<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:222</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-15T12:45:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.258.785/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:222">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:222</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-15T12:45:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:222 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 09-01-2020 / 200.258.785/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:222:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onder curatele gestelde trekt zelf zijn hoger beroep in. Zijn advocaat bevestigt deze intrekking niet, zodat de zaak inhoudelijk wordt behandeld. De opgeworpen grieven over deskundigheid/persoon van de curator worden onvoldoende onderbouwd of toegelicht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:222:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.258.785/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7117087 VO VERZ 18-1555)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 9 januari 2020			</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep, </para>
      <para>verder te noemen: [verzoeker] ,</para>
      <para>advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [B] , <?linebreak?>verweerder in hoger beroep, </para>
      <para>verder te noemen: [verweerder] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 januari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 21 april 2019;</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 6 juni 2019 met productie(s);</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 11 juni 2019 met productie(s);</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 13 juni 2019 met productie(s);</para>
      <para>- een brief van [verweerder] van 2 juli 2019.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het hof heeft [C] (geboren op 10 augustus1980), dochter van [verzoeker] , aangemerkt als belanghebbende en in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Zij heeft het hof verzocht haar niet in de procedure te betrekken. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het hof ambtshalve, gehoord mr. Nijenhuis, besloten haar niet langer als belanghebbende in deze procedure aan te merken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2019 plaatsgevonden. Aanwezig waren mr. Nijenhuis en namens [verweerder] , de heer [D] . </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [verzoeker] is geboren [in] 1954.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Bij beschikking van 11 november 1999 is er een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] . Het bewind is ingesteld vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft de kantonrechter op 18 september 2017 verzocht het bewind te beëindigen. Nadien heeft [verzoeker] zijn verzoek gewijzigd en de kantonrechter verzocht [verweerder] (toen de bewindvoerder) te ontslaan. Dat verzoek is door de kantonrechter afgewezen bij beschikking van 19 februari 2018. Deze beschikking is bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 22 november 2018.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verweerder] (toen de bewindvoerder) heeft de kantonrechter op 24 juli 2018 verzocht </para>
        <para>
          [verzoeker] onder curatele te stellen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking is [verzoeker] vanwege zijn geestelijke toestand onder curatele gesteld. [verweerder] is daarbij tot curator benoemd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoeker] is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van </para>
        <para>22 januari 2019. Grief 1 ziet op de noodzaak van de ondercuratelestelling. Grief 2 ziet op de benoeming van [verweerder] tot curator. [verzoeker] verzoekt het hof om de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en het verzoek van [verweerder] (toen bewindvoerder) alsnog af te wijzen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verweerder] heeft het hof bij brief van 2 juli 2019 bericht geen noodzaak te zien inhoudelijk te reageren, omdat zij van [verzoeker] en zijn begeleiding heeft begrepen dat </para>
        <para>
          [verzoeker] het beroepschrift heeft ingetrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De processuele gang van zaken.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>Op 18 juli 2019 heeft [verzoeker] (zelf) een brief gestuurd aan het hof waarin hij schrijft dat hij het hoger beroep wil intrekken. Het hof heeft deze brief doorgestuurd naar </para>
        <para>mr. Nijenhuis. Het hof heeft mr. Nijenhuis verzocht te reageren op voornoemde brief van [verweerder] en het hof uiterlijk 8 augustus 2019 te berichten of [verzoeker] zijn beroep al dan niet wenst te handhaven. Mr. Nijenhuis heeft het hof daags voor de zitting telefonisch bericht dat het beroep niet wordt ingetrokken. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij sinds voornoemde brief van [verzoeker] geen contact met [verzoeker] kon krijgen. Eerst de avond voor de zitting heeft hij contact met [verzoeker] gehad en [verzoeker] heeft hem toen laten weten dat hij de curatele prima vindt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Door [verweerder] is ter zitting verweer gevoerd en [verweerder] heeft het hof verzocht het verzoek van [verzoeker] in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inhoudelijk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Ter zitting heeft mr. Nijenhuis grief 1 ingetrokken omdat [verzoeker] het eens is met de ondercuratelestelling. Grief 1 is daarmee komen te vervallen. Het hof zal zich tot bespreking van grief 2 beperken. In geschil is (nog) de vraag naar de geschiktheid van [verweerder] om de taak en verplichtingen van een (professioneel) curator uit te voeren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Mr. Nijenhuis trekt namens [verzoeker] in twijfel of [verweerder] tot (professionele) curator kan worden benoemd. Daarvoor worden twee gronden aangevoerd. In de eerste plaats zou [verweerder] niet in het daarvoor bestemde register van curatoren zijn opgenomen en doet dat vermoeden dat [verweerder] niet beschikt over de juiste kwalificaties om beschermingscurator te zijn. In de tweede plaats lijkt [verweerder] de curatele niet uit te voeren. [verweerder] voert nog steeds het bewind naar eigen idee en vervult niet zelf de mentortaken maar heeft die uitbesteed aan [E] B.V.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat in het algemeen geldt dat als een kantonrechter een rechtspersoon tot curator benoemd, erop mag worden vertrouwd dat deze rechtspersoon aan de wettelijke kwaliteitseisen om voor benoeming tot (professioneel) curator in aanmerking te komen, voldoet. Van de zijde van [verzoeker] zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die reden geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Hoewel er dus voor het hof geen reden was om te twijfelen aan de benoembaarheid van [verweerder] tot (professioneel) curator, heeft het hof in het belang van [verzoeker] - om elke twijfel bij hem weg te nemen - op dit punt telefonisch navraag gedaan. Daaruit is naar voren gekomen dat [verweerder] in het door het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM gehouden register is opgenomen en voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen om als (professioneel) curator te kunnen worden benoemd. Daarmee is de eerste grond die door [verzoeker] aan grief 2 ten grondslag werd gelegd komen te vervallen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>De tweede grond voor grief 2 ziet op de wijze waarop [verweerder] zijn taak als curator (niet) uitvoert. [verweerder] heeft ter zitting aangeven dat zij niet bekend zijn met een probleem dienaangaande. [verweerder] voldoet al meer dan tien jaar aan de bij wet gestelde kwaliteitseisen en [verzoeker] is (heel) tevreden over de wijze waarop [verweerder] haar taken en verplichtingen uitvoert. Het hof vindt dat mr. Nijenhuis namens [verzoeker] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht in deze. Hij heeft zijn stelling niet, althans onvoldoende onderbouwd of toegelicht. In dit kader is het hof niet gebleken dat de curatele zou worden uitgevoerd door een niet door de kantonrechter benoemde persoon, terwijl ook niet gebleken is van een uitdrukkelijke voorkeur van [verzoeker] voor benoeming van een ander dan [verweerder] tot curator. Het hof gaat daarom voorbij aan de tweede grond voor grief 2.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt het verzoek van [verzoeker] in hoger beroep niet. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, beschikkende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, C. Koopman en J.G. Knot bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 9 januari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>