<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2019:7065</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-02T13:54:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21-004034-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:7065">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:7065</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-02T13:16:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2019:7065 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 02-09-2019 / 21-004034-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2019:7065:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Vrijspraak. Schending artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. </para>
        <para>Verdachte niet in kennis gesteld van resultaat bloedonderzoek.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2019:7065:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer:	21-004034-18 </para>
    <para>Uitspraak d.d.:	2 september 2019</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 2 juli 2018 met parketnummer 18-166316-17 in de strafzaak tegen</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een taakstaf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. C. Eenhoorn, naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij het hierboven genoemde vonnis ter zake het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstaf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">hij op of omstreeks 17 augustus 2017 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,87 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vrijspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door en namens verdachte is aangevoerd dat hij niet overeenkomstige de wettelijke voorschriften in kennis is gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en het recht op tegenonderzoek. De verdediging meent dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat verdachte bij de afname van zijn bloed is gewezen op het recht op tegenonderzoek. Zij concludeert daarom dat het onderzoek voldoet aan de wettelijke vereisten en dat een veroordeling dient te volgen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Relevante regelgeving</emphasis>
      </para>
      <para>Artikel 8 lid 3 aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 luidt, voor zover hier relevant:</para>
      <para>(…) Het is de bestuurder van een motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:</para>
      <para>(…) het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed</para>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 163 lid 4 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt voor zover hier relevant:</para>
      <para>In het geval, bedoeld in het derde lid (…), of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek (…) kan de opsporingsambtenaar verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in (…) artikel 8, derde lid, onderdeel b.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen (het Besluit) in het verkeer bepaalt dat: “De opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek en vermeldt daarbij het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onder b."<footnote-ref linkend="_0e1a2e36-f2ea-45b7-a0ff-b88561bcbbb7" /></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte is op 17 augustus 2017 aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Bij de verdachte is conform de wettelijke regels bloed afgenomen voor bloedonderzoek. Verbalisant [verbalisant 2] heeft in zijn proces-verbaal verklaard dat de arts in zijn aanwezigheid bloed heeft afgenomen van verdachte. Dezelfde verbalisant heeft het bloedmonster conform de wettelijke regels gewaarmerkt, verpakt en verzegeld. Hij heeft tevens het bloedmonster conform die regels naar het NFI in Den Haag verstuurd. Tijdens zijn verhoor hebben verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verdachte gewezen op de mogelijkheid van tegenonderzoek. Op dat moment was de uitslag van het bloedonderzoek nog niet bekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit onderzoek van het NFI (verslag d.d. 31 augustus 2017) is gebleken dat in het bloed van de verdachte een ethanolconcentratie is gemeten van 1,87 mg/ml. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geen van beide opsporingsambtenaren heeft verdachte schriftelijk geïnformeerd over de uitslag van het bloedonderzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof is van oordeel dat een zo spoedig mogelijke mededeling van het resultaat van het bloedonderzoek behoort tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 is omringd. Dat geldt voor de ademanalyse (ECLI:HR:2010:BM4412), maar ook voor het bloedonderzoek. De omstandigheid dat de opsporingsambtenaar verdachte in strijd met artikel 17 van het Besluit het resultaat van het bloedonderzoek niet binnen een week of in elk geval zo spoedig mogelijk schriftelijk heeft medegedeeld, brengt dan ook mee dat er geen sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 163 lid 4 jo. artikel 8 lid 3 onder b Wegenverkeerswet 1994. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat heeft tot gevolg dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan zodat hij daarvan wordt vrijgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door</para>
      <para>mr. J. Hielkema, voorzitter,</para>
      <para>mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,</para>
      <para>en op 2 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_0e1a2e36-f2ea-45b7-a0ff-b88561bcbbb7" label="1">
    <para> Besluit van 14 december 2016, <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 529, Inwerkingtreding 1 juli 2017.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>