<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:1714</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-03T15:40:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21-000643-16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:1714">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:1714</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-03T15:39:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:1714 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-02-2020 / 21-000643-16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:1714:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming, artikel 36e Sr. Berekening middels eenvoudige kasopstelling. Artikel 36e Sr oud (geldig tot 1 juli 2011) mede van toepassing. Geen strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) ingesteld. Ontnemingsvordering afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:1714:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer:	21-000643-16 </para>
    <para>Uitspraak d.d.:	26 februari 2020</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">ONTNEMINGSZAAK</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,</para>
    <para>gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord‑Nederland van 21 januari 2016 met parketnummer 17-924078-12 in de strafzaak tegen</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot afwijzing van de ontnemingsvordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. </para>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman, mr. P. Bonthuis, naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Noord-Nederland heeft de betrokkene bij vonnis van 21 januari 2016 veroordeeld voor witwassen en heeft bij beslissing van dezelfde datum het daarmee door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 35.617,13. Tevens werd betrokkene de verplichting opgelegd om dat bedrag aan de Staat te betalen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat deze behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De beoordeling van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 35.617,13 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt – met de advocaat-generaal – vast dat de grondslag van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft plaatsgevonden volgens de methode van de uitgebreide kasopstelling, zoals die is opgenomen in het proces-verbaal “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel uitgebreide kasopstelling ex art. 36e 3e lid Sr” van 5 juni 2014. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in de strafzaak ten laste gelegde feiten zien op de periode 1 januari 2010 tot en met 29 mei 2012. Uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld mede is begaan vóór 1 juli 2011, artikel 36e, derde lid, Sr in zijn huidige vorm buiten toepassing dient te blijven.<footnote-ref linkend="_dcfbd73c-7619-4f90-9c5d-c6f0ef791178" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderzoek naar en de berekening van het door betrokkene mogelijk behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel is geen strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) ingesteld. Tot 1 juli 2011 was voor toepassing van artikel 36e, derde lid, Sr het instellen van een dergelijk SFO wel vereist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de ten laste gelegde pleegperiode in de strafzaak mede de periode vóór 1 juli 2011 betreft, daardoor gelet op het voorgaande het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek was vereist en dat in dit geval is uitgebleven, moet de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door</para>
      <para>mr. G.A. Versteeg, voorzitter,</para>
      <para>mr. A.J. Rietveld en mr. L.J. Bosch, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,</para>
      <para>en op 26 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_dcfbd73c-7619-4f90-9c5d-c6f0ef791178" label="1">
    <para> Hoge Raad 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1888. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>