<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:2568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T09:18:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.254.903/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>VR 2021/42</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:2568">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:2568</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-14T11:24:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:2568 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-03-2020 / Wahv 200.254.903/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:2568:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Van een in- of uitrit is sprake als de constructie duidelijk als een in- of uitrit is te herkennen. Weggebruikers moeten in één oogopslag kunnen beoordelen of een uitmonding een in- of uitrit is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:2568:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.254.903/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 216331353 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 26 maart 2020</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 7 januari 2019, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [A] .</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. </para>
      <para>De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling</title>
    <para>1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren voor een in- en of uitrit”. Deze gedraging zou zijn verricht op <?linebreak?>17 april 2018 om 17.16 uur op de Visserstraat 106 in Huizen met het voertuig met het kenteken <?linebreak?>[00-YY-YY] .</para>
    <para />
    <para>2. De betrokkene erkent wel naast een talud te hebben geparkeerd, maar voert aan dat er geen sprake is van een in- of uitrit. De huidige bewoners hebben geen oprit, maar een tuin met een haag waar je niet op kunt rijden. Toevallig ligt het talud er nog. Bij de gemeente is ook niets in de archieven te vinden waaruit blijkt dat het hier om een eigen oprit gaat. Daarnaast vindt de betrokkene het merkwaardig dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, terwijl ze die twijfel duidelijk heeft aangeleverd. Ter onderbouwing van haar verweer heeft de betrokkene foto’s van de situatie ter plaatse toegestuurd.</para>
    <para />
    <para>3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: </para>
    <para>“Ik zag dat het voornoemde voertuig Ford blauw met kentekennummer [00-YY-YY] stond geparkeerd voor een in-uitrit. Ik zag dat het voornoemd voertuig de in/uitrit blokkeerde van de bewoner.”</para>
    <para />
    <para />
    <para>4. Op de foto’s die de betrokkene heeft toegestuurd is rechts een hoekhuis te zien, met aan de linkerzijde van de woning een tuin. De tuin is door middel van een heg afgescheiden van een pad dat langs de zijkant van het huis loopt. Naast het pad aan de zijkant van het huis is een bloemenperk te zien. De heg naast het huis loopt schuin tot voor het huis. Voor het huis ligt een trottoir langs de doorgaande weg. De stoeprand is onderbroken door inritblokken. Het talud is ongeveer ter breedte van het pad dat links langs het huis loopt en de tuin naast het huis.  </para>
    <para />
    <para>5. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Op grond van dit artikel mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren voor een inrit of een uitrit.</para>
    <para />
    <para>6. De begrippen inrit en uitrit zijn in de regelgeving niet gedefinieerd, omdat de veelheid van feitelijke situaties zich lastig in een definitie laat vangen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit, is daarom van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij een uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als in- of uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol. </para>
    <para />
    <para>7. Verder is van belang dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het RVV 1990 (Staatsblad 1990, 459 en 497) volgt dat ook wanneer de bestemming niet onmiddellijk duidelijk is, er sprake kan zijn van een in- of uitrit. Wanneer een constructie zich als in- of uitrit voordoet, kan deze als zodanig worden aangemerkt. Bij de beoordeling neemt het hof daarnaast in aanmerking dat de begrippen inrit en uitrit ook gebruikt worden in de voorrangsregeling in geval van bijzondere manoeuvres, die wordt geregeld in artikel 54 van het RVV 1990. Weggebruikers moeten daarom in één oogopslag kunnen beoordelen of een uitmonding een in- of uitrit is.</para>
    <para />
    <para>8. Naar het oordeel van het hof is de onder 5. omschreven situatie ter plaatse een uitmonding die als een in- en uitrit kan worden aangemerkt. In dit geval is er sprake van een pad, dat uitmondt op een doorgaande weg. Het trottoir langs de doorgaande weg loopt door over de aansluiting en er is gebruik gemaakt van inritblokken. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat is voldaan aan het constructiecriterium, een verkeersdeelnemer kan de uitmonding duidelijk als een in- en uitrit herkennen. Aan de betrokkene kan worden toegegeven dat de bestemming niet direct duidelijk is. De ambtenaar heeft daar ook geen informatie over verstrekt. Onder verwijzing naar de hiervoor omschreven totstandkomingsgeschiedenis van het RVV 1990, is dit echter geen omstandigheid die meebrengt dan geen sprake is van in- en uitrit. </para>
    <para />
    <para>9. Gelet op het voorgaande stelt het hof dan ook vast dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft juist beslist. Daarom zal die beslissing worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt de beslissing van de kantonrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>