<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:4541</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-22T10:44:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-06-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.268.834</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroepKortGeding">Hoger beroep kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:4541">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:4541</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-22T10:43:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:4541 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-06-2020 / 200.268.834</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:4541:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 3:300 lid 2 BW; artikel 3;301 lid 2 BW. Heeft de voorzieningenrechter artikel 3:300 lid 2 BW toegepast? Op moment instellen rechtsmiddel kon uitspraak nog in de openbare registers worden ingeschreven. In hoger beroep was de koop als titel voor de overdracht nog in geding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:4541:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.268.834 </para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Gelderland 352996) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest in kort geding van 16 juni 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagde,</para>
      <para>hierna: de man,</para>
      <para>advocaat: mr. A. Hofman, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>in eerste aanleg: eiseres,</para>
      <para>hierna: de vrouw,</para>
      <para>advocaat: mr. W. Vahl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 24 maart 2020  hier over.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Het verdere verloop blijkt uit: </para>
      <para>- akte uitlating tevens voorwaardelijke vermindering van eis van de man;</para>
      <para>- akte uitlating van de vrouw.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Partijen waren tot 31 december 2019  samen eigenaar van de woning aan de [a-straat] 59 in [A]  (hierna: de woning). De voorzieningenrechter heeft op vordering van de vrouw voorlopige voorzieningen gegeven in zijn vonnis van 12 juni 2019 . Hij heeft de man veroordeeld mee te werken aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. De beslissing luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“5.1. veroordeelt de man om met betrekking tot de woning binnen vijf dagen na</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">betekening van dit vonnis de overeenkomst van opdracht tot dienstverlening</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(verkoopbemiddeling) met een nader te benoemen makelaar te ondertekenen,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">waarin onder meer staat opgenomen dat de vraag- en laatprijs door de makelaar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">worden bepaald en dat partijen akkoord moeten gaan met een bod dat gelijk is aan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">of hoger dan de door de makelaar bepaalde laatprijs,</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de onder 5.1 bedoelde medewerking van de man, indien hij daarmee in gebreke blijft binnen de genoemde termijn,</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">veroordeelt de man om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de makelaar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">en potentiële kopers in de woning toe te laten om deze te bezichtigen, en mee te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">werken aan het maken van een afspraak voor bezichtigingen en andere</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verkoopactiviteiten, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat de man</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">veroordeelt de man om, wanneer er een bod is gedaan boven de door de makelaar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bepaalde laatprijs, binnen zeven dagen na kennisgeving van dat bod medewerking te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verlenen aan het tot stand komen van een koopovereenkomst, waarbij de woning</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan voornoemde derde voor dat bod wordt verkocht;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">veroordeelt de man om op de in de koopovereenkomst overeengekomen leverdatum van de woning medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte waarbij de woning aan de koper(s) wordt geleverd,</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de onder (…) 5.5 bedoelde door de man te verlenen medewerking, indien hij daarmee in gebreke blijft,”	</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De man heeft op 2 juli 2019  hoger beroep ingesteld van dit vonnis. Hij heeft dat hoger beroep niet binnen acht dagen na het instellen daarvan ingeschreven in het rechtsmiddelenregister van de rechtbank Gelderland. Hij heeft dat ook daarna niet gedaan. Op 31 december 2019 hebben partijen de woning toegedeeld en geleverd aan de man. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het hof vindt dat de voorzieningenrechter toepassing heeft gegeven aan artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vrouw heeft gevorderd dat de man wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte waarbij de woning ter uitvoering van de koopovereenkomst zal worden geleverd en, als de man niet meewerkt, te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de bedoelde medewerking. De voorzieningenrechter heeft die vordering onverkort toegewezen. In de tekst van de dagvaarding van de vrouw en van het vonnis is niet met zoveel woorden opgenomen dat het vonnis in de plaats treedt van de akte of een deel daarvan, zoals artikel 3:300 lid 2 BW het formuleert. Noch de vrouw noch de man heeft zich in de procedure in eerste aanleg nader uitgelaten over deze vordering of deze toegelicht. Het is gelet op de tekst van de vordering en de beslissing moeilijk daarin iets anders te lezen dan dat het vonnis in de plaats komt van dat deel van de akte van levering waarin anders de medewerking van de man zou zijn opgenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Nu is het zo dat de eis van inschrijving in het rechtsmiddelenregister slechts geldt voor gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering is getreden of nog kan treden. Een vernietiging van de uitspraak kan immers alleen in die gevallen ertoe leiden dat de inschrijving van de uitspraak in de openbare registers achteraf bezien niet tot eigendomsoverdracht heeft geleid. Artikel 3:301 lid 2 BW is dus niet van toepassing indien op het moment waarop het rechtsmiddel wordt aangewend, vaststaat dat de uitspraak niet ter vervanging van de akte van levering of een deel daarvan, in de openbare registers is ingeschreven of nog kan worden ingeschreven.<footnote-ref linkend="_b015932c-3f34-4924-ba93-44258567ccce" /> Op 2 juli 2019, het moment dat de man zijn hoger beroep instelde, kon het vonnis van de voorzieningenrechter nog daadwerkelijk in de plaats treden van de akte van levering of een deel daarvan. Die mogelijkheid heeft nog bestaan tot 31 december 2019. Pas op dat moment verdween die mogelijkheid door de toedeling en levering van de woning aan de man. Dat betekent dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De niet tijdige inschrijving van het rechtsmiddel in de registers leidt slechts tot niet-ontvankelijkheid voor zover wordt opgekomen tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen.<footnote-ref linkend="_de3ca036-78b4-4064-b524-1fe886d9e697" /> In dit geval zijn alle oordelen en beslissingen van de voorzieningenrechter, inclusief de beslissing omtrent de dwangsommen, onlosmakelijk verbonden met de medewerking aan de levering van de woning. Ook de koop is onderdeel daarvan, omdat de koop de titel is van de overdracht die door de levering wordt bewerkstelligd. Anders dan in HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531 waarop de man zich beroept is hier het bestaan of ontstaan van de koopovereenkomst aan de orde. Dat was in de genoemde uitspraak van de Hoge Raad niet (meer) het geval. Daar ging het slechts om de financiële belangen bij de koopovereenkomst en was de koop als titel voor de overdracht niet in gevaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>De slotsom is dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Die niet-ontvankelijkheid heeft betrekking op alle beslissingen van de voorzieningenrechter onder 5.1 tot 5.6. Het hof zal de man veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Voor compensatie is geen aanleiding. Partijen vragen ook over en weer veroordeling van de ander in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 12 juni 2019;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 324,- voor verschotten en op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 punt x tarief II);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, A. Smeeing- van Hees en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>16 juni 2020.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b015932c-3f34-4924-ba93-44258567ccce" label="1">
    <para> HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de3ca036-78b4-4064-b524-1fe886d9e697" label="2">
    <para> HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>