1: 380 lid 1 BW niet nodig was.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorlopige voorziening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Bij beschikking  van 5 december 2014 (ECLI:NL:<emphasis role="underline">HR:2014:3533</emphasis>) heeft de Hoge Raad overwogen dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv in verzoekschriftprocedures. De Hoge Raad heeft dan ook geoordeeld dat ook in andere gevallen in een verzoekschriftprocedure een incidenteel verzoek kan worden gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding overeenkomstig artikel 223 Rv.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Het hof stelt voorop dat het karakter van een voorlopige (provisionele) voorziening een tijdelijke beslissing is die geldt voor de duur van de procedure. Het algemene vereiste dat de partij die de voorziening vraagt belang moet hebben bij een dergelijk verzoek, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van een voorziening op de voet van artikel 223 Rv, leidt tot het vereiste dat de verzoeker in die zin belang bij het verzoek moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Het hof heeft ter mondelinge behandeling vastgesteld dat er tussen de beide broers enerzijds en de zus anderzijds een ernstige mate van wantrouwen bestaat. Het hof komt het daarom in beginsel redelijk voor dat gelet op de conflictueuze situatie tussen de broers en de zus een onafhankelijke derde, niet zijnde een familielid, als professionele bewindvoerder aangesteld wordt. Niet gebleken is dat [de bewindvoerder] haar taak als provisionele bewindvoerder niet goed vervult. In afwachting van de aanstaande behandeling van het verzoek tot ondercuratelestelling is er dan ook geen reden een andere provisionele bewindvoerder te benoemen. Het hof zal de verzoeken om de broer [verzoeker1] tot tijdelijk bewindvoerder en de broer [verzoeker2] tot tijdelijk mentor te benoemen over de ouders daarom afwijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de verzoeken van [verzoeker1] en [verzoeker2] tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad en tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes. J.B. de Groot en Z.J. Oosting, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 23 juni 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>