<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2019:5495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-03T09:12:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.260.414/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:5495">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:5495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-03T09:11:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2019:5495 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 01-07-2019 / 200.260.414/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2019:5495:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsverzoek afgewezen. Het gegeven dat de zitting in Leeuwarden plaatsvindt, vloeit voort uit artikel 14 Wahv. Van een rechterlijke beslissing is geen sprake</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2019:5495:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.260.414/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van 1 juli 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het schriftelijke verzoek van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>verzoekster in het wrakingsincident,</para>
      <para>hierna: verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde: Th.A. Vermolen, kantoorhoudende te Tilburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>dat strekt tot wraking ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. E. de Witt</emphasis>,</para>
      <para>raadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden,</para>
      <para>verweerder in het wrakingsincident.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure <?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 februari 2017, waarbij het beroep van verzoekster tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond is verklaard. Het hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.223.240/01. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij brief van 9 mei 2019 is verzoekster door de griffie van het hof uitgenodigd om ter zitting te verschijnen op 6 juni 2019 om 13.30 uur te Leeuwarden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Verzoekster (althans haar gemachtigde) heeft bij verzoekschrift van 30 mei 2019, ingekomen ter griffie van het hof op 5 juni 2019, een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van (naar de wrakingskamer begrijpt:) de rechter die heeft beslist dat de zitting in Leeuwarden zal plaatsvinden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Mr. De Witt, de behandelend raadsheer, heeft bij brief van 14 juni 2019 op het wrakingsverzoek gereageerd. Hij heeft niet in de wraking berust. Mr. De Witt heeft aangegeven dat hij geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om door de wrakingskamer te worden gehoord. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Het wrakingsverzoek is ter zitting van 26 juni 2019 behandeld door de wrakingskamer. Ter zitting is niemand verschenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling van het verzoek<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 8:15 Awb hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat dit het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Vrees voor vooringenomenheid kan ontleend worden aan de inhoud van een rechterlijke beslissing, maar is in een dergelijk geval slechts objectief gerechtvaardigd indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing is genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is aan te wijzen dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Verzoekster heeft - kort gezegd - aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter bij de beslissing om de zitting in Leeuwarden te laten plaatsvinden onvoldoende rekening heeft gehouden met haar (financiële) belangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De wrakingskamer stelt voorop dat, zoals mr. De Witt heeft aangevoerd in zijn reactie op het wrakingsverzoek, het gegeven dat de zitting in Leeuwarden plaatsvindt voortvloeit uit artikel 14 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Van een rechterlijke beslissing in dezen is dan ook geen sprake. Nu ook overigens niet van feiten of omstandigheden is gebleken die blijk geven van enige vooringenomenheid en evenmin van feiten en omstandigheden die objectief gezien schijn wekken, dient het verzoek tot wraking te worden afgewezen. <?linebreak?></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het gerechtshof (wrakingskamer):<?linebreak?></para>
        <para>wijst het verzoek tot wraking van mr. E. de Witt af.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, P.W.J. Sekeris en H. de Hek, leden van de wrakingskamer, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2019 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>