<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2020:1103</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-15T14:07:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.254.309/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:1103">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:1103</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-13T09:09:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2020:1103 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-02-2020 / 200.254.309/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2020:1103:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Procedure over declaraties advocaat.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2020:1103:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.254.309/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland NL17.11162)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 11 februari 2020 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellant1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellant1]</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [appellant2] B.V.</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellant2]</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">3. [appellante3]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [B] ,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellante3]</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">4. CMR Management Ltd.</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Gibraltar,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">CMR</emphasis>,</para>
      <para>appellanten,</para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagden,</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: <emphasis role="bold">[appellanten] c.s.</emphasis>, </para>
      <para>advocaat: mr. E. Doornbos, kantoorhoudend te Badhoevedorp,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Certa Legal Advocaten B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>in eerste aanleg: eiseres,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">Certa Legal</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. J.G.A. Struycken, kantoorhoudend te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 10 augustus 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad in deze zaak uitspraak gedaan. Het verloop van de procedure in dit hoger beroep blijkt uit de appeldagvaarding en de memories van grieven en antwoord. Partijen hebben de stukken aan het hof gestuurd, waarna is beslist dat arrest wordt gewezen.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.	Waar gaat de procedure over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Dit geschil gaat over declaraties voor juridische en fiscale diensten die Certa Legal</para>
        <para>tussen 2014 en het voorjaar van 2016 zegt te hebben verricht in opdracht van [appellant1] en</para>
        <para>haar persoonlijke vennootschap, [appellant2] . Deze diensten zijn vooral verricht door mr. Struycken en mr. Butselaar. [C] is degene die bij dit alles telkens voor [appellant1] en [appellant2] is opgetreden. De declaraties zijn op haar verzoek naar CMR gestuurd, waarvan zij directeur is. Die vennootschap heeft zich garant gesteld voor betaling van werkzaamheden die voor [appellant1] of [appellant2] voor 1 januari 2015 zijn verricht en gedeclareerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen voor zover deze waren gericht [appellant1] (€ 29.431.76) en [appellant2] (€ 17.461,30) als opdrachtgevers en CMR als garant (€ 42.834,04). De tegen [C] gerichte vordering is afgewezen en staat niet meer ter discussie. In hoger beroep gaat het erom (i) of [appellant1] en [appellant2] opdracht hebben gegeven, (ii) of de declaraties juist zijn, (iii) of ze al zijn betaald en - zo niet - (iv) of betaling kan worden opgeschort.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Omdat daar een beroep op wordt gedaan, is voor de beoordeling van de grieven van belang dat Butselaar op 23 januari 2018 het volgende aan [C] heeft geschreven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Reeds lange tijd heb jij mij te kennen gegeven dat jij de wijze van declareren van Certa ondoorzichtig vond (onder meer vanwege het ontbreken van specificaties) (…) Eind 2015 waren de totale kosten in beide zaken opgelopen tot ruim 30.000 EUR voor [appellant2] BV en ruim 90.000 EUR voor het overige. Probleem daarbij was dat jij niet tevreden was over de werkzaamheden van Joris Struycken, althans hij had volgens jou veel te veel uren geschreven in verhouding tot zijn werk. Kortom er ontstond een discussie over de nota's. (…) Bovendien begrijp ik nu dat de volledige vordering mijn kant op geschoven is zodat Certa dat ook nog op een andere manier kan oplossen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Wat is het oordeel van het hof?</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [appellant1] en [appellant2] hebben opdracht gegeven tot de verrichte werkzaamheden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Volgens [appellanten] c.s. is het nodig dat voor het geven van een opdracht door [appellant1] of [appellant2] rechtstreeks contact tussen partijen heeft bestaan, of dat een afdoende machtiging van de tussenpersoon wordt afgegeven. Dat is volgens hen simpelweg niet gebeurd: van hun kant is er nooit enige actie geweest die erop zou kunnen duiden dat zij optraden als opdrachtgevers. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het hof begrijpt dit verwijt als een beroep op onbevoegde vertegenwoordiging van [appellant1] en [appellant2] door [C] . Dat verweer kan geen doel treffen, omdat de rechtbank terecht, op goede gronden en zeer uitgebreid heeft uiteen gezet dat en waarom Certa Legal redelijkerwijs niet anders heeft kunnen en moeten begrijpen dan dat [appellant1] en [appellant2] haar opdrachtgevers waren (rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.6). In hoger beroep is niets aangevoerd dat daar afbreuk aan kan doen. [appellanten] c.s. merken nog wel op dat de rechtbank heeft overwogen dat tijdens de mondelinge behandeling niet is betwist dat [appellant1] een exemplaar van de overeenkomst heeft ontvangen, terwijl zij niet eens op de zitting aanwezig was. Daarbij gaat zij er echter aan voorbij dat de betwisting ook door haar advocaat had kunnen worden gedaan. De opmerking is bovendien zonder betekenis als dit niet alsnog wordt betwist, en dat kan het hof in de grieven niet lezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De hoogte van de declaraties staat vast</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Wat hiervoor is overwogen, geldt in gelijke mate voor het verweer tegen de hoogte van de vorderingen: ook dat heeft de rechtbank uitvoerig besproken en terecht verworpen (rechtsoverwegingen 4.14 tot en met 4.16), en ook hieromtrent ontbreekt in hoger beroep elke nadere onderbouwing.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De declaraties zijn nog niet betaald</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        [appellanten] c.s. voeren aan dat de totale som van de openstaande vorderingen door Butselaar is betaald. Die conclusie kan echter niet worden getrokken uit het beweerde (en bestreden) feit dat deze kosten op enigerlei wijze in de rekening-courantverhouding tussen Certa Legal en Butselaar zijn verwerkt (zie in gelijke zin de rechtbank onder 4.2). Elke nadere onderbouwing van het verweer dat de facturen zijn betaald, ontbreekt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [appellanten] c.s. kunnen betaling van de facturen niet opschorten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>
        [appellanten] c.s. doen een beroep op opschorting, omdat Certa Legal geen inzicht heeft gegeven in de door haar bestede tijd (de facturen niet heeft gespecificeerd). De rechtbank had om die reden aan de hoogte van de facturen moeten twijfelen. Het hof herhaalt opnieuw dat in hoger beroep geen deugdelijke nadere onderbouwing van het verweer is gegeven, en dat de overwegingen van de rechtbank waarin dat verweer is verworpen (in dit geval: 4.10 tot en met 4.13) even uitvoerig als juist zijn.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er is geen ruimte voor bewijsvoering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Het bewijsaanbod beperkt zich tot het horen van Butselaar om opheldering te krijgen over wat 'nu exact geschied is' ten aanzien van de rekening-courantverhouding tussen Butselaar en Certa Legal. Daar bestaat geen aanleiding voor, omdat een afdoende onderbouwing van het desbetreffende verweer ontbreekt (zie hiervoor onder 3.4).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Omdat [appellanten] c.s. in hoger beroep in het ongelijk worden gesteld, moeten zij ook in die procedure met de proceskosten van Certa Legal worden belast. De beslissing is ten aanzien van deze kosten afdwingbaar, ook als daar cassatie tegen wordt ingesteld (de kostenveroordeling in dit arrest is 'uitvoerbaar bij voorraad'). Omdat [appellanten] c.s. op het laatste moment hebben afgezien van het door hen aangevraagde pleidooi (dat door Certa legal al wel was voorbereid), zal daarvoor een punt worden gerekend. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof bekrachtigt van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad van 10 augustus 2018 en veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep. Tot aan deze uitspraak worden die kosten aan de kant van Certa Legal vastgesteld op € 1.978,- aan verschotten en op € 3.918,- aan salaris. Deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na de datum van dit arrest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de proceskostenveroordeling is deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat meer of anders is gevorderd, wijst het hof af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, M. Willemse en A.G.J. van Wassenaer Catwijck en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>