<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2019:898</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-11T10:26:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WAHV 200.200.848</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:898">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:898</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-11T10:26:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2019:898 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-01-2019 / WAHV 200.200.848</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2019:898:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De gemachtigde stelt dat niet slechts de verkeersveiligheid ten grondslag ligt aan het opleggen van een sanctie en dat de overheid het boetestelsel gebruikt om de begroting sluitend te krijgen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wahv leidt het hof af dat bij de bepaling van de hoogte van het sanctiebedrag de ernst van het feit een factor is die van belang is maar dat niet kan worden geoordeeld dat andere factoren daarbij geen rol kunnen spelen. De beroepsgrond treft geen doel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2019:898:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">WAHV 200.200.848</emphasis>
    </para>
    <para>31 januari 2019</para>
    <parablock>
      <para>CJIB 194278277</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">zittingsplaats Leeuwarden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <para>op het hoger beroep tegen de beslissing</para>
    <para>van de kantonrechter van de rechtbank Limburg</para>
    <para>van 1 september 2016</para>
    <para>betreffende</para>
    <para>
      [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , </para>
      <para>kantoorhoudende te [C] .</para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Het tussenarrest</bridgehead>
    <para>De inhoud van het tussenarrest van 28 augustus 2018 wordt hier overgenomen. </para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Het verdere procesverloop</title>
    <para>De griffier van de rechtbank heeft het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter aan de griffier van het hof toegestuurd. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling</title>
    <para>1. Nu door de griffier van de rechtbank alsnog het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is toegestuurd, faalt de klacht van de gemachtigde van de betrokkene hierover. </para>
    <para />
    <para>2. De gemachtigde van de betrokkene voert als eerste grond tegen de beslissing van de kantonrechter aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de hoorplicht is geschonden door de officier van justitie. De officier van justitie heeft het administratief beroep ten onrechte als kennelijk ongegrond aangemerkt. </para>
    <para />
    <para>3. De kantonrechter heeft overwogen dat de officier van justitie het administratief beroep terecht als kennelijk ongegrond heeft aangemerkt en daarom mocht worden afgezien van het horen. De kantonrechter heeft in dit verband, zakelijk weergegeven, overwogen dat horen niet vereist is gelet op de omstandigheid dat er een belangenafweging heeft plaatsgevonden en er geen nader onderzoek is verricht. </para>
    <para />
    <para>4. In beginsel dient de officier van justitie de indiener van een beroepschrift in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Daarvan kan, gelet op artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), slechts in de daar vermelde uitzonderingsgevallen worden afgezien.</para>
    <para />
    <para>5. Het hof stelt vast dat, in tegenstelling tot hetgeen de kantonrechter hieromtrent heeft geoordeeld, geen sprake is van een kennelijk ongegrond beroep aangezien de officier van justitie, blijkens de motivering van zijn beslissing, de informatie in het dossier heeft geraadpleegd. In een dergelijk geval is er geen sprake van een kennelijk, dat wil zeggen: aanstonds blijkens, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is, ongegrond beroep. </para>
    <para />
    <para>6. Het hof stelt evenwel vast dat in administratief beroep niet is verzocht om te worden gehoord. Gelet hierop mocht de officier van justitie op grond van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van het horen afzien. </para>
    <para />
    <para>7. Gelet hierop heeft de kantonrechter terecht, zij het niet op de juiste grond, geoordeeld dat de officier van justitie niet gehouden was om de betrokkene of diens gemachtigde te horen. Dit bezwaar leidt niet tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. </para>
    <para />
    <para>8. Als tweede grond stelt de gemachtigde dat de overheid het boetestelsel gebruikt om de begroting sluitend te krijgen. Niet wordt voldaan aan artikel 3:3 van de Awb en artikel 3:13, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, nu niet slechts de verkeersveiligheid aan het opleggen van de sanctie ten grondslag ligt.</para>
    <para />
    <para>9. In zijn arrest van 21 juni 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2016:4986, heeft het hof uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften afgeleid dat bij de bepaling, bij Algemene maatregel van bestuur, van de hoogte van het sanctiebedrag de ernst van het feit een factor is die van belang is maar dat niet kan worden geoordeeld dat andere factoren daarbij geen rol kunnen spelen. Gelet hierop treft deze beroepsgrond geen doel. </para>
    <para />
    <para>10. De beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7. is overwogen zal het hof dit doen met verbetering van gronden. </para>
    <para />
    <para>11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>